Hamann, de wijze uit het noorden
| 10 minuten leestijd
Caspar David Friedrich, Klosterruine Eldena bei Greifswald (ca. 1825)
Caspar David Friedrich, Klosterruine Eldena bei Greifswald (ca. 1825)

Hamann, de wijze uit het noorden

Een korte introductie op de vijand van de verlichting

Wat maakt een denker reactionair? Wat definieert een reactionair? Een aantal namen zullen u vast meteen te binnen schieten. De Maistre, Chateaubriand, vurige verdedigers van het ancien régime, in mindere mate ook Burke of De Tocqueville, die gematigder waren in hun verlangen de situatie van weleer te herstellen. Marxisten zullen August Bebel of Trotsky als reactionairen bestempelen. Maar wat was Johann Georg Hamann, die aan de vooravond van de Franse Revolutie stierf?

Johann Georg Hamann werd in 1730 geboren te Koningsbergen, 6 jaar na Kant, met wie hij een complexe verhouding zou hebben, in een strenggelovige Lutherse familie. Net als de meeste van zijn mannelijke familieleden, piëtistisch lutherse predikanten, was hij voorbestemd om theologie te gaan studeren alvorens tot priester gewijd te worden. Hoewel het piëtisme in de herfst van haar bestaan was, was Oost-Pruisen een vrome, afgelegen provincie van een militaristische staat die met harde hand geregeerd werd door de soldatenkoning Willem Frederik van Pruisen. De jonge Hamann kwam in contact met de werken van Hume, en verdiepte zich in taalwetenschappen, wat later een grote rol in zijn denken zou spelen. Overigens verliet hij de universiteit zonder diploma’s.

Hamann, die gedurende zijn jeugd nogal werelds was aangelegd (natuurwetenschappen intresseerden hem meer dan theologie), beleefde in 1758 een moment wat zijn leven beslissend zou veranderen. Geplaagd door financiële problemen en perikelen met collega’s zocht hij zijn toevlucht in de Bijbel.

Een Vriend, die mij de sleutel tot mijn hart verschaft, die het richtsnoer in mijn labyrint is, was al lang een wens van mij zonder dat ik het me besefte. Looft den Heer! Ik vond deze Vriend in mijn hart, die stilletjes bij mij insloop toen ik de koude en de leegte het meeste voelde. Ik had het Oude Testament eenmaal ten einde toe gelezen en het Nieuwe tweemaal, als ik me niet vergis. Hoe verder ik las, hoe nieuwer het voor mij werd en hoe meer ik overvallen was door de goddelijke werking ervan.

Een uitzonderlijke man in een uitzonderlijke tijd

De 18e eeuw is op veel vlakken een keerpunt in de geschiedenis. Onder de invloed van de verlichting waren voor het eerst niet kerk en adel die het meeste aanzien genoten, maar wetenschappers en kooplieden. De legitimiteit van het goddelijke recht van koningen om te regeren over hun onderdanen werd steeds meer ter discussie gesteld, dogma’s van de kerk werden—niet geheel zonder risico—betwist. Nieuw verworven wetenschappelijke inzichten moesten de honger naar kennis voeden die het christendom niet kon beantwoorden en succesvolle kooplieden werden rijker en machtiger dan de adel. De oude orde kwam steeds verder onder druk te staan. Eén man die tegen de stroom inroeide was Hamann. Van rationalisme moest hij niks hebben. Hoewel hij een empirist was, wat hij zijn hele leven zou blijven, was het rationalisme niets meer dan een nevelsluier, iets wat alles categoriseert in goed dan wel kwaad, wat geen veelvormigheid toestaat, en bovenal, waar een verlichtingsfilosoof zoals d’Holbach zich mee bedient, alles onttovert en plat slaat tot materie. Hamann gaat verder; ook de in de voorgaande eeuw verzonnen scheiding tussen lichaam en geest is de zwaarste rationalistische ketterij! God die zijn Zoon vlees liet worden op aarde om de mensheid redding te verschaffen is het ultieme bewijs dat Descartes fout zat. Jezus Christus ging door de diepte zodat wij in de hoogte kunnen. Dat feit moet de onafscheidelijkheid tussen lichaam en geest wel aantonen. In een briefwisseling met F.W. Jacobi, een goede vriend van Hamann, spreekt hij ook zijn bewondering uit voor het monisme van Spinoza.1 Kant had overigens om die eerder genoemde reden een hekel aan Spinoza. Een God die allesomvattend is en niet te plaatsen in een categorisch systeem, wat heb je daar nu aan? Dit antagonisme tussen beide heren is iets wat we op ieder gebied zullen terugzien.

