Geest en lichaam en hun onderlinge afhankelijkheid
9 minuten leestijd

Geest en lichaam en hun onderlinge afhankelijkheid

Pleidooi voor de krijger-wijsgeer

Religie
Geest en lichaam en hun onderlinge afhankelijkheid
9 minuten leestijd

Er was een tijd, lang geleden, dat de meest briljante academici naast het ontplooien van hun geestelijke capaciteiten ook de lichamelijke vermogens ten volle pleegden te ontwikkelen. Ten dele bevindt de oorsprong van dit historische gegeven zich in de noodzaak om, in verband met de onvrede die destijds heerste tussen verschillende volkeren en stadsstaten, de gemeenschap te beschermen tegen gevaar van buitenaf. Zo werd elke gezonde man geacht als soldaat zijn gemeenschap te dienen alvorens hij de voordelen mochten genieten die de titel van burger hem schonk.1 Deze omstandigheid vindt haar weerklank in de levens en woorden van de destijdse filosofen. In dit artikel wil ik derhalve graag twee grote denkers in verband brengen met zowel de noodzaak om de krachten van het lichaam te ontwikkelen, als met de lijfelijke verdediging van de burgerlijke idealen.

Graag neem ik u mee naar de bloeiperiode van het befaamde Athene, die zo rond de zesde eeuw voor Christus begon, en eindigde na de dood van Alexander de Grote. In dit tijdperk, dat bekend staat als de klassieke periode, floreerden filosofie, wiskunde, beeldende kunst, dichtkunst en muziek. Zo stond hier rond 470 voor Christus de wieg van een man die heden ten dage algemeen beschouwd wordt als de vader van de westerse filosofie. In zijn eigen tijd, zo blijft vaak onbenoemd, werd Socrates echter tevens door velen—waaronder de Atheense generaal Alcibiades—gezien als groots soldaat. Sterker nog: hij was een ware oorlogsheld van de Peloponnesische oorlog.

Socrates was vermaard om zijn uithoudingsvermogen en onverschrokkenheid. Zo redde hij tijdens de slag bij Potidaea het leven van Alcibiades,2 waarbij hij zichzelf in het gevaar begaf om zijn jonge strijdmakker te redden. Hij beschermde de gewonde Alcibiades en wist zelfs zijn wapenrusting terug te winnen en op deze wijze zowel de eer als het leven van zijn jonge vriend veilig te stellen.3

In de slag bij Delium dekte hij verder de aftocht van de Atheners met gevaar voor eigen leven, maar weinig rekenschap houdende met zijn eigen veiligheid, omwille van zijn strijdmakkers en zijn krijgseer.4

Ook vertelt Plato bij monde van Alcibiades in zijn Symposium over Socrates de volgende anekdote met betrekking tot zijn weerstand:

In het verdragen van de winterkoude—het zijn daar namelijk strenge winters—heeft hij verbluffende dingen gedaan. Eens bijvoorbeeld vroor het zo hard als het maar kon. Iedereen bleef in zijn tent, of, als iemand er uit ging, dan had hij ontzaglijk veel kleren en schoenen aan en had zijn benen omwikkeld met vilt en gestoken in schapevachten, maar hij ging in dat weer uit met een mantel om, dien hij altijd droeg, en blootsvoets liep hij over het ijs met meer gemak dan de anderen in hun schoenen. De soldaten verdachten hem er van, dat hij hiermee zijn geringschatting voor hen wilde tonen.5

Zo laat het leven van Socrates zowel zijn moed—een deugd die zowel door Plato in zijn Republiek als door Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea wordt geroemd—als zijn lichamelijke kracht duidelijk zien.

In het bekendste werk van Plato, de Republiek, beschrijft hij hoe soldaten onmisbaar zijn in de samenleving, om deze te beschermen tegen naburige staten met expansiedrift. Hij besteedt daarbij een groot deel van dit werk aan de opleiding van de krijgers in kwestie en verbindt dit uiteindelijk aan de deugdzaamheid van de burger. Noemenswaardig is dat Plato’s krijgers geen oorlogsmachines zijn, maar een klasse burgers met een uitgebreide kennis die zich ook buiten de vechtkunst uitstrekt. In boek zeven stelt hij bijvoorbeeld dat het van groot belang is dat de soldaat zowel de aritmetica beheerst als de geometrie.

We moeten niet vergeten dat in de tijd dat deze dialogen geschreven zijn, oorlog een alomtegenwoordige aanwezigheid genoot. Zo kan de bloei van een cultuur slechts gewaarborgd blijven, als er ook sprake is van de bereidheid deze te verdedigen tegen belegering in de breedste zin des woords.6 In zijn laatste werk, de Wetten, adviseert Plato dat oorlogsoefeningen ten minste éénmaal per maand gehouden zouden moeten worden in vredestijd om zo voldoende macht te verwerven dat men geen onrecht wordt aangedaan.7

De Reactionair

Boekenwinkel

Ondek onze grote collectie boeken, zoals De seksuele revolutie, in onze boekenwinkel.

