De willende wereld
14 minuten leestijd

De willende wereld

Enkele woorden als voorbereiding op een lezing

Religie
Portretfoto van Arthur Schopenhauer, Johannes Schäfer
Portretfoto van Arthur Schopenhauer, Johannes Schäfer
14 minuten leestijd
Het volgende stuk is geschreven ter gelegendheid van de lezing van de heer Joris van Rossum van 24 juni 2022. Mijn hoop is dat dit kan dienen als voorbereidende lectuur voor geïnteresseerden die deze lezing bij zullen wonen.

“De wereld is mijn voorstelling”;1 zo vangt het bijna duizend woorden tellende Hauptwerk van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer aan. Deze onschuldig ogende openingszin vat, samen met de vergezellende hypothese van de wereld als wil, Schopenhauers filosofie effectief samen. Zo ligt in zekere zin reeds in de titel van dit werk —Die Welt als Wille und Vorstellung— zijn gehele filosofie besloten.

In het voorwoord van zijn boek vinden wij een verontschuldiging van Schopenhauer: hij kon geen kortere wijze vinden zijn filosofie mede te delen dan het gehele boek.2 Het is geen zelfspot maar een scherpe observatie van het soort waarin Schopenhauer meester is; de uitgebreidheid van zijn werk is geboren uit pure noodzaak, enerzijds om de totaliteit van de menselijke ervaring te omarmen, anderzijds omdat de kern van Schopenhauers filosofie de westerse wereld wezensvreemd is. De prachtige metaforen, de verwijzingen naar kunst en naar eerdere filosofen maar ook citaten uit natuurkundige werken of religieuze teksten vullen de pagina‘s en verlenen Schopenhauers werk een bijzondere dichterlijkheid en geven zijn abstracte concepten die soms ver van de westerling af staan een grote begrijpbaarheid.

Een introductie als deze kan daarom geen vervanging vormen voor het lezen van Schopenhauers eigen woorden. Niettemin kan ik beperkt de achtergrond proberen te schetsen van Schopenhauers ideeën, een poging wagen deze kernachtig samen te vatten en uit de doeken te doen wat deze filosoof zo bijzonder maakt.

In de eerste plaats wordt veel van de eerdere westerse filosofie gekenmerkt door een zeker dualisme; de notie dat geest en stof wezenlijk van elkaar verschillen. Hierdoor wordt de wereld in de regel beschouwd als een fenomeen dat buiten onszelf bestaat. Dit is de grondslag van het materialisme dat heden ten dage de scepter zwaait en waarin de objectieve wereld tot absolute werkelijkheid wordt verheven, waar wij bij de geboorte als op een schouwtoneel opkomen, en met de dood weer afgaan.

De visie die Schopenhauer uitdraagt van de wereld als onze voorstelling, toont ons een radicaal ander perspectief, want hij schetst een wereld waarin de wereld als het waargenomene en de waarnemer van de wereld een onderlinge afhankelijkheid kennen. Met andere woorden: de wereld is net zo goed in ons, als dat wij in de wereld zijn. De wereld om ons heen is daarom niet als onafhankelijk te beschouwen van ons bewustzijn, welke een voorwaarde is voor haar gehele bestaan in de vormen zoals wij die kennen.