Niet-weten, een alternatieve epistemologie

1759, het jaar waarin de Encyclopédie van Denis Diderot op de index van verboden boeken werd gezet van de katholieke kerk, was ook het jaar waarin Hamann zijn eerste werk van betekenis schreef, een essay getiteld Sokratische Denkwürdigkeiten. Anders dan bij de encyclopedisten, kiest Hamann een geheel andere aanpak om kennis te vergaren. Hij stelt dat het niet-weten, het erkennen van de eigen onwetendheid de sleutel is voor de vergroting van kennis. Socrates was volgens hem de heiden die het meeste vooruitliep op het christendom zoals Paulus dat predikte in de 1e brief aan de Korinthiërs.2 Eerdere theologen gingen uit van een ander epistemologisch raamwerk: Alle kennis die nodig is om genade van Jezus Christus te ontvangen, is ons al geopenbaard in de Schriften, en alle overige zaken die daar niet in worden genoemd, zijn per definitie niet relevant voor het volbrengen van die ene taak. Voor Hamann zijn deze allesweters net als de sophisten bij Sokrates. Het Orakel van Delphi is geen bijgeloof, evenmin zijn wonderen, verschijningen, dromen en bovennatuurlijke ervaringen zinloze ontspruitingen van de geest. Werden de drie Koningen immers niet door kometen, gezonden door God, naar de kribbe van het Christuskind geleid?3 Volgens Hamann is het veel naïever om in kritiekloos rationalisme te geloven, dan in wonderen.

Rede, de molensteen van vrijheid

Op het eerste gezicht komt Hamanns verlichtingskritiek overeen met die van Rousseau. De mens is een vrij wezen die desondanks altijd in een staat van onvrijheid leeft, de mens wordt door sociaal-economische en politieke factoren échte vrijheid, namelijk in overeenstemming leven met de natuur, ontzegd. Maar daarbij houden de overeenkomsten ook op. Rousseau gebruikt zijn natuurstaat als rechtvaardiging voor deze manier van bestaan, Hamann voert de scheppingsorde aan als argument. “Vijgenbladeren hebben we niet nodig, al het goede valt al vanzelf van de boom” De Schotse dichter William Blake, die enkele generaties na Hamann leefde, is een veel betere evenknie wanneer het kritiek op de rede betreft. Onze ideeën zijn niet wezenlijk anders dan de woorden die wij gebruiken om ze te uiten. Dichtkunst is een vorm van taal die rechtstreeks uit het hart komt, daarom zijn gedichten ook een onbedorven vorm van communicatie. Hoe meer wij ons taalgebruik rationaliseren, hoe meer nuances er verloren gaan die het bewijs zijn van onze eigen uniciteit, aldus Hamann. Men kan Schiller naar het engels vertalen, en Milton naar het Duits, maar nooit zal het dezelfde lading hebben zoals bedoeld door de auteur. Stel dat er een perfecte vertaalmachine zou bestaan, dan is datgene wat het vertaalt niets meer dan droge analytische stof wat toch al niet de moeite van het bewaren waard is. Ons echte vernuft komt door onze spraak. En waar kwam die spraak vandaan? Was het een noodzakelijkheid die voortkwam uit steeds complexer wordende samenlevingen? Of was het een gift van God aan de mens? Zoals u waarschijnlijk wel zou verwachten, stelde Hamann dat laatste. Kant dacht in noumenale werelden, een onzichtbare wereld waarvan wij niets kunnen weten. Hamann verbeterde Kant op briljante wijze: van het Ding-an-sich kunnen we wél wat weten door te volharden in geloof. Wat we dan ontvangen is het woord Gods, de logos en daarmee is ook gelijk de oorsprong van de taal verklaard.4

De radicale estheet

Zo radicaal Hamann was in zijn opvattingen over de verlichting, het rationalisme en de apologetiek, zo radicaal was ook zijn esthetische filosofie. Hamann was bezorgd over het verkiezen van functionaliteit boven vorm, het wegnemen van zaken die ogenschijnlijk geen praktisch nut hebben (het rationaliseren van de omgeving). Een rivier die door het landschap meandert is hinderlijk voor schippers maar zal het riviertje nog hetzelfde karakter hebben als hij rechtgetrokken werd? Henry David Thoreau en Samuel Taylor Coleridge zullen hier een halve eeuw later roerend mee instemmen. Een pruisische theoloog wilde in de jaren 70 van de 18e eeuw een spellingshervorming doorvoeren waarbij de letter ‘h’ wegviel in alle woorden waar hij niet uitgesproken werd. Hamann, die furieus was toen hij dit hoorde, schreef een hartstochtelijk pamflet over het belang van het behoud van de letter ‘h’.5 Frederik de Grote moet het als nietsontziende modernist en hervormer ook ontgelden. Daarin ziet hij de nutsdenker die geen enkel ontzag heeft voor traditie en niets anders doet dan het omver trappen van heilige huisjes, alles in het belang van het welzijn van het volk en de vooruitgang. Over de sociale misstanden en ongelijkheid in zijn eigen tijd rept Hamann geen woord.

