De welvaartsstaat is een ziekte
5 minuten leestijd
Luca de Clippelaar
Luca de Clippelaar

Clippelaars Credo's

Luca de Clippelaar, dichter van de manosfeer, schrijft om de week een column over cultuur en politiek.

De welvaartsstaat is een ziekte

Grenzen aan de gerontocratie

Politiek
De welvaartsstaat is een ziekte
5 minuten leestijd

Als ik het lachende smoelwerk van de al op 38-jarige leeftijd grijswordende Rob Jetten zie verschijnen op de beeldbuis, dan overvalt mij de grootste weemoed, omdat ik moet denken aan de man die het allemaal niet heeft mogen meemaken: Jan Terlouw. De broze patroonheilige van D66, God hebbe zijn ziel, zou apetrots zijn op de premier-in-wording. Een traan loopt over mijn wang, als ik denk aan Terlouws blauwe ogen die vanuit de hemel wel berustend naar Nederland turen. Ja, Nederland is na kabinet Schoof I weer in fatsoenlijke en vooral politiek correcte handen! Dan echter herinner ik me dat D66 een groot voorstander is geweest van versoepelde regelgeving rond abortus en ‘voltooid leven’, en acht de kans daarom klein dat de man van de touwtjes-uit-brievenbussen aan tafel met Jezus en de engelen een oneindige voorraad bier en biefstuk zit weg te schransen in het wolkenrijk.

Net als Jetten, kon Terlouw enorm leuteren over klimaatverandering, sociale gelijkheid en leiderschap. Het beste voorbeeld wat mij nu te binnen schiet is zijn legendarische speech bij De Wereld Draait Door. Deze speech is vooral bekend geworden door het al eerder vermelde touwtjes-uit-brievenbussen-verhaal, maar wat volgens mij veel interessanter is aan Terlouws betoog, is de manier waarop hij het begint.

Zijn verhaal begint namelijk bij de Tweede Wereldoorlog, of eigenlijk bij het eind van de Tweede Wereldoorlog, in het jaar 1945: het jaar nul van iedere moderne politieke ideologie. Vóór 1945 tastte de gehele mensheid rond in het duister, maar na het verslaan van het ontologische kwaad, kwam dan eindelijk het licht van emancipatie en rechtsorde in de wereld. Dit is de moderne mythe waarop het Westen al 80 jaar rust. Het is een mythe die onaantastbaar is voor de generatie van Terlouw, zoals de verhalen in de Bijbel dat ook eens waren. Wie haar juistheid tart, dient aan de schandpaal genageld te worden. Om mijzelf ernstige kleerscheuren en hoon te besparen, zal ik mij dan ook niet branden aan deze ‘ontstaansmythe’.

Terlouw vervolgt zijn betoog en praat als een dominee over de wederopbouw en de totstandkoming van de welvaartsstaat. Veel verder dan de eerste minuut van zijn speech kom ik niet, omdat ik haast ineenkrimp van de open deuren die worden ingetrapt, de moralistische prietpraat en het denkbeeldige schoolmeestervingertje dat bij iedere zin opgeheven wordt. Mijn oren beginnen te suizen en ik denk voor het eerst kritisch en serieus na over de verworvenheden van de welvaartsstaat waarop we allemaal zo ‘trots’ zijn. Immers heeft Nederland niets meer om trots op te zijn buiten het uitgewerkte sociale zorgstelsel; niet op onze cultuur en niet op onze geschiedenis. Onze enige troost is het feit dat we de zaakjes hier goed op orde hebben.

Echter dient de echte cultuurcriticus hier de vraag te stellen: is dat wel zo? Zijn onze zaakjes wel zo goed op orde? Is de welvaartsstaat houdbaar voor de komende generaties? En is het überhaupt een goed idee om een welvaartsstaat te zijn? Is er ooit nagedacht over de lange termijn effecten van een staat die van wieg tot graf voor zijn burgers zorgt? Wat zijn de lange termijn effecten op de fysiologie van de mens? Worden we niet met zijn allen lelijker en zwakker van de welvaartsstaat? Is het goed om de winnaars geld op te laten hoesten voor de verliezers van de darwinistische levensstrijd? Is er nog sprake van darwinisme in de welvaartsstaat? Is de welvaartsstaat een verschijnsel van een opkomende jeugdige beschaving, of is het één van de eerste tekenen van ondergang? Kortom, is de welvaartsstaat een teken van gezondheid of is het een ziekte, die ziektes in stand houdt?

Al deze vragen moeten als godslastering klinken in de oren van Terlouw en de zijnen. Het zijn vragen die schuren aan de grens van het amorele. Ze zullen waarschijnlijk gepareerd worden met een wedervraag: “zou jij het niet fijn vinden als er voor je gezorgd wordt als je ziek of oud bent?” Ik zou dat hoogstwaarschijnlijk erg fijn vinden. Echter ben ik (nog) niet ziek en oud, en nog veel belangrijker: geen kantiaan. Juist door mijn afwezigheid van ziekte en ouderdom ben ik in staat de morele fundamenten van de welvaartsstaat te onderzoeken, zoals de dokter de kniepeesreflex onderzoekt. Ik tik met mijn hamer op de seculiere moraal - onze laatste erfenis van het christendom - en hoor niets dan de weerklank van een rottingsproces.

Spartanen gooiden pasgeboren kinderen die enig lichamelijk gebrek vertoonden van een klif en noemden het gerechtigheid. Als op het nieuws verschijnt dat gewonde Palestijnse kinderen geholpen kunnen worden in onze ziekenhuizen, dan eist men dat deze zielige kindjes in Nederland worden opgenomen, omdat het inhumaan zou zijn als we het niet zouden doen. Ik vraag mij dikwijls af waar de grens van het westerse medelijden ligt, dat buigt voor alles dat ziek, zwak en vertrapt is.

We gaan nog even terug naar de uitzending van De Wereld Draait Door om te luisteren naar het goede geweten van de natie - waar staat de ‘d’ voor in D66? Voor ‘dominee’ soms? - Jan Terlouw. Hij kijkt indringend de camera in en praat over de toekomst van dit land, de jeugd, die volgens hem met een ‘verschraalde aarde’ zal moeten leven. Dit klopt, want de welvaart die de generatie van Terlouw heeft ontvangen, hebben zij niet door weten geven aan hun nakomelingen, aan mijn generatie. Liever gaven ze het uit aan duurzame luchtkastelen en massa-immigratie.

Sinds 2025 wonen er meer ouderen dan jongeren in Nederland. Ik zal er daarom ook niet van opkijken wanneer de welvaartsstaat radicaliseert, nu het merendeel van het electoraat aan de tiet van de overheid hangt. De inkomsten van de staat zullen moeten groeien, om al deze tandeloze monden te kunnen voeden. Ergens zal het geld weggeslurpt moeten worden: van de jeugd. Maar ook de jeugd is niet eeuwig uitknijpbaar. Waar in 1950 nog 7 werkenden waren voor iedere 65-plusser, zijn dat er in 2026 nog maar 3. ‘Grenzen aan de groei’, stelde de Club van Rome ooit. ‘Grenzen aan de gerontocratie’, wil ik daarvoor anno 2026 in de plaats stellen. Uiteindelijk zal de welvaartsstaat aan zijn eigen weelde te gronde gaan, omdat ze niet meer de sterke benen heeft om haar te dragen, zoals een groteske zonnebloem knakt onder haar eigen gewicht. De natuur wint, net als het casino, altijd.