Herinneringen aan de hooitijd
| 18 minuten leestijd
Herinneringen aan de hooitijd
Dit is een bloemlezing van het boek ‘Herinneringen aan de hooitijd’, het boek kan hier gekocht worden.

Herinneringen aan de hooitijd

Nationalistische erotica

Het is niet eenvoudig om kort uit te leggen hoe dit boek tot stand is gekomen. Het is iets dat ik wilde doen, en iets dat ik vond dat ik moest doen. Een boek dat nog niet geschreven is, uniek in zijn soort. Een boek dat twee ogenschijnlijke tegendelen, namelijk erotica en nationalisme, met elkaar verenigt.

Dit boek is geschreven als een ode aan de Nederlandse natie in de breedste zin van het woord. Een ode aan de schoonheid van ons landschap, aan onze fysieke schoonheid, aan de geschiedenis en cultuur. Het is een oprechte poging om pornografica en de liefde voor het eigene met elkaar te laten versmelten. Esoterie, traditionalisme, vaderlandsliefde en erotiek moeten tot een symbiose komen.

Het is me opgevallen dat er in fictie, zowel in erotisch als literair proza nauwelijks werken te vinden zijn die een dissident standpunt vertegenwoordigen. Traditionalistische, nationalistische en conservatieve schrijvers zijn op een hand te tellen. En zeker binnen de Nederlandse literatuur vormen ze een uitzondering.

Daar moet verandering in komen. We moeten iets van onszelf hebben, iets dat straalt met zijn eigen licht. Ik zou wel zo ambitieus willen zijn om te zeggen dat we een eigen mythologie moeten scheppen. Een genre dat niet alleen Europees is maar specifiek Nederlands is. Iets dat, zogezegd, geworteld is in onze eigen grond. Dit werk moet dan ook niet gezien worden als op zichzelf staand maar als een bescheiden startschot van een nieuwe stroming. Een stroming die zich uitdrukkelijk richt op verhalend proza met een ideologische grondslag, namelijk die van het nationalisme.

De metapolitieke of culturele strijd is minstens net zo belangrijk als de politieke, misschien nog wel belangrijker, en het is juist die strijd die we al decennialang aan het verliezen zijn. Want hoewel onze beweging vrij goed is in het produceren van essays en analyses, schort het ons aan iets essentieels, namelijk verbeelding. En laat het nou precies het veld zijn waar onze vijand buitengewoon vaardig in is. Naast een analyse van de problemen hebben we ook propaganda voor onszelf nodig. En beter nog, we hebben een genre nodig dat tot de verbeelding spreekt.

Een bijkomend voordeel in een tijd van steeds verdergaande censuur is ook dat verhalend proza veel moeilijker te censureren is. Dit in tegenstelling tot opiniërend werk. Dingen die niet expliciet gezegd kunnen worden, kunnen in fictie impliciet worden uitgedragen.

Toen ik begon met dit boek wist ik dus nog niet waar het heen zou leiden. Wat begon als een vingeroefening in de erotica vanuit een pro-Europees perspectief riep uiteindelijk meer fundamentele vragen op over onze cultuur en religie. Wat is bijvoorbeeld de functie van het Christendom? Hoewel ik geen sluitend antwoord heb gevonden ben ik wel tot nieuwe inzichten gekomen.

Het verhaal is doordesemd van symboliek, zowel Bijbelse als voorchristelijke symbolen. Het vloeit in elkaar over, het vormt een continuüm. Het roept de vraag op wat het Christendom eigenlijk is? Waar komt het uit voort?

Loopt er een lijn van de voorchristelijke vruchtbaarheidsculten rechtstreeks naar de Kerk? Is er een spirituele navelstreng die de oudheid direct verbindt met het Katholicisme. Is het Christendom in de kern een vegetatiecultus? Een vruchtbaarheidsreligie?

Tot zover mijn mission statement. Ik zal nu een korte schets van het verhaal geven, hoofdstuk voor hoofdstuk, geïllustreerd met fragmenten. Qua structuur lijkt het verhaal nog het meest op een raamvertelling of een kadervertelling. Centraal staat een katholiek Nederlands dorp aan het begin van de negentiende eeuw tijdens een verzengend hete zomer.

