De honden, de vossen, en de mensen in de toren
| 4 minuten leestijd
De honden, de vossen, en de mensen in de toren

De honden, de vossen, en de mensen in de toren

een sprookje voor de moderne tijd

Er was eens een oud stadje in het midden van een vruchtbare vallei. Alhoewel de mensen aldaar tevreden en gelukkig waren, droegen zij een pijnlijke geschiedenis met zich mee. Niet eens zo lang geleden woonde er een grote groep honden in het stadje. Het samenleven was altijd vredig en harmonieus geweest totdat er iemand was opgestaan die de honden de schuld begon te geven van allerlei problemen. Zo zouden de honden ongedierte en ziektes brengen en de kippen van de mensen verslinden. Op een bepaald moment waren de mensen zo tegen de honden opgezweept dat ze in een razernij uit de vallei werden verjaagd. Sommige daarvan werden met stenen gekogeld en gedood. De mensen kwamen gelukkig vrij snel daarna weer bij zinnen. Wat er toen was gebeurd mocht nooit meer plaatsvinden, daar was iedereen het over eens.

Na dit drama waren de nieuwe leiders zich meer en meer gaan terugtrekken in een hoge toren in het midden van het stadje. Van daaruit konden zij de stad beter overzien en besturen, zo dachten zij, en dit soort gebeurtenissen voortaan voorkomen. En van lieverlede begonnen de leiders meer tijd met elkaar in de toren te besteden en minder met het volk beneden. Tot ze op een gegeven moment elkaar alleen nog van een afstand zagen.

Op een dag verscheen er een dier in de vallei dat tot die tijd onbekend was: de vos. Deze zorgde voor problemen en overlast. De mensen verzamelden zich dan ook bij de toren en riepen: ‘Leiders, hoor ons! Er is een nieuw soort hond verschenen en deze veroorzaakt veel schade. Zij eten het fruit, de aardappelen en eieren uit de schuren en doden onze kippen. Help ons!’ De leiders hoorden het roepen en keken vanuit de toren naar beneden. Maar omdat zij van een grote hoogte keken, zagen zij alleen de rug, de vier poten en de staart van de vos, die zij daarom voor de bekende hond aanzagen. En omdat de vossen ‘s nachts uit het zicht van de leiders toesloegen, konden zij niet zien wat voor schade ze aanrichtten. De leiders riepen dan ook geschrokken terug: ‘Volk, willen jullie dan dat de geschiedenis zich herhaalt? Weer geven jullie deze vriendelijke viervoeters de schuld van allerlei zaken. Ga terug naar jullie huizen en schaam jullie diep!’

Verward omdat ze niet begrepen dat de leiders niet zagen wat zij zagen, dropen de mensen af. Maar opnieuw sloegen de vossen ‘s nachts toe. En gelokt door het vele voedsel kwamen ze met steeds meer. Dus gingen de mensen wederom naar de toren, en riepen: ‘Leiders, dit loopt echt uit de hand. We willen de dieren geen kwaad doen, maar laat ons op z’n minst een hek om de stad bouwen’. Maar vanuit die hoogte verwarden de leiders nog steeds de vossen met honden. Daarnaast had het leven in de toren de leiders hooghartig gemaakt en lieten ze zich niet graag op andere gedachten brengen. En al helemaal niet door het geschreeuw van het volk beneden. Alleen zij konden toch immers vanuit de toren alles goed overzien? ‘Een hek? Ja daar begint het mee. Maar wij weten waar dit soort acties mee eindigt. Scheer jullie weg!’, zo riepen ze terug, nu nog luider. Ze wendden hun hoofden af en bespraken in de toren vol afschuw hoe verschrikkelijk de mensen daar beneden zich gedroegen.

De mensen in de stad reageerden verschillend. Sommigen vertrokken. Anderen bleven roepen naar de leiders in de toren in de hoop dat ze duidelijk konden maken wat er aan de hand was. Maar de afstand was te groot en zij waren niet in staat tot de leiders door te dringen. Maar ook een beetje geïntimideerd door de boze reacties van de leiders durfden ze niet zelf de problemen met de vossen aan te pakken. Uiteindelijk was de laatste kip geroofd en de laatste schuur geplunderd.

De leiders merkten op een dag dat er geen voedsel meer naar de toren werd gebracht zoals gewoonlijk gebeurde. Toen ze noodgedwongen uit de toren stapten, zagen zij de verlaten huizen en lege straten. En de vossen. Heel veel vossen. Vertwijfeld keken de leiders naar elkaar en riepen met alle macht om hulp. Maar er was, op de vossen na, niemand meer om hun gegil te kunnen horen.

Blind vertrouwen in autoriteit is de grootste vijand van de waarheid.