Gevallen in de Materialschlacht
4 minuten leestijd
Luca de Clippelaar
Luca de Clippelaar

Clippelaars Credo's

Luca de Clippelaar, dichter van de manosfeer, schrijft om de week een column over cultuur en politiek.

Gevallen in de Materialschlacht

Een reportage uit West-Vlaanderen

Geschiedenis
Gevallen in de Materialschlacht
4 minuten leestijd

Wanneer de oorsprong van een traditie in het vage raakt, is de traditie pas echt een traditie. Dit heb ik zelf ervaren met een persoonlijke traditie: ieder jaar ga ik op kerstavond naar de Belgische provincie West-Vlaanderen, ook wel de Westhoek genoemd, om daar monumenten en graven van de Eerste Wereldoorlog te bezoeken. Hoe deze jaarlijkse excursie tot stand kwam, weet ik niet meer, maar kerstavond is voor mij nu onlosmakelijk verbonden met Vlaanderen, loopgraven, heuvelige akkervelden, kale bomen en witte grafstenen.

Dit jaar bezocht ik het Polygoonbos in de buurt van Zonnebeke, waar twee Britse militaire begraafplaatsen liggen. De ene ligt in het bos en telt ongeveer tweeduizend grafstenen, waarvan de meeste het opschrift dragen: “A soldier of the Great War, known unto God”. De tweede, kleinere begraafplaats ligt net buiten het bos, aan de andere kant van de weg. Ik heb het aantal stenen niet geteld, maar het kunnen er niet meer dan 50 zijn geweest. Wat opvalt is dat de graven hier niet mooi in symmetrische rijen liggen, maar in groepjes van drie of vier, in lijnen die elkaar kruisen. Dit komt doordat de gesneuvelde soldaten in alle haast begraven zijn en er geen tijd was om ze mooi te rangschikken, zoals later wel is gedaan. Ook hier zag ik maar weinig namen staan, alleen divisies en sterfdata: december 1917 en september 1918. Verdomme man… nog een paar maanden langer en je had het gehaald…

Eén graf staat alleen. Het is van een ander soort steen gemaakt en draagt een opschrift in een vreemd lettertype:

Hans Bogner, Bayer. 27. Inf. Reg. Gefallen am 28.9.1918

Een Duitser! Een Duitse soldaat die is gesneuveld op 28 september 1918 en ligt begraven tussen zijn tegenstanders. Een soldaat die ooit luisterde naar de naam “Hans Bogner”, geboren op 20 februari 1899 in het plaatsje Mantel (Beieren). Infanterist Hans Bogner, de dappere jongeman van 19 jaar oud, die als enige achterbleef in het Polygoonbos om zijn terugtrekkende kameraden de rug toe te dekken, om de oprukkende geallieerden tegen te houden - een jongen, die als miljoenen anderen is gevallen in de Materialschlacht. Aan hem en zijn heroïsche daad, draag ik deze reportage op.

Het is de verspilling die me zo tegen de borst stuit als ik denk aan de Eerste Wereldoorlog; de verspilling van macht en energie, de verspilling van munitie en manschappen - de verspilling van het continent Europa. Wat hadden we wel niet kunnen bereiken met al die voorraden, met al die mankracht? En is de berokkende schade aan de Europese genenpoel ooit volledig in kaart gebracht? Is ons beste bloed niet vergoten in de velden van Vlaanderen? Als men spreekt over oorlog is het haast onvermijdelijk dat iemand met een moralistisch verhaaltje komt aanzetten, met een waarschuwing die alle open deuren intrapt en eindigt in een pathetisch “dit mag nooit meer gebeuren”. In het geval van het hedendaagse Europa valt er echter niet eens meer te spreken over een mogen, maar eerder over een kunnen, of beter gezegd: een niet kunnen. Europa kan nooit meer oorlog voeren. Ze heeft er de overvloed niet meer voor. Het zou de stuiptrekkingen van dit broze continent doen veranderen in een rigor mortis van ongekend formaat. Vanuit dit perspectief gezien is de Eerste Wereldoorlog dan ook het symbool par excellence van Europese decadentie, overvloed, weelde en hegemonie over de gehele wereld.

“Zo’n dag banjeren door het platteland gaat je niet in de koude kleren zitten.”

Na meer dan honderd jaar heeft het landschap van de Westhoek zich weer hersteld: loopgraven zijn terug akkerland geworden, in de bomkraters zwemmen nu eenden zoals in iedere andere vijver, braamstruiken groeien door de betonrot van bunkers heen en de eindeloze grasvelden liggen onbekommerd in de zon te blaken, ofschoon er miljoenen liters bloed in vergoten zijn.

Zo’n dag banjeren door het platteland gaat je niet in de koude kleren zitten. Als de avond valt, strijk ik daarom neer in Ieper om mij te laven aan stoofvlees en Belgisch bier. Schransend aan de toog, ben ik blij dat het warm is, dat ik leef en gezond ben. In de Sint-Maartenskerk steek ik een kaarsje aan en denk aan de soldaten die liggen in de koude grond van het Polygoonbos.

Proost mannen! Jullie worden niet vergeten.