Deze novelle speelt zich af in een wereld waar men leefde op het ritme van de seizoenen, op de hartslag van de natuur. Waar traditie en geloof het leven bepalen. Waar man en vrouw hun plaats kennen. Waar voortplanting vanzelfsprekend is en het leven voortstuwt. Waar het onder het dunne laagje Christelijk vernis het leven zindert van zinnelijkheid.

In een klein Nederlands dorp worden de bewoners, tijdens een uitzonderlijk hete zomer, geplaagd door verontrustende en opwindende dromen waar een slang een rol in speelt. Het grijpt als een koorts om zich heen en zowel de jeugd als de ouderen vallen ten prooi aan zondige verlangens. Langzamerhand begint het leven te ontsporen en bezwijken de meest godsvruchtige mensen aan hun laagste lusten.

Het verhaal wordt verteld vanuit een aantal verschillende personages die samen een gemeenschap vormen. Paul, de plaatselijk pastoor, speelt een hoofdrol. Als herder van de gemeenschap voelt hij zich verantwoordelijk en besluit tot een zedenoffensief. Maar ook hij wordt geplaagd door koortsdromen en levendige visioenen.

Om een idee te geven van hoe het boek eruit ziet zal ik door het verhaal lopen en het illustreren met fragmenten uit het boek.

De droom

Paul, de jonge dorpspastoor, wordt geplaagd door verontrustende dromen waar de slang een hoofdrol in speelt. Hij ziet zijn hele wereld voor zijn ogen afbrokkelen. Zijn moraal, zijn geloof vloeien uit hem weg. Hevig verontrust wordt hij wakker.

Het begon allemaal met een droom. Hij stond op de kansel, de plek waar hij altijd stond. Het was zijn kerk, zijn gemeente, maar toch kwam alles hem vreemd voor. Er klopt hier iets niet, wist hij. Er dreigt onheil.

Voor hem lag de Bijbel, zwaar, gesloten gelijk een doodskist. Met bevende handen sloeg hij het boek open. Witte, lege bladzijden. Zijn vingers sloegen koortsachtig bladzijden om, maar er was niets, geen letter.

Het schaamrood steeg hem naar de kaken. Hij voelde de afwachtende stilte van de gemeente, drukkend op zijn borst. Het was een stilte die groeide als een onweerswolk, het benauwde hem, het voelde alsof hij langzaam aan het stikken was.

Op het altaar lag een meisje, volledig ontkleed, hijgend als een hert. Hij kon haar lichaam haarscherp zien. Ze was adembenemend mooi, haar huid zo wit als melk en haar zo blond als honing. Haar borsten deinden op haar rusteloze ademstocht. De zacht roze tepels, als half-ontloken rozenknoppen groeiden uit het blanke vlees.

Hij zag haar van dichtbij. Hij zag haar in haar intiemste detail. Het was alsof hij deel van haar was, alsof ze in elkaar vervloeiden. Wat zij voelde, voelde hij ook. En hij werd ineens bevangen door een alles verzengende lust.

Haar borsten rezen op als bergen, haar lichaam leefde, veranderde van vorm, alsof de grenzen ervan nog niet bepaald waren. Ademend, levend vlees dat zich vormde naar zijn verlangen. Naar zijn zondige gedachtes. Het leek alsof hij haar met zijn gedachten boetseerde.

Terwijl ze ontucht met zichzelf bedreef bleef ze hem aankijken met koortsige ogen. Ze opende haar mond en hij zag haar gespleten tong. Een slangentong, zei een stem in hem. Het kronkelde alsof het een eigen leven leidde. Het groeide, het spartelde als een paling ontdaan van de kop. Bevroren van angst keek hij toe. Die betoverende schoonheid in contrast met het meest afschuwelijke denkbaar.

Badend in het zweet zat hij rechtop in bed, zijn nachthemd plakte aan zijn lijf, zijn hart bonsde in zijn keel. Het slaapvertrek was warm en benauwd. Hij keek versuft om zich heen. Het heldere schijnsel van de maan doopte de kamer in vloeibaar zilver. Even leek alles zo onwerkelijk als in zijn droom.

Zomerkoorts

De pastoor is bij het ontbijt de droom nog niet vergeten. Zijn dienstmeid Saartje vertelt hem over de zomerkoorts. Een volksverhaal dat rondgaat onder de oudere vrouwen.