De seksuele revolutie

Heden ten dage pretenderen wij dat oorlog niet meer van deze tijd is en dat alles kan worden uitgepraat. Niet alleen mijden wij de actieve strijd, ook het verdedigen van westerse waarden en instituties in de breedste zin des woords wordt ontweken. Deze frictieloosheid is an sich betwijfelbaar, en hoewel ik van mening ben dat fysieke strijd alleen in geval van uiterste noodzaak dient te worden aangewend, is het spreekwoord per ardua ad astra (door beproevingen naar de sterren) nog immer niets aan geldigheid verloren. Men zou het kunnen zien als een man die, als de mythische Leander, zijn weg ’s nachts baant door de kolkende wateren van de Hellespont. De moderne mens is zijn Hero, Leanders geliefde, vergeten, ziet niet zijn ster aan de horizon; hij ziet derhalve niet in, waarom hij zich verder uit zou putten—en stopt met zwemmen.

Van Plato is bekend dat hij vijf jaar in het Atheense leger diende en mogelijk onderscheiden werd voor zijn moed. Ook draagt de naam Plato wellicht een verwijzing in zich naar zijn forse figuur aldus Diogenes Laërtius, hoewel deze speculeert dat πλατὺς, dat zoveel betekent als breed of wijd, tevens betrekking kan hebben gehad op Plato‘s breedsprakigheid of de breedte van zijn voorhoofd.8 Feit is dat Plato’s oefenmeester, de worstelaar Ariston uit Argos, hem omdoopte van Aristocles tot Plato. Hoewel dit ons niet direct suggereert dat het betrekking heeft gehad op de lichaamsbouw van Plato, zegt dit ons wel dat hij in elk geval opgroeide in een cultuur waarin het verwacht werd van jonge mannen dat zij ook hun lichaam ten volle ontwikkelden.

“En daar het lichaam in slechte staat verkeert, houden geheugenverlies, depressie, onvrede en waanzin de geest met hevigheid in hun greep, en verdrijven zo enige kennis die deze bevatte.”

Xenophons

Wat wij in ogenschouw moeten houden is dat hier tevens de ontwikkeling van lichamelijke krachten vooropgesteld wordt als een correlatief van de gezonde ontwikkeling van de geest. Een dergelijke gedachte vinden wij o.a. in Xenophons Herinneringen aan Socrates terug, waar hij schrijft:

In alles dat de mensen doen is het lichaam nuttig; en in alle toepassingen des lichaams is het van het grootste belang om in zo hoog mogelijke staat van lichamelijke bekwaamheid te verkeren. Zelfs bij het denken, waar toch het gebruik van het lichaam minimaal schijnt, is het een welbekend feit dat grote vergissingen veelal terug te voeren zijn op een slechte gezondheid. En daar het lichaam in slechte staat verkeert, houden geheugenverlies, depressie, onvrede en waanzin de geest met hevigheid in hun greep, en verdrijven zo enige kennis die deze bevatte.

Maar een deugdelijk, een gezond lichaam is een sterke bescherming voor een man, en teneinde is er geen gevaar dat zulks een onheil hem ten dele zal vallen omwille van lichamelijke zwakte: integendeel, het is waarschijnlijk dat zijn gezondheid uitwerkingen zal hebben die het tegenovergestelde zijn van degenen die ontstaan bij een slechte gezondheid.

En wat zal een man van gezond verstand niet doen, om zoveel onheilen te vermijden, en zich zo grote voordelen te verschaffen?

Voorts, is het niet schandelijk, dat men door de gevolgen der werkeloosheid, den ouderdom nadert, zonder te weten, tot hoever men zijne (lichamelijke) kracht en zijne handigheid zou hebben kunnen brengen?

En men kan niet geloven, dat deze hoedanigheden zich geheel van zelfs ontwikkelen.9

Ook hier kunnen wij lering trekken uit de oude wijsheid; want de gezondheid van de moderne mens is ronduit belabberd te noemen. Verslingerd aan overvloed, vreet hij zich vol, draait hij de verwarming open bij de eerste rilling en grijpt direct naar medicatie bij het kleinste ongemak. Laat ons echter fundamenteel onze hedendaagse zwakheden onder handen nemen, onze lichamelijke kracht ten volle ontwikkelen, de zelfbeheersing in alles oefenen en de ledematen met sneeuw en ijs bedekken, opdat wij hen verharden. Want de geest is onlosmakelijk verbonden met het lichaam en om het maximale uit één van beide te halen, zijn wij genoodzaakt ook de ander te onderhouden. Zo zal het oefenen van zowel geest als lichaam de grootst mogelijke bloei van beide waarborgen.