Aanval op het liberalisme

Moses Mendelssohn schreef in 1783 het boek Jerusalem, oder über religiöse Macht und Judentum, waarin hij in navolging van Locke een neutrale, seculiere staat bepleit die zich niet met geloofszaken mengt en vooral tolerantie tussen verschillende religieuze groepen moet bewerkstelligen. De staat behoudt het geweldsmonopolie, religie moet vooral het cement zijn van de samenleving, zich bezighouden met verbroedering en liefdadigheid. Hamann vond zich genoodzaakt om een polemiek te beginnen tegen deze in zijn ogen grove dwalingen, en schreef als reactie hierop Golgotha und Scheblimini, waarin hij de oprechtheid van Mendelssohns motieven ter sprake stelt (geloofde hij werkelijk in een seculiere overheid, of wilde hij een sterkere positie voor de joodse minderheid?), en bekritiseert de absurdheid van een neutrale,6 seculiere staat die desondanks niet tiranniek is tegenover welke religieuze groep dan ook. Natuurrecht en het sociaal contract; dat zouden de principes zijn waarop een staat gegrondvest moet worden, die bovendien rationeel van aard zijn. De staat moet daarom haar wetten handhaven, antisociale elementen bestrijden, en zo nodig bedreigingen onderdrukken, zonder dat er willekeurig censuur en onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting is, aldus Mendelssohn. Hamann bekritiseerde dat Mendelssohn nergens specificeert om wat voor “natuurrecht” dit gaat en hoe dat pretendeert universeel te zijn. Het is een kaartenhuis dat in elkaar stort, omdat het geen echte morele fundering heeft7 en is niets meer dan een theoretische werkelijkheid. Dat Mendelssohn stelt dat het de staat is, die de plaats heeft bepaald waarin de kerk zich mag doen gelden, ziet Hamann als een ernstige inversie van autoriteit. God laat zich immers niet door de mensen ketenen in een cel.

Verdwaald anachronisme of visionair?

Was Hamann een postmodernist avant la lettre die elke vorm van rationaliteit verwierp? Nee, zeker niet. Moderne biografen hebben getracht om Hamann als een proto-romantische denker te typeren. De sturm und drang-periode is in veel opzichten zeker een wegbereider geweest voor de romantiek, maar waarbij de romantici het individu centraal stellen, staat bij Hamann God centraal. Zijn tijdgenoten zochten naar manieren om bijgeloof te onderdrukken en emoties te reguleren. Hij wist echter dat het nodig was dat de mensheid het zout der aarde bleef. Niet de hautaine filosoof die op hoog niveau met mede-intellectuelen discussieert maar de excentriekeling die zich niet te min voelt om de beginselen van de natuurkunde aan kinderen uit te leggen is wat getuigt van echte wijsheid.8 Door zijn vermogen om over de heersende stroom van ideeën heen te kijken, heeft hij vruchtbare grond gecreëerd voor de groten na hem. Met name Goethe en Schelling hebben veel uit Hamanns nalatenschap geput. Hamann was een radicale, compromisloze denker, zijn uitspraken zijn scherp als die van een speer en menig man, waaronder Kant versleet hem voor gek, niet in contact met de realiteit. Dit is echter precies hoe Hamann wilde dat men over hem dacht. Een profeet die de haat van de menigte tegen zich aanwakkert door de rauwheid en eerlijkheid van zijn boodschap.9

Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.10


  1. Hamann heeft het hier over het Boek der Natuur, een vorm van exegese die naast de Logos, ook de schepping zelf een bron van godskennis is. ↩︎

  2. 1 Korinthiërs 8:2. ↩︎

  3. Sokratischer Denkwürdigkeiten, erster abschnitt. ↩︎

  4. De manier waarop God met Adam communiceerde, wordt ook wel beschreven als een vormloze stem. ↩︎

  5. Uit Isaiah Berlins lecture over Hamann ‘the enemies of the enlightenment’. ↩︎

  6. Zie ook het artikel dat eerder op deze website over de mythe van de neutraliteit. ↩︎

  7. Carl Schmitt, Carl Schmitt und die Hamann-Mendelssohn-Kontroverse. Ein sprachpolitischer Austausch in Hobbes, p.168 ↩︎

  8. Kant, die ondanks de overduidelijke verschillen van inzicht toch een bepaalde mate van sympathie voor Hamann had, stelde voor om een natuurkundeboek te schrijven voor jong publiek. Hamann was zeer geërgerd toen Kant naar eigen zeggen geen tijd meer had voor het project. ↩︎

  9. Ook hier bedient Hamann zich weer met een Bijbels metafoor: de Schriften die als een aardewerken kruik van buiten hard en droog lijkt, is van binnen vol leven. ↩︎

  10. Psalmen 139:12 ↩︎

Aangehaald in dit artikel:

Immanuel Kant Jean-Jacques Rousseau Johann Georg Hamann Moses Mendelssohn

Heerlijk die Hamann