Hij keek op en zag Saartje met de koffiekan, gekleed in een gitzwarte jurk, met hagelwitte kap over het hoofd. Hij keek haar aan als was ze een vreemde in zijn huis. Wat was ze mooi zo, vol en blozend.

Ze was proper. Zowel in het huishouden als van geest. Het was een rein meisje. Altijd uitmuntend gekleed, zedig, maar stijlvol.

Maar onder die kuise kleding bloeide ze. Daar groeide haar vleesvruchten. De gladde jonge borsten, haar ronde billen, de vlezige vagijn. Ze was als een roos die bijna uit de knop barst.

“Ze dromen van de min meneer. Het is een zoet vergif, zegt ze. Het is een list de slang”.

Paul keek haar even verbijsterd aan. Hij openende zijn mond, maar sloot hem weer. De smeulende droombeelden gloeide weer op in zijn gedachten. Even werd hij bevangen door angst. Het was alsof de ijskoude paniek uit zijn droom de wakende wereld insijpelde.

De slang

De jonge Eva droomt een vreemde maar opwindende droom waar de slang haar wereld binnendringt. De droom lijkt haar te bezwangeren met zondige ideeën. Samen met Koen, de plaaggeest uit haar jeugd, begint ze een verboden avontuur dat hun levens voor altijd zal doen versmelten.

Ze liep door een prachtige, weelderige tuin. Vol palmbomen, exotische bloemen, vlinders en pauwen, als de paradijstuin van een Bijbelprent. Het hemelgewelf was van goud, het licht was bijna oogverblindend, toch deerde dat haar niet. Verrukt keek ze om zich heen. Ik ben in het Hof van Eden, besefte ze.

Ze liep rond, gewichtloos, half lopend half zwevend. Ze zwom door de lucht. Toch voelde ze zich ineens niet meer op haar gemak. Er is hier iets niet pluis, wist ze. Er klopt hier iets niet. Er was iets binnengedrongen, iets dat kwaad in de zin had.

Toen zag ze het, het beest. Het gleed traag door het gras, het kwam naar haar toe. Ze opende haar mond om te schreeuwen, maar er kwam slechts een raspend geluid uit.

Ze wilde zich uit de voeten maken, maar ze kon zich niet verroeren. Toen ze haar blik op haar voeten richtte, zag ze een wirwar van wortels, als de voet van een oude boom. Ze was vergroeid met de aarde, ze voelde nu ook haar wortels in de koele, donkere diepte doordringen.

Als een boom stond ze verankerd in de bodem terwijl de slang naderbij kwam. Toen hij haar genaderd was zag ze dat het geen slang was maar een grote paling. Donkergrijs, bijna zwart als de modderige rivierbodem waarop hij leefde.

De reusachtige aal kronkelde zich om haar blote been omhoog. De gladde vissenhuid gleed over de hare; ze gilde, maar in plaats van geluid kwam er een wolk bellen uit haar mond. Steeds verder kroop het akelige beest omhoog, het was al onder de zoom van haar jurk verdwenen. Ze probeerde zich uit de grond los te rukken maar haar lichaam leek volledig verlamd.

De kop van de slangachtige vis drong als een harpoen bij haar binnen, ze schreeuwde geluidloos naar de hemel. Steeds dieper gleed hij in haar, alsof het in zijn geheel in haar warme diepte wilde verdwijnen. Weer gilde ze en weer braakte ze bellen uit.

Toen was er ineens een heerlijk gevoel dat als een knetterend onweer door haar lichaam trok. Het begon in buik en trok vanaf haar stuitje langs haar ruggengraat op. Het was alsof ze door de ruimte zwom, gewichtloos in warm water.

Toen schrok ze wakker. Versuft keek ze om zich heen. Van de droom kon ze zich slechts nog flarden herinneren, resten die langzaam vervaagden als smeltende sneeuw.

Maar dat vreemde gevoel, dat was nog niet verdwenen. Het smeulde nog in haar buik als een half uitgebrand kookvuur. Alsof alleen haar lichaam zich de droom nog herinneren kon.

Het was alsof Koen door sluiers van de tijd kon kijken. Hij zag Eva, haar buik bol en hard van zwangerschap. Ze zouden moeten trouwen, dat was de wet. Hij zag hun toekomst ontvouwen als een droom.