  1. De afhankelijkheid van burgerschap van het dienen van het vaderland vinden wij ook elders in de geschiedenis, zo kon onder de Romeinse keizer Claudius een peregrinus (een provinciale onderdaan) het burgerschap behalen voor hemzelf en zijn gezin nadat hij minimaal 25 jaar had gediend in het Romeinse leger. ↩︎

  2. Slag bij Potidaea, 432 v.C. ↩︎

  3. Plutarchus, Βίοι Παράλληλοι (Parallele levens), Alcibiades:

    ἰσχυρᾶς δὲ γενομένης μάχης ἠρίστευσαν μὲν ἀμφότεροι, τοῦ δ᾽ Ἀλκιβιάδου τραύματι περιπεσόντος ὁ Σωκράτης προέστη καὶ ἤμυνε καὶ μάλιστα δὴ προδήλως ἔσωσεν αὐτὸν μετὰ τῶν ὅπλων.

    Eens vond er een fel gevecht plaats, waarin beiden grote moedigheid toonden, maar toen Alcibiades gewond raakte wierp Socrates zich voor hem om hem te beschermen, en redde hem en zijn wapenen zonder twijfel van de vijand. ↩︎

  4. Slag bij Delium, 424 v.C.

    Strabo vertelt in zijn Γεωγραφικά (Geographika) hoe Socrates Xenophon, die van zijn paard was gevallen tijdens de betreffende aftocht, op zijn schouders nam en hem vele stadiën droeg terug naar het fort van de Atheners. ↩︎

  5. Plato, Symposium, vertaling Dr. B.H. Bal, 1953. ↩︎

  6. Zie betreffende de verdediging van idealen in de cultuur ook het artikel Civitas en civilisatie↩︎

  7. Plato, Νόμοι (Wetten) Boek VIII: Om een gelukkig leven te leiden is het allereerst noodzakelijk anderen geen onrecht aan te doen en zich ook niet te laten meeslepen door het onrecht dat anderen begaan. Van deze twee valt de eerste voorwaarde niet zo moeilijk te verwezenlijken, maar het is veel moeilijker te leren zich niet door onrecht uit het veld te laten slaan. Dit kan men alleen verwezenlijken door zelf geheel en al goed te worden. Met de gemeenschap is het net zo gesteld. Een gemeenschap zal een vreedzaam en tevreden bestaan vinden als zij zelf ook door en door goed is geworden. Maar als zij kwaadaardig is geworden, zal die gemeenschap een bestaan leiden dat zich kenmerkt door twisten en onmin binnen in zichzelf en naar buiten toe. Omdat die onmin er nu eenmaal is, moeten de mensen op oorlog worden voorbereid, en dat gebeurt niet in oorlogstijd maar in vredestijd. Een intelligente gemeenschap zal zich er dus op toeleggen om niet minder dan een volle dag per maand een marsoefening te houden. Die dag wordt door de leiders vastgesteld, en de mars gaat altijd door, onverschillig hoe heet of koud het is. Iedereen, mannen, vrouwen en kinderen, moet meedoen, althans indien de leiders dat nodig achten. Anders moeten mannen, vrouwen en kinderen apart oefenen.

    Ook moeten er tegelijk met de offerplechtigheden allerlei fraaie wedstrijden en spelen worden georganiseerd, feestwedstrijden dus, die tevens de strijd ten tijde van oorlog zoveel mogelijk benaderen, en hiervoor moeten allerlei prijzen en eretekenen worden uitgeloofd. (Vertaling Ars Floreat). ↩︎

  8. Diogenes Laërtius, Βίοι καὶ γνῶμαι τῶν ἐν φιλοσοφίᾳ εὐδοκιμησάντων (Leven en leer van beroemde filosofen), Boek III. ↩︎

  9. Xenophon, Ἀπομνημονεύματα Σωκράτους (Herinneringen aan Socrates), Boek III, hoofdstuk 12. ↩︎

Spanje kende in het verleden, 16e, 17e eeuw, het ideaal van “armas y letras”. Je moest zowel het zwaard als de pen kunnen bedienen. Cervantes, de schrijver van Don Quichot, vocht in de Slag bij Lepanto in 1571 tegen de Turken, waar hij een van zijn handen verloor. Werd op terugtocht naar zijn land gevangen genomen door piraten en vijf jaar gevangen gehouden in Algiers. De schrijver van het dichtwerk La Araucana, de verovering van Chili in de 16e eeuw, Alonso de Ercilla, is een ander voorbeeld van “armas y letras”. Een uniek voorbeeld van “armas y letras” in de vorige eeuw is Lawrence van Arabië, gezien zijn boek The Seven Pillars of Wisdom.

Ook in het verre oosten wordt geschreven over het belang van het beheersen van het pad van de pen en het pad van het zwaard. Miyamoto Musashi oppert in het boek van de vijf ringen dat het juiste pad is met de pen in de ene hand en met het zwaard in de ander.