Gelijkheidsfanatisme en karaktermoord
4 minuten leestijd
Robert Lemm
Robert Lemm

De pen van Lemm

Robert Lemm schrijft om de week een column over culturele en maatschappelijke onderwerpen.

Gelijkheidsfanatisme en karaktermoord

De mens als statistiek

Cultuur
Gelijkheidsfanatisme en karaktermoord
4 minuten leestijd

Zoals spelers op het toneel belangrijker zijn dan het decor, zo was een enkele ziel – onsterfelijk want geschapen naar het beeld van haar Maker - meer waard dan het hele materiële universum (Thomas van Aquino). Sinds de Verlichting werd God gelijk de Natuur (Spinoza). In de moderne tijd zijn we nummers van de Statistiek - die niet uitlegt waarom A niet B is. Met de reactionaire filosoof Nicolás Gómez Dávila uit Colombia zijn we terug bij het begin: een aan de statistiek verslaafde samenleving vindt de unieke eenheid die ieder individu van nature is irritant en bedreigend.

De Spaanse auteur en filosoof Miguel de Unamuno – die zich liever richtte tot de concrete, persoonlijke en afzonderlijke lezer dan tot het abstractie ‘publiek’ (waarbij zij aangetekend dat kopers niet noodzakelijk lezers zijn, en lezers niet noodzakelijk kopers) – zag al in zijn generatie dat er meer aandacht was voor iemands marktwaarde dan voor iemands wezenlijke waarde. Die marktwaarde maakt dat de meesten zich voor hun beroepskeuze laten leiden door de wet van vraag en aanbod. Functioneren vindt men hoofdzaak. De Nederlandse psychiater Henricus Cornelius Rümke (1893-1967) opperde dat moeten functioneren ons bewustzijn van doel en zin kan beschadigen, met inbegrip van onze geestelijke groei. Rümke - die niet behoorde tot een kerkgenootschap - noemde in zijn boek ‘Karakter en aanleg i.v.m. ongeloof’ (1939) godsdienst een onmisbare stap op weg naar volwassenheid. De invloedrijke Freud daarentegen, zag religie als kinderlijk, terwijl de verlichte cynicus zichzelf god in het diepst van zijn gedachten waant.

Ongestilde machtshonger (Nietzsche) en geremde lustbevrediging (Freud) leiden volgens Rümke niet onvermijdelijk tot frustratie. Kuisheid is niet schadelijk voor de gezondheid, freudiaanse therapeuten ten spijt. Verdringing is even onwenselijk, als schaamteloosheid. Het soort mens dat Rümke na de oorlog van 1940-45 ziet dagen, typeert hij als schrikachtig, argwanend, kinderlijk, zielloos. De periode van grote individuen, van persoonlijkheden is voorbij. De functioneringsdwang is wars van karakter. Zich aanpassen is opportuun, alles moet in teamverband, het collectief regeert. Het gaat niet om wie we werkelijk zijn, maar om wat anderen van ons vinden.

Democratie is het systeem dat naadloos aansluit bij de kameleontische gelijkheidsadept. Niemand mag beter of wijzer zijn dan zijn medemens, opperde de mediëvist en literatuurhistoricus C.S. Lewis in ‘Screwtape Proposes A Toast’(1962): Nivelleer ze allemaal, maak ze tot slaven, cijfers, onbenullen. Het democratische opinieklimaat genereert een massa van laaggeletterden, van ongedisciplineerde, eigenwijze, verwende en morele slapjanussen. Wat we nu woke zouden noemen. Lewis weerlegt het waanidee dat het lot van volken belangrijker is dan dat van individuele zielen. Want, herhaalt hij: alleen individuen kunnen gered, of verdoemd worden.

De reactionair Gómez Dávila bevestigt voor onze generaties dat individuele doelgerichtheid het onbestemde collectief doorsnijdt. De moderne literatuur daarentegen, wemelt van willoze protagonisten die niet losraken van de sociale omgeving waar ze uit voortkomen.

Nog even terug naar Rümke. In 1964 publiceerde hij een apologetisch essay over Frederik van Eedens roman ‘Van de koele meren des doods’. Dat boek was aangevallen door literatoren omdat het niet onder de rubriek ‘kunst’ zou vallen, maar onder die van ‘case history’. Van Eeden was naast schrijver, psychiater, net als Rümke ook dichter was. Het verhaal gaat over een vrouw uit de burgerklasse die wegloopt van haar man, overspel pleegt, buitengaats avonturiert, verslaafd raakt aan drugs en met zelfmoordgedachten eindigt. In het ziekenhuis komt ze tot inkeer dankzij een zuster die haar verpleegt. Terug in Nederland, besluit ze boete te doen voor haar liederlijk leven. Ze meldt zich aan als dienstmeid op een boerderij, en na jaren van nederige arbeid bereikt ze haar verlossing. Een dergelijke levensgang was volgens progressieve kenners voer voor psychologen. Ook de veelzijdige auteur Van Eeden moest er bij zijn progressieve biograaf Jan Fontijn aan geloven. In diens uit 1991 geprezen, gesubsidieerde en vuistdikke boekwerk wordt de kunstenaar op de couch gelegd, psychologisch ontleed en als gespleten voorgesteld. Want de grote en internationaal gewaardeerde en ethisch hoogstaande schrijver die hij in het kleine Nederland was, ging volgens zijn kritische biograaf ten onder aan zijn overgevoelige geweten, dat hem geen rust gunde na de scheiding van zijn eerste vrouw. Voor de Fontijn en zijn publiek was zoiets als ‘schuld en boete’ niet meer van onze tijd. En zo eindigde, met alle respect, de opgehemelde biografie in postume karaktermoord.