De vooruitgang loopt uit in de dood
Van verlichting en verval
Cultuur
Zoals de ruimtevaart naar nergens voert. Eerst de Maan, dan Mars, enzovoort … tot in een heelal waaraan geen einde komt. Zonde van de tijd, zonde van het geld. En de evolutie dan? Niet meer dan theorie. Er is geen wezenlijk verschil tussen de holbewoner en de flatbewoner. Alles wat van belang is, heeft de mens altijd geweten. Het verstand, o wonder, was er ineens.
De mythologische Prometheus, de Vooruitdenker, werd door oppergod Zeus gestraft door hem aan een rots te ketenen waar een arend dagelijks een hap uit zijn lever kwam nemen omdat hij het vuur naar de mensen had gebracht. De bouwers van de Toren van Babel werden door YHWH met spraakverwarring gestraft, waardoor hun verwaande hemelbestorming bij gemis van communicatie vastliep. Er was veeleer achteruitgang. Lang vóór de christelijke jaartelling zagen Hesiodos en Plato hun eigen tijd als zijnde ‘van ijzer’. Tegen dat ijzer veronderstelden zij het bestaan van een ooit utopische samenleving of ‘gouden eeuw’, die via zilver en brons ten onder was gegaan aan morele verwording. De oudtestamentische profeet Daniël zag in het beeld dat de Babylonische koning Nebukadnezar had gedroomd een gouden hoofd, een borst van zilver, een buik van brons, benen van ijzer en voeten van leem. Groeiende verslechtering. In zijn redevoering voor de geitenhoeders memoreert Don Quichot rond 1605 het gouden tijdperk, toen er nog geen ‘van mij’ en ‘van jou’ bestond, en alles gemeenschappelijk was. Men hoefde niet in het zweet des aanschijns te zwoegen aangezien de natuur spontaan haar vruchten afdroeg. Zijn eigen tijd betreurde hij vanwege de teloorgang van het ridderwezen.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Maar toen kwam de Verlichting, die geschiedenis zou schrijven. Na de duistere Middeleeuwen begon men te dromen over het ombuigen van dat ideale weleer in een concreet project voor de toekomst. De ontwikkeling van de Wetenschap en de daaruit voortschrijdende kennis, de toenemende technologie en de liberale democratie leken een hoogwaardigere mensheid in het vooruitzicht te stellen. Daartegenover liet ook een meer bezonnen Tegenverlichting van zich horen. De Franse reactionaire filosoof Joseph de Maistre zette de twee invloedrijkste vooruitgangsapostelen tegenover elkaar om de vloer met ze aan te vegen. Waar Voltaire van de beschaving een afgod maakte, voerde Rousseau de onbedorven natuurmens (bon sauvage) ten tonele. De eerste verweet hij diens hypocriete dedain voor alles buiten het Parijs van zijn tijd; de tweede, diens kortzichtig negeren van het verschil tussen de oorspronkelijke mens en de barbaar. De oorspronkelijke mens - naar het evenbeeld van zijn Maker - was allesbehalve wild. Die stelde qua schoonheid en wijsheid zowel zijn beschaafde als onbeschaafde nakomelingen in de schaduw. De Maistre was niet de enige die in de geschiedenis een aanzwellende regressie signaleerde. Ook filosofen als Vico, Swedenborg, Hemsterhuis tot en met Solovjov en Spengler - niet de minsten onder de denkers - stelden zich een verleden voor van voorbeeldige mensen dat gaandeweg was overgegaan in ons zielloze heden. Een vergelijkbaar inzicht smeulde nog tijdens de Romantische Beweging.
Met de Moderniteit triomfeerde de Verlichting. Niet alleen het darwinisme kreeg algemeen ingang, ook op geestelijk en zedelijk vlak raakten we meer en meer verlicht. De jezuïet en natuurwetenschapper Teilhard de Chardin zag de mensheid opwaarts gaan naar een toekomstig punt Omega van waaruit alle voorafgaande generaties het nakijken hadden. De beroemde historicus Francis Fukuyama sprak lovend van een ‘kroniek over vooruitgang, verwerving van kennis en wijsheid en een gestaag opklimmen naar een hoger niveau van intelligentie en welzijn’ (Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, 1989).
Nog niet zo lang geleden waanden de mensen zich doodgemoedereerd in een stabiel universum dat werd gestut door twee elk op zichzelf staande pilaren die een absolute tijd en een absolute ruimte voorstelden. Maar toen verscheen Einstein. En die verklaarde dat tijd en ruimte niet elk op zichzelf staan, maar dat ze elkaar impliceren. Tijd is ruimte, ruimte is tijd, En alles berust op eeuwige relativiteit. De oude fysica was passé.
Evenwijdig met die ontdekking verdween in de menselijke geest zowel het besef van een objectieve werkelijkheid, als dat van objectieve waarheid. Die hingen af van iedere afzonderlijke waarnemer. Vandaar dat in onze tijd iedere mening even veel recht van bestaan heeft.
Onderwijl gaat de ruimtevaart onverdroten voort. Zo ook de dood. Alleen hemelvaart biedt troost. Want die kost ruimte, noch tijd. Maar wat zegt dat nog de wetenschapper? De Britse dichter Shelley had met zijn Prometheus Unbound (1820) de godheid al geketend. En daardoor kon de mensheid ook een nieuwe Toren bouwen, dit keer zonder last van spraakverwarring. De Europese Unie was een feit.