Herinneringen aan de hooitijd

Tijdens de hooitijd blijven drie jongens nog wat hangen op het veld. Ferdinand, een jonge herenboer, lokt ze mee naar een hooischuur waar hij met zijn bloedmooie, maar koppige verloofde zal laten zien wie er de baas is. Daar in die hooischuur zijn ze getuige van een wonderlijk en opwindend schouwspel.

De hooitijd was een periode van ongekende samenhorigheid. Het hele dorp werkte samen als een bijenvolk. Eerst waren het de mannen die met de zeis het lange gras maaiden. Met trage, gelijkmatige bewegingen gingen ze door het veld totdat er geen halm meer overeind stond. Als de verzengende zomerzon zijn werk had gedaan en het gras als glanzend goud op de velden lag liep het hele dorp uit om te helpen met de oogst.

Vrouwen, kinderen, meisjes en jongens, iedereen droeg zijn steentje bij. De gemeenschap was zich er terdege van bewust dat dit het moment was waarop ze zich op schrale tijden moesten voorbereiden. De schaduw van de komende winter lag altijd over het landleven, zelfs in het midden van de zomer.

Zo volgden er vele nachten waarin het vernederende doch opwindende ritueel herhaald werd. Het publiek groeide. Zelf de jeugd uit het naburige dorp vond zijn weg naar de hooischuur om daar te worden ingewijd in de mysteriën van het vlees.

Uiteindelijk kwam het venstervrijen ten einde doordat onder de schaduw van Emma’s rokken een vrucht begon te groeien. Langzaam begon ze uit te dijen en kon zelfs de bedekkende kleding niet meer verhullen dat ze een kind droeg.

Moeder Aarde

Drie jongens begeven zich naar de rand van het bos waar een eenzaam huisje staat. Daar woont de blinde Geertruida met haar zus. Van Geertruida is bekend dat ze het oudste beroep beoefent en knapen inwijdt in de liefde.

De jongens zouden spoedig in het huwelijk treden. Deze traditie was al zo oud dat niemand zich kon herinneren wanneer het begonnen was. Het was gewoon zo. Jan herinnerde zich de veel betekende blik van zijn broer en de grijns van zijn oudere buurjongen die hij niet begrepen had.

Haar wereld bestond uit gevoel, uit geuren, geluiden, een complexe gelaagdheid van zintuiglijkheden dat samen een reliëf vormde. Een landschap van geluiden, geuren, gevoelde vormen waar alleen zij betekenis aan kon geven. Ze wist hoe ze zich een weg moest vinden in een wereld waar het altijd donker was maar tegelijkertijd vol van warmte en genot.

Voor haar was iedereen gelijk. De lelijke, de kreupelen, en zelfs mismaakten waren zonder aanziens des persoons welkom in haar schoot. Misschien lag juist daarin haar aantrekkingskracht. Het grootste minkukel was tussen haar dijen een prins.

En zo speelden ze dat heerlijke spel nog een aantal keer. Ze namen haar, hun nachtbruid, beurtelings, in verschillende posities. Ze voelde zich de koning te rijk. Maar het is altijd de vrouw die de minnenstrijd wint. Ze is zo onverzadigbaar als de zee en uiteindelijk zal zelfs de sterkste zwemmer in haar peilloze diepte verdrinken.

De dagenraad sijpelde door het bladerdak en maakte plassen van licht op de geurige bosgrond. Het was alsof de aarde onder hun voeten ademende. Alsof alles in een nieuw licht stond. Het geruis van de beek had nog nooit zo helder geklonken. De bosgeur was zo fris dat het hen revitaliseerde.

Als mannen daalde ze het pad af. Hun tred was licht en zelfverzekerd, alsof hun voeten de grond nauwelijks nog raakten en ze precies wisten waar ze heen gingen.

In de verte klonken de kerklokken, ze sloegen hun zondagse melodie. Steeds luider klonk het zware geklingel en traag vloeide de werkelijkheid van het dagelijkse bestaan weer naar hun terug.

Vloeibaar goud

Saartje laat zich door twee jongens meelokken om honing uit de bijenkorven te stelen. Maar niets is voor niets en Saartje moet eerst hun brandend verlangen bevredigen voor ze van de honing mag proeven.

Bijen zwermden om de korven, je kon ze nu goed zien. Hele bijenvolken leefde in die burchten van stro. Daarbinnen maakten ze, als alchemisten, het vloeibaar goud.