Uiteraard is een dergelijk inzicht zeker niet zonder precedenten, en het mag benoemd worden dat soortgelijke inzichten kenmerkend zijn voor een groot deel van de oosterse filosofie en dat deze een grote invloed hebben gehad op Schopenhauer en zijn inzichten over de aard van de werkelijkheid.3 In de Westerse filosofie vinden we reeds in Plato en Heraclitus de gedachte dat de aanschouwelijke wereld in al zijn vergankelijkheid en zijn constante staat van worden, niet van zijn, louter illusie is, en dat zich hierachter een tijdloze werkelijkheid verschuilt.4 Spinoza maakte korte metten met het dualisme in de Westerse filosofie, zowel met het idee dat God buiten ons universum bestaat —want God is de natuur, aldus Spinoza— als met het dualisme van lichaam en geest. Het lichaam, zo zegt Spinoza, is niets meer dan het object van de geest.5 Na Spinoza zijn het Berkeley, met zijn gedachte dat materie en haar eigenschappen afhankelijk zijn van de waarnemer om te bestaan —esse est percipi— en Kant die begreep dat tijd, ruimte en causaliteit voorwaarden zijn zonder welke de wereld niet bestaan kan in de zin zoals wij deze ons voorstellen die de westerse filosofie rijp maakte voor de komst van Schopenhauer.

De Reactionair

Boekenwinkel

Ondek onze grote collectie boeken, zoals De seksuele revolutie, in onze boekenwinkel.

De seksuele revolutie

Daar tijd, ruimte en causaliteit voorwaarden zijn voor onze perceptie, volgt dat deze geen eigenschappen zijn van de wereld zoals deze werkelijk is, zo schrijft Schopenhauer. Het onderliggende substratum van de uiterlijke laag van de wereld is derhalve tijdloos, ondeelbaar, zonder extensie en onveranderbaar. Hij vervolgt door de aard van dit Ding-an-sich aan de lezer te onthullen.

Schopenhauer noemt deze onderliggende macht in de wereld wil; die hij karakteriseert als een tomeloos streven. Zo is de wereld zoals wij deze waarnemen slechts hoe de wil zich voor ons bewustzijn ontvouwt. De wil is de kern van elk levend wezen, en is wat ten grondslag ligt aan elk van onze verlangens en ook aan het lijden in de wereld. Dit is enigszins vergelijkbaar met hoe de vier edele waarheden in het boeddhisme de aard, oorsprong en beëindiging van het lijden analyseren:

  1. Dolor; het lijden; dit lijden is inherent aan deze wereld: Samsara.
  2. Doloris ortus; het ontstaan van het lijden. Dit wordt door de Boeddhisten gezocht in tanha; verlangen of, in Schopenhauers lezing: wil.
  3. Doloris interitus; het beïndigen van het lijden door het loslaten van verlangen.
  4. Octopartita via ad doloris sedationem; het achtvoudige pad om het lijden te stillen. Dit is specifiek de boeddhistische weg naar het doven van de wil. Een exacte uitleg hiervan vereist iets meer woorden dan ik hier kwijt kan. Het is echter een doctrine van onthouding, zoals ook Schopenhauer deze voorstaat.

En hierin komt Schopenhauers beroemde pessimisme naar voren; want het ontstaan van nieuw leven als gevolg van de ultieme wilsdaad —geslachtsgemeenschap— is door deze lens gezien een schuld die de mens met het lijden des levens en uiteindelijk met de dood moet aflossen. Zo is elke geboorte het toevoegen van een nieuwe schakel aan de keten van het lijden.

Junghuhn erzählt, daß er auf Java ein unabsehbares Feld ganz mit Gerippen bedeckt erblickt und für ein Schlachtfeld gehalten habe: es waren jedoch lauter Gerippe großer, fünf Fuß langer, drei Fuß breiter und eben so hoher Schildkröten, welche, um ihre Eier zu legen, vom Meere aus, dieses Weges gehn und dann von wilden Hunden (Canis rutilans) angepackt werden, die, mit vereinten Kräften sie auf den Rücken legen, ihnen den untern Harnisch, also die kleinen Schilder des Bauches, aufreißen und so sie lebendig verzehren. Oft aber fällt alsdann über die Hunde ein Tiger her. Dieser ganze Jammer nun wiederholt sich tausend und aber tausend Mal, Jahr aus Jahr ein. Dazu werden also diese Schildkröten geboren. Für welche Verschuldung müssen sie diese Quaal leiden? Wozu die ganze Gräuelscene? Darauf ist die alleinige Antwort: so objektivirt sich der Wille zum Leben.6

