Het boek van de natuur
Over de mens en de aardse verschijnselen
Religie
O Sapientia, quae ex ore Altissimi prodiisti, attigens a fine usque ad finem, fortiter suaviterque disponens omnia: veni ad docendum nos viam prudentiae.
O Wijsheid, die aan de mond van de Allerhoogste is ontsproten, strekkend van het ene uiterste tot het andere, krachtig en zachtjes alles schikkend: kom en leer ons te wandelen met verstand.
Zo luidt de eerste van de zeven antifonen die gaandeweg de afdaling van God naar de Mens preciseren. “Prudentia” betekent zowel kennis of ervaring van iets, verstand, inzicht en wijsheid. Alles wat kan uitvloeien in wetenschap. Wat des allerhoogsten wijsheid aanbeveelt, is bekendheid met hoe zij zich openbaart in de Heilige Schrift. Maar daarnaast bestond ook het Boek van de Natuur. Zoals bij voorbeeld te lezen in de Biblia Naturalis van Jan Swammerdam en de Religio Medici van zijn tijdgenoot Thomas Browne (beiden medio zeventiende eeuw). In zijn schepping zien we de afdruk van de Schepper. De natuurkunde was dus van origine een gewijde wetenschap. De Spaanse mysticus en dichter Sint Jan van het Kruis vond in de natuur de sporen van Wie hij zocht in zijn Cántico espiritual:
Vraag aan de schepselen:
O weelderig geboomte
aan d’ hand van mijn Beminde ontsproten,
o groenende weide met bloemen bestoven,
is hij soms door u voorbijgekomen?
Antwoord van de schepselen:
Ontelbare weldaden
strooide hij terloops door deze planten,
en met één oogopslag,
door alleen al zijn gestalte,
liet hij hen in schitter achter.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Onze wetenschap is helaas van de oorspronkelijke kennis der natuur vervreemd. Op de fysieke uitgebreidheid blijken we geen vat te krijgen. We kunnen er ons hoogstens een voorstelling van maken. Zoals Hamlet, die zich in een notendop koning waande van de oneindige ruimte. Zoals Alain de Lille, die God ruimtelijk weergaf als een bol waarvan het middelpunt overal is, en de omtrek nergens. Zoals de Perzische Simurgh, een vogel die in zekere zin alle vogels is en waarin wie hem zoeken zichzelf vinden. Zoals de profeet Ezechiël, die een engel zag met vier gezichten die zich tegelijkertijd naar het oosten, het westen, het noorden en het zuiden wendde. Zoals de Argentijnse dichter Borges, die gevangen in een donkere kelder mystieke troost vond in de verschijning van een lichtend bolletje dat hij de Aleph heette en dat een reeks over de planeet verspreide gebeurtenissen in het gelijktijdige comprimeerde. Elders gebruikt de dichter de metafoor van het “labyrint”. Dat biedt ons in elk geval de mogelijkheid van een uitgang. Maar die bereik je alleen met de draad van Ariadne. Want daarzonder wacht je de verslindende Minotaurus. De draad is waar het om gaat.
De draad is wat Stephen Dedalus – dedalus betekent labyrint – mist. De hoofdfiguur van James Joyce’s iconische roman Ulysses typeert de mens van onze tijd die is verdwaald. Anders dan zijn naamgenoot, de homerische Odysseus, die na zijn omzwervingen en beproevingen aankomt in Ithaca. Stephen komt nergens aan, gelijk de meeste zoekers in de modernistische romans die kenners waarderen als vernieuwend voor de Literatuur. De werkelijkheid heeft ze verward, het kompas van hun mentale interieur ten spijt. De plot is weg, de sequens van oorzaak en gevolg gaat schuil onder een woordenbrij. De draad is zichtbaar gebleven in sprookjes, versimpeld in strips en ongeloofwaardig in de happy endings type Hollywood.
“De vakspecialisten weten steeds meer over steeds minder. Wie ziet nog samenhang. Dat was vroeger de roeping van de kunstenaar.”
Anderzijds raakte in Academia de wetenschap verkaveld. De vakspecialisten weten steeds meer over steeds minder. Wie ziet nog samenhang. Dat was vroeger de roeping van de kunstenaar. Die van nu ontbeert daartoe het inzicht. Esthetiek, ethiek en kennis - ooit verbonden - opereren thans gescheiden. Wat rest, is waardevrije wetenschap, kunst zonder ethiek.
De filosofen die uit wetenschappelijk onderzoek conclusies trekken scheppen elk een eigen wereldbeeld. Ook onder waarheidzoekers is geen consensus. Het vooruitgangsgeloof ten slotte, voert naar de dood. Geestelijk en moreel gezien, is het verval onmiskenbaar. Het mensdom als zodanig heeft geen bestemming. Alleen de mens als individu kan beter en wijzer worden.
Al wat zich in de materiële uitgestrektheid manifesteert heeft zijn oorzaken, wortels, of archetypen in de eeuwigheid. Als Adam in het paradijs zegt: dit is een tijger, en dat is een roos, dan is in die namen hun wezen vervat, zoals elders Plato leert in de Cratylus. Dat geldt uiteraard ook voor de mens zelf, die geschapen is naar het beeld van zijn Maker.
Hoe de verschijnselen op aarde overeenstemmen met, en hun bestaan danken aan hun grondvormen of oerbeelden is het geheim dat ligt besloten in het Boek van de Natuur.