Saartjes betrekking bij de pastorie droeg nog bij aan deugdzaamheid. Het was simpel werk, maar gaf haar een zweem heiligheid. Ze diende een man van God en dat maakte dat zij ook dichter bij Hem stond.

Maar onder haar kuise kledij bolde haar vleesvruchten op als een lentebloem die bijna uit de knop barst. En het vlees kent god noch gebod. Het groeit en het bloeit naar zijn aard.

De hitte van de zon was nu ook in haar hoofd gekropen, in haar hart, en de broeierige holte van haar buik. Het verspreidde zich als een bedwelmende mist en maakte het onmogelijk nog helder te denken.

De leer en het leven

Paul praat met Thijs-zijn misdienaar- over het aanstaande zedenoffensief. Maar dan wordt hij plots weer overvallen door een aanval van de zomerkoorts. Hij droomt met open ogen en lijkt zijn zelfbeheersing te verliezen.

De jongen, die hij als zijn protegé beschouwde, zat gebogen over zijn partituur in diepe concentratie verzonken. Hij had hem niet eens gehoord. Voorzichtig legde de pastoor zijn hand op de ranke jongensschouder.

De jongen hield stil en keek naar hem op. Ogen groot en stil als koele meren. Maar wat woelde er in die diepte? Hij besefte zich ineens dat hij ook Thijs, zijn steun en toeverlaat, met andere ogen zag. Was hij ook geïnfecteerd met die koortsdromen? Was ook zijn propere, jonge geest zwanger van zonde?

Hij sloot even zijn vermoeide ogen. Zelfs in deze koele alkoof sijpelde nu de zomerhitte als plakkerige stroop naar binnen. En ineens, als was hij bezeten door een visioen, zag hij een misdienaar gekleed in zijn hagelwit gewaad. De jongen stond met de rug naar hem toe voor het altaar.

Het was Thijs.

Hij tilde zijn gewaad tot hoog boven de billen en toonde schaamteloos zijn lelieblanke bekoorlijkheid. Hij keek over zijn schouder, met die stille uitdagende blik. Toen opende de jongen zijn mond en maakte een wellustige beweging met zijn tong. Een vulgaire tongendans.

De slangentong.

Misdienaar

Thijs wandelt alleen door het bos wanneer hij Saartje, half ontkleed, ziet wegvluchten. De nieuwsgierigheid wint het van zijn angst en hij sluipt door het kreupelhout naar daar waar hij jongensstemmen hoort.

Met ingehouden adem bekeek hij ze vanuit zijn schuilplaats in het kreupelhout. Vanuit het raam van de serre had hij ze wel vaker gezien. Ze kwamen van net buiten het dorp, van de boerderijen. Boerenjongens.

Hoewel ze op loopafstand van het dorp woonden, kon de afstand tussen hen bijna niet groter zijn. Tussen hen gaapte de kloof der klasse. Zij waren een ander slag, zei vader Paul altijd. Ze zijn diegene die werken, wij zijn diegene die bidden.

Maar als hij hen zag dan voelde hij zicht niet beter af. Hij had zich eigenlijk altijd een al toeschouwer gevoeld. Alsof hij buiten het leven stond en vanuit een raam naar binnen keek. Zijn leven bestond uit boeken, partituren en natuurlijk het woord Gods. Het was alsof hij leefde in een wereld van geschriften, dode letters, alsof het alleen in theorie bestond.

Als hij dan die boerenknapen zag dan voelde hij een wonderlijke warmte vanbinnen. Hij kon het moeilijk onder woorden brengen. Het was alsof hij wilde drinken van hun kracht.

Toch was hij gefascineerd door hun dialect. Het was iets unieks, iets organisch. Hun taal was geworteld in de grond als een oude boom. Zijn moeder had hem van jongs af aan al verboden in het plaatselijke dialect te spreken. Dat was beneden hun stand. Dat was een grens die bewaakt moest worden. De burger mocht zich nooit verlagen tot de boerenstand.

Valfruit

Victor, een van de brutaalste jongens uit het dorp, gaat perziken stelen in boomgaard van de oude weduwnaar Jacob. Een man waarover vreemde en beangstigende verhalen de ronde doen. Dan wordt hij betrapt.

Knoestige stammen, schors als droge, harde schubben, met een brede, volle kroon van groen gebladerte. Uit die korte, gedrongen stammen vertakten zich lange takken die hunkerend naar de hemel reikten.

