De omkering van alle waarden
5 minuten leestijd
Quinten Weeterings
Quinten Weeterings

De Quintessens

Quinten Weeterings schrijft om de week een column over filosofie, religie, literatuur, film en dergelijke meer.

De omkering van alle waarden

Over het misbegrepen carnaval

Cultuur
De omkering van alle waarden
5 minuten leestijd

In het zuiden van Nederland barst deze dagen het carnavalsfeest los. Het gaat om een rituele eruptie van wat diep verscholen ligt in de volksaard: een mengsel van anarchie, aanstekelijke humor, vrolijk nihilisme en bijtende satire. De maskers worden opgezet, de rollen worden omgedraaid. Terwijl buiten de kou heerst, stijgt de temperatuur in de kroeg. Er klinkt dreunende muziek met schunnige teksten en men giet zich vol met bier en andere drank. In mijn omgeving leven de mensen hier maandenlang naartoe. Zeker in de periode na 11 november (Elluf Elluf), het begin van het carnavalsjaar, voelen zij de spanning toenemen; de wagens voor de optocht komen gereed, de carnavalskleding ligt klaar en ieder dorp (gat) weet inmiddels wie zich dat jaar prins carnaval mag noemen.

De symboliek laat aan duidelijkheid niets te wensen over: met de sleuteloverdracht krijgt de prins van de burgemeester de opdracht om het feest goed te laten verlopen. Hij wordt daarin gesteund door zijn adjudanten en de Raad van Elluf. Niet langer zijn de autoriteiten de baas, niet langer hoeft men de gezagsverhoudingen te respecteren. In Brabant heeft elke stad, elk dorp en elk gehucht een eigen naam met carnaval. Het is dus een feest met een eigen topografie, een feest waarbij grenzen worden verlegd (wat overigens niet betekent dat er niet ook bepaalde grenzen moeten worden gerespecteerd). De organisatie van carnaval valt niet te onderschatten, het gaat om een operatie waar heel veel mensen bij betrokken zijn. Voor de kroegen staat er ook veel op het spel: zij draaien in enkele dagen een groot deel van de jaarlijkse omzet.

Overal waar de prins met zijn gevolg verschijnt brengt hij vertier. In de optocht komt alles wat ludiek genoemd kan worden aan bod; loopgroepen voeren sketches op, de kapel speelt muziek en er zijn praalwagens bij die zo het museum voor folkloristische kunst kunnen worden binnengereden. Een tonproater steekt de draak met iedereen, de nar krijgt het hoogste woord, voor politieke correctheid is geen plaats; het publiek geeft met een lach het belangrijkste antwoord. De feestvierders schikken zich niet naar de normale mores, zij hoeden zich voor feestbederf. Tot dinsdag middernacht gaan ze er keihard tegenaan om daarna op Aswoensdag, het officiële begin van de Vastentijd, een askruisje te halen in de kerk.

Als zuiderling valt het niet mee om aan een buitenstaander uit te leggen wat carnaval betekent. Het feestvieren is geen bijzaak, het is de culminatie van lyriek waar de gemeenschap zich in herkent. Zij die zich in alle ernst keren tegen het carnaval, zien de ernst van carnaval niet in. Vanaf de negentiende eeuw herleeft het feest in de provincies Brabant en Limburg, nadat de traditie voorheen was onderdrukt. Veel van de carnavalstradities die we nu kennen stammen uit die tijd, maar de oorsprong gaat verder terug. Telkens was er strijd tussen de autoriteiten die het feest wilden beteugelen en de bevolking die zich dit bal van anarchistische spot niet wilde laten ontzeggen.

Er schuilt een gevaar in het carnaval, maar niet voor diegenen die zich gewillig door de feestvreugde laten aansteken. Hun plezier is besmettelijk. De feestende meute keert zich niet af van de wereld. Nee, zij realiseert zich eens te meer deel te zijn van een wereld die overheerst wordt door mensen die zich op hun zuinigheid beroemen. Het mateloze feest waarbij verhoudingen veranderen, de lach wordt gehoord en men elkaar ontmoet van achter een masker, benadrukt op unieke wijze de afgemeten tekortkomingen van le quotidien. Het is deze inkeer die de carnavalsvierder beleeft.

Twee schrijvers voerden in het interbellum een gedenkwaardige pennenstrijd, waarbij ook het thema carnaval aan bod kwam. Het ging om de sceptische vrijdenker Menno ter Braak en de katholieke cultuurdrager Anton van Duinkerken. Ter Braak was iemand van boven de rivieren, hij publiceerde in 1930 een boek getiteld ‘Het carnaval der burgers’. Van Duinkerken groeide op in het katholieke Brabant. Leven boven de Moerdijk betekende voor Van Duinkerken een langzame dood, zo meldt hij in een van zijn gedichten in de bundel ‘Hart van Brabant’ uit 1936. In dichtvorm keerde Van Duinkerken zich ook tegen het fascisme in zijn beroemd geworden ‘Ballade van den katholiek’, later zou de Duitse bezetter hem gegijzeld houden in het gijzelaarskamp van Sint-Michielsgestel. Ter Braak pleegde op 14 mei 1940, direct na de Nederlandse capitulatie, zelfmoord.

Voor Van Duinkerken was carnaval een existentiële ervaring, het is volgens hem volstrekt onlogisch om het te willen beteugelen vanwege de uitwassen ervan. De driedelige uitgave van het verzameld werk van Van Duinkerken begint met de ‘Verdediging van Carnaval’, een aantal teksten die hij in de loop der jaren schreef. In meer dan 40 pagina’s behandelt hij de geschiedenis en maatschappelijke betekenis; het zegt iets over hoe dicht hij met deze thematiek raakte aan de kern van zijn opvattingen. Ter Braak slaagt er niet in om de zotheid van carnaval te onderscheiden van de burgerlijkheid van carnaval. In zijn beleving moet het een verwijzen naar het ander, de ondertitel van zijn boek heet dan ook ‘een gelijkenis in gelijkenissen’. Ter Braak vat in zijn beschouwing over carnaval het dragen van maskers op als een ‘beveiliging der anonymiteit’, hij beschrijft het feest als een ‘ontgrenzing der dagelijkse waarden’, waarbij de gemeenschap zich toont in ‘een vlaag van collectief dichterschap’. Toch zou je het elitaire burgerdom dat zich prijst om zijn slagvaardigheid wel wat meer dichterschap toewensen.

Carnaval staat voor de omkering van alle waarden en is in die zin een feest zonder gelijkenis. De boodschap van carnaval, een jaarlijks terugkerend feest van enkele dagen, valt niet te verenigen met de opvattingen van de moderne burger.