In gesprek over Schopenhauer
| 16 minuten leestijd
Caspar David Friedrich, Der Chasseur im Walde
Caspar David Friedrich, Der Chasseur im Walde
Dit artikel is een recensie van het boek ‘De weg terug: Schopenhauer voor een dolende wereld’ van dr. Joris van Rossum. Is uw interesse door dit artikel gewekt? Bestel het boek dan hier.

In gesprek over Schopenhauer

Een recensie van het boek “De weg terug”

“Le seul véritable voyage ce ne serait pas d'aller vers de nouveaux paysages, mais d'avoir d'autres yeux”

Marcel Proust

Voor de regelmatige lezer van Reactionair.nl zal het geen geheim zijn dat de filosofie van Arthur Schopenhauer mij na aan het hart ligt. Reeds eerder verscheen op deze website een beknopte introductie van zijn gedachtegoed van mijn hand.1 Ik was dan ook verblijd om onlangs een boek te mogen lezen waarin zijn filosofie de kern van de verhandeling vormt.

In zijn wondermooie boek laat doctor Van Rossum ons afdalen in de diepten van ons zijn. Als een moderne Vergilius neemt hij ons daartoe aan de hand, in een poging om ons in deze dolende wereld het juiste pad terug te doen vinden; want de wereld is dolende—ja, dwaalleer op dwaalleer stapelt zich op in de moderne Weltanschauung die zich rondom het materialisme heeft gevormd.

De hedendaagse verarming van wat wij als kennis aanduiden vormt hierbij een primair aanknopingspunt om onze dwalingen te duiden en te corrigeren. Verzand in het letterlijke, is men blind geworden voor de waarde van inzicht en de capaciteit van de rijke allegorieën die religie zo kenmerken om dit inzicht over te brengen.

Vanaf het eerste hoofdstuk wordt de lezer daarom aangespoord tot reflectie en wordt het concept van wat kennis inhoudt, verdiept; louter abstracte kennis is niet genoeg: deze moet doorleefd worden, filosofische theorieën moeten indalen als besef—als inzicht:

Kennis is waardeloos als het theoretisch blijft en wordt pas effectief als we die realiseren als een onmiddelijke, intuïtieve ervaring.2

Met dit uitgangspunt laat Van Rossum ons een proces van zelfontdekking doorlopen waarin hij de gebruikelijke definitie van de Wil—in navolging van Schopenhauer—omkeert en deze vervolgens overtuigend betrekt op zowel onze bewuste als onze semi-onbewuste en onbewuste wilsprocessen, die achteraf altijd als gewild voelen en temeer als eigen.

De vorm waarin dit gebeurt verdient het vermeld te worden, want de uiteenzetting geschiedt in dialoogvorm. Een gewaagde keuze; daar de dialoogvorm vandaag de dag over het algemeen in onbruik is geraakt. De keuze loont zich echter, want de expositie is helder, de beide karakters, Hugo (de auteursstem) en Adam (de scepticus) worden met overtuiging geschetst en het geheel ontvouwt zich soepel en vloeiend.

De wil als ons ware wezen

Wat sterk en overtuigend naar voren wordt gebracht in de eerdere hoofdstukken is wat de kern is van ons zijn: Van Rossum verschuift heel kundig de gebruikelijke blik van ons werkelijke zelf als hoofdzakelijk denkend individu dat onze handelingen bewust