En overal in het groen prijkte oranjerode perziken. Het contrast kon niet groter zijn. De vrucht was zacht en teer, het was moeilijk voor te stellen dat het ruwe, harde hout zulk een sappige zachtheid voort kon brengen.

Toen hij zeker was dat hij alleen was, kwam hij overeind en reikte naar een rijpe vrucht. Hij hield het in zijn hand, snoof de zoete geur op. Vervolgens streelde hij de zachte, donzige vruchthuid met zijn vingertop. Het wond hem op. Een perzik was een diep sensuele vrucht. Zowel de vorm, de geur en de zachtheid van het vel riepen broeierige gedachten op.

Met het puntje van zijn tong volgde hij de welvingen van de perzik. Hij likte het gladde, warme vel. Toen zette hij zijn tanden in het zachte, sappige vruchtvlees. Zoet sap welde overvloedig tussen zijn tanden op. Het vloeide uit de vruchtwond als stroperig bloed.

Gulzig likte hij het glibberige binnenste van de perzik. Het sap droop langs zijn kin. Hij likte steeds trager, met de ogen gesloten. Achter zijn oogleden bloeide een panorama op. Een landschap van vlees. Saartjes borsten rezen op als bergen met roze spitse toppen, haar schelpvormige geslacht als een warme zachte vallei.

De zondvloed

Het verhaal loopt, net zoals de broeierige zomer, op zijn einde. Pastoor Paul staat op de kansel, klaar om zijn vlammende zedenpreek af te steken. Dan wordt hij weer bevangen door visoenen, hij droomt met open ogen en dan breekt de hemel open als bij de zondvloed en gewelddadig onweer breekt los. Al zijn rationaliteit lijkt te verdampen en hij begint, als is hij bezeten, in tongen te spreken.

Het kind brak uit de moederschoot, bloed en vruchtwater gutste over de houten kerkbank op de stenen vloer. Hij zag nu de zuigeling door het troebele vlies. Het zat in de vruchtzak, vredig slapend, nog half in de hemel, ronddrijvend in Atlantis. Toen brak het vlies open en het grauwe schepsel gleed huilend, graaiend naar houvast, de wereld in. Vanaf het een op het andere moment was de tevreden uitdrukking van gezichtje verdwenen en was het verwrongen tot een krijsende grimas.

Als een zwarte vogelverschrikker stond hij daar in de hoogte op de kansel, zijn zwarte gewaad wapperend om zijn knokige lijf. Bezwerend hief hij zijn handen ten hemel. En langzaam groeiden er uit de tongentaal verstaanbare woorden. Ze kwamen als vanzelf. Ze kwamen niet uit hem, maar door hem heen. Ze kwamen niet van boven, maar van beneden. Ze braken uit zijn mond als het kind uit de vruchtzak.

“Uiteindelijk vloeit alles terug naar de moederschoot van de aarde. De Kerk is slechts een tijdelijke tempel op haar levende lichaam”. Begon hij. Het voelde als een bekentenis. Het was alsof hij eindelijk, na al die jaren studie, de ware aard van zijn geloof gevonden had. Hij zag het nu. De schellen waren hem van de ogen gevallen.

“En zo vormt het leven een rozenkrans van lichamen, aaneengeregen door een streng van tijd en door geslachtelijkheid zich eindeloos voort strekkend in het oneindige. Het vlees vervloeit in elkaar, geslachten vergroeien met elkaar, en samen vormen we de boom des levens die zich blijft vertakken, generatie na generatie door de tijd. En dat is wat u te doen staat. Hij hield nu zijn rozenkrans met gestrekte arm omhoog. Rijg aan het snoer des levens. Rijg uw levens aan elkaar. Gaat heen en vermenigvuldigt u”.

Zijn laatste woorden schalden door de kerk. Toen was het doodstil. Ze keken hem aan, niet begrijpend. Maar dat gaf niet, wist hij. Alles wat ze moesten weten lag besloten in hun vlees.


Dit was korte weergave van het werk, ik hoop dat ik de leeslust gewekt heb. Als slot wil ik graag iedereen oproepen mijn boek te lezen, te delen, en als het kan te promoten. En zoals gezegd, dit is slechts het begin.

Afstotend idee om afstand te nemen van vroomheid als onderdeel van Nederlands nationalisme.