Toch is het beeld van Schopenhauer als zwartkijker niet geheel terecht en kan het inzicht van het leven als lijden juist troost bieden; want hierin laten wij de verwachting van enige vervulling van verlangens varen en kunnen wij berusten in de kennis dat het lijden de natuurlijke gang van zaken is. Hierdoor kunnen wij pijn en verlies beter het hoofd bieden, en zullen wij nooit de vuist ten hemel heffen en de vraag stellen, waarom juist deze persoon ons moest ontvallen of waarom juist dit onheil ons gebeurt. Het antwoord op deze vraag is immers dat het de natuurlijke orde der dingen is, en zo wordt memento mori een gedachte die ons troost kan bieden: gedenk dat u eens zal rusten — requiescat in pace.

Wellicht komt dit over als misplaatste doodsverheerlijking, maar in feite hebben wij als moderne mensen een ongezonde relatie met het sterven — wij vluchten voor het aangezicht van de Dood. Maar het is niet voor niets dat de Dood in het Duits “Freund Hein” genoemd wordt. Het is daarom dat de Dood in het bekende gedicht van Matthias Claudius de wanhoop van het jonge meisje aan wier bed hij verschijnt beantwoordt met een geruststelling:

Gib deine Hand, du schön und zart Gebild!
Bin Freund, und komme nicht, zu strafen.
Sei gutes Muts! ich bin nicht wild,
Sollst sanft in meinen Armen schlafen!7

Deze pessimistische blik op het leven is de hedendaagse samenleving vreemd, want de gemiddelde mens jaagt zijn geluk na, en zoekt dit in het vervullen van de eigen verlangens. De aloude notie dat wij in le meilleur des mondes possibles leven kenmerkt de hedendaagse cultuur;8 alles moet vooral leuk en positief zijn. Men wordt gemaand om optimistisch te zijn. Tevens verwijs ik graag naar de ideeën die ons in het humanisme voorgehouden worden, van de zoektocht naar onsterfelijkheid en gezondheid door de ontwikkelingen in de medische wetenschap. Maar hiermede stapelen zich alleen maar de teleurstellingen op, terwijl het inzicht van de wereld als lijden de wereld vrijwaart van de verwachting dat zij enig goeds kan voortbrengen.

Verder bereikt Schopenhauer met het verenen van de wereld als wil met het gegeven dat de waarneembare wereld louter voorstelling is de mogelijkheid van een onsterfelijkheidsdoctrine. Als wij allen fundamenteel één zijn, en als individuatie derhalve een illusie is, kunnen wij uit deze kennis verdere troost scheppen:

Woher werden diese Alle kommen? Wo sind sie jetzt? – Wo ist der reiche Schooß des weltenschwangeren Nichts, der sie noch birgt, die kommenden Geschlechter? – Wäre darauf nicht die lächelnde und wahre Antwort: Wo anders sollen sie seyn, als dort, wo allein das Reale stets war und seyn wird, in der Gegenwart und ihrem Inhalt, also bei Dir, dem bethörten Präger, der, in diesem Verkennen seines eigenen Wesens, dem Blatte am Baume gleicht, welches im Herbste welkend und im Begriff abzufallen, jammert über seinen Untergang und sich nicht trösten lassen will durch den Hinblick auf das frische Grün, welches im Frühling den Baum bekleiden wird, sondern klagend spricht: »Das bin ja Ich nicht! Das sind ganz andere Blätter!« – O thörichtes Blatt! Wohin willst du? Und woher sollen andere kommen? Wo ist das Nichts, dessen Schlund du fürchtest?9

De ethiek van Schopenhauer volgt als vanzelfsprekend uit zijn visie van de wereld als ondeelbare, tijdloze wil. Zo komt een werkelijk onbaatzuchtige daad voort uit identificatie van onszelf met een medeschepsel; dit is medelijden of pure onvoorwaardelijke liefde waarin de fenomenale grens tussen ons en de ander, de sluier van Maya, wordt opgeheven. Dit is de wijsheid die wij kunnen vinden in de oude geschriften van het Hindoeïsme, waar de kerngedachte van deze ethische filosofie treffend onder woorden is gebracht: tat tvam assi — dat zijt gij.

Wij kunnen daarom slechts het grootste medelijden hebben met de mensen die verblind blijven door hun eigen wil en de verlangens die hieruit ontspringen. De hedendaagse mens die tot slaaf is van zijn verlangens ontbeert een moreel imperatief om de eigen verlangens aan de kant te zetten. Het nutsdenken dat onze samenleving sterk kenmerkt, maakt dat hij zelfs bij het doen van een goede daad verwacht dat het iets oplevert. Zo realiseert hij zich niet hoezeer hij met zijn streven zichzelf leed aandoet:

in Flucht geschlagen
wähnt er zu jagen;
hört nicht sein eigen Schmerzgekreisch,
wenn er sich wühlt ins eigne Fleisch,
wähnt Lust sich zu erzeigen!10

Het zal u bij een lezing van Schopenhauer niet ontgaan dat hij veelvuldig citeert uit de werken van dichters als Shakespeare, Byron, Calderón en Goethe en de kunst als kennisvorm niet ridiculiseert of slechts een marginale plaats geeft in zijn filosofie. De ware kunstenaar heeft de capaciteit om de wereld als voorstelling in geconcentreerde vorm aan ons te tonen, vrij van enige motieven die als correlatief van verlangens kunnen dienen.

Zo worden wij bij het vestigen van onze aandacht op een kunstwerk middels deze reine contemplatie heel even boven de willende wereld verheven en zijn wij kortstondig vrij van de worstelingen die ons bestaan kenmerken. De kunst laat ons verder het universele middels metaforen en symbolen zien, het tijdloze en het onveranderlijke in de mens en de menselijkheid. Verder laten werken als de tragedies van Aeschylus of Shakespeare ons tevens zien dat le jeu ne vaut pas la chandelle.; het spel is de kaars niet waard. Dit versterkt de boodschap van Schopenhauers ethiek dat de willende wereld, als een van aard kwaadaardig en met lijden doordrongen sfeer verworpen dient te worden.

Wat afsluitend niet onbenoemd mag blijven is dat dit filosofisch pessimisme, ondanks de troost die het kan bieden, een wereldbeeld is waarbij wij de gruwelijkheid van de wereld ten volle moeten omarmen. Het is derhalve een filosofie die de moed vereist om de waarheid te verlangen boven het gemak van leugens. Daarnaast is ook het verwerpen van de wil een Herculesopgave, want deze dringt zich immers als grond van het leven constant aan ons op, en spiegelt ons voor dat onze verlangens vervulling kunnen vinden, terwijl deze in werkelijkheid ignes fatui, het vuur van een dwaas, zijn waar wij achteraanlopen; en dat zij zich buiten ons bereik bewegen zodra wij hen genaderd zijn, zoals de vruchten en het water die voor de hand en lippen van Tantalus wijken.

Deze eenzame weg is een weg van hopeloosheid, met als enige échte verlossing het ontsnappen aan de wereld zelf middels ascetisme, het der Welt abhanden kommen,11 waarheen niemand de waarheidszoeker kan vergezellen.

Dit maakt Schopenhauer een filosoof wiens zoektocht getuigt van een weergaloze dapperheid. Nietzsche schreef dan ook over Schopenhauer:

Da möchte sich ein trostlos Vereinsamter kein besseres Symbol wählen können, als den Ritter mit Tod und Teufel, wie ihn uns Dürer gezeichnet hat, den geharnischten Ritter mit dem erzenen, harten Blicke, der seinen Schreckensweg, unbeirrt durch seine grausen Gefährten, und doch hoffnungslos, allein mit Ross und Hund zu nehmen weiss. Ein solcher Dürerscher Ritter war unser Schopenhauer: ihm fehlte jede Hoffnung, aber er wollte die Wahrheit. Es giebt nicht Seinesgleichen.12


  1. »Die Welt ist meine Vorstellung:« – dies ist die Wahrheit, welche in Beziehung auf jedes lebende und erkennende Wesen gilt Die Welt als Wille und Vorstellung, I. Band, I. Buch, §1. ↩︎

  2. „Dennoch konnte ich, aller Bemühungen ungeachtet, keinen kürzeren Weg ihn mitzutheilen finden, als dieses ganze Buch.“ ↩︎

  3. Denk hierbij aan de sluier van Maya, die in Hindoeïstische stromingen de ware aard van de wereld met illusie verhult en aan de vlinderdroom van Zhuang Zi. ↩︎

  4. Aan Plato is derhalve de zegswijze “αιώνος εικών κινητή ο χρόνος” (de tijd is een bewegend beeld van de eeuwigheid) ontleend, die zijn oorsprong vindt in de dialoog Timaeus↩︎

  5. Zie: Spinoza, Ethica, pars secunda, Prop. XIII: “Objectum ideæ humanam mentem constituentis est corpus.” (Het object van het idee dat de menselijke geest vormt is het lichaam). ↩︎

  6. Junghuhn (Franz Wilhelm Junghuhn) vertelt, dat hij op Java een vlakte zag die zover het oog reikte met geraamtes bedekt was en hield deze voor een slachtveld: het waren echter slechts de geraamtes van schildpadden, vijf voet lang, drie voet breed en net zo hoog, die vanaf de zee deze weg afleggen om hun eieren te leggen, en dan door wilde honden (canis rutilans) worden aangevallen, die hen met vereende krachten op de rug leggen en het onderste deel van hun harnas, het kleine buikschild, openrijten en hen levend verorberen. Vaak werpt echter een tijger zich weer op de honden. Deze hele ellende herhaalt zich duizend en duizendmaal, jaar in, jaar uit. Hiervoor worden deze schildpadden dus geboren. Voor wiens schuld moeten zij deze kwelling ondergaan? Waarom dit gruwelijke schouwspel? Daarop is het enig mogelijke antwoord: zo objectiveert zich de wil tot leven. — Die Welt als Wille und Vorstellung, II. Band, Ergänzungen zum II. Buch, K. XXVIII. ↩︎

  7. Geef uw hand, gij schoon en teder schepsel!
    Ik ben een vriend, en kom niet om te straffen:
    Heb goede moed! ik ben niet wild,
    Zacht zult gij in mijn armen slapen. — Matthias Claudius, Der Tod und das Mädchen↩︎

  8. Leibniz, Théodicée↩︎

  9. Vanwaar zullen deze allen komen? Waar zijn zij nu? Waar is de vruchtbare schoot van het wereldzwangere niets, die deze komende geslachten nog in zich bergt? Zou daarop niet het glimlachende en ware antwoord zijn: waar anders zouden zij zijn, dan daar waar alleen het werkelijke steeds was en zal zijn, in het heden en zijn inhoud? Derhalve met u, de begoochelde vrager, die in het zich vergissen in de eigen natuur het blad aan de boom gelijkt, die verwelkend in de herfst en op het punt staat van de boom af te vallen, klaagt over zijn ondergang en zich niet wil laten troosten met het vooruitzicht van het frisse groen, dat in de lente de boom bekleden zal, maar weeklaagt: “dat ben ik niet! Dat zijn geheel andere bladeren!” — O, dwaas blad! Werwaarts wilt gij? En vanwaar zouden anderen moeten komen? Waar is het niets, wiens afgrond gij vreest? — Die Welt als Wille und Vorstellung, II. Band, Ergänzungen zum IV. Buch, K. XLI. ↩︎

  10. op de vlucht geslagen
    waant hij zich jagende;
    Hoort niet zijn eigen schreeuw van pijn
    Als hij zich in ’t eigen vlees woelt
    Verbeeldt hij zich dat hij geniet.
    — Richard Wagner, Die Meistersinger von Nürnberg, III. Aufzug, I. Szene. Wahn-Monolog. ↩︎

  11. De wereld kwijtraken, verwijzing naar een gedicht van Friedrich Rückert. ↩︎

  12. Daar kan de troosteloos vereenzaamde geen beter symbool kiezen dan de ridder met de Dood en de Duivel, zoals Dürer hem voor ons heeft getekend, de ridder in zijn harnas, met de bronzen, harde blik, die zijn gruwelweg weet te gaan, niet bevreesd voor zijn vreselijke metgezellen, en zonder hoop, alleen met ros en hond. Een dergelijke dürerse ridder was onze Schopenhauer: hem ontbrak elke hoop, maar hij wilde de waarheid. Hij kent geen gelijke. — Nietzsche, Die Geburt der Tragödie. Noot: Nietzsche verwijst hier naar Dürers houtsnede Ritter, Tod und Teufel. ↩︎

Angelus Silesius citerend, schrijft Schopenhauer: “Ich weiss. dass ohne mich Gott nicht ein Nu kann leben: werd’ ich zunicht, er muss von Not den Geist aufgeben.”

Schopenhauer: “Alle Liebe ist Mitleid” (geciteerd door Gerard Reve).

Schopenhauer dijo que no había que leer ningún libro que no hubiera cumplido cien años, porque si un libro ha durado cien años, algo habrá en él.

Schopenhauer heeft eens gezegd dat je geen enkel boek moest lezen dat niet honderd jaar oud is, want als een boek het honderd jaar volhoudt, zal er wel iets in staan. Jorge Luis Borges

Schopenhauer vertaalde het Oráculo Manual van de 17e eeuwse jezuïet Baltasar Gracián: Handorakel und Kunst der Weltklugheit. Hij was zeer op Spanjes 17e eeuw gericht, met name op het kernbegrip van die tijd: “Desengaño”. Onvertaalbaar in het Nederlands: uit de waan ontwaken dat de wereld voor verbetering vatbaar is. Daarom luidt ook een uitspraak van Schopenhauer: De wereld deugt niet. Dat is geen pessimisme, dat is realisme.

Respons op voorgaande reacties van de heer Lemm:

“Gott ist in mir das Feur und ich in ihm der Schein; Sind wir einander nicht ganz inniglich gemein?” Tevens een citaat van Silesius. Hartelijk dank voor deze mooie aanvullingen, het was Schopenhauer zeer eigen om de kern van een idee samen te vatten in slechts enkele woorden en dit is te waarderen aan zijn stijl.

Inderdaad is de leeftijd van werken wellicht de beste algemene graadmeter van hun grootsheid; het is niet altijd zo dat het nieuwe slecht is, meestal wordt het nieuwe echter oud, en alleen tijdloze werken behouden hun waarde nog generaties lang.

De pessimist leeft niet in de waan dat de wereld goed is, dit is de oorsprong van de door mij beschreven troost: een onfortuinlijke gebeurtenis is zo immers geen verrassing, maar ligt in de lijn der verwachting.

Onder de (ongeletterde) stammen van traditioneel Afrika heerste het fenomeen ‘ubuntu’ waarop veel Afrikaanse morele waarden op zijn gebaseerd. Het begrip ‘ubuntu’ is vrij vertaald ‘ik ben omdat jij bent’ of ‘ik wil omdat jij wilt’. Sterker nog, onder veel Afrikaanse stammen ontbrak het letterlijke woord voor ‘ik’. Had Schopenhauer met minder kennis een minder eenzame voorstelling kunnen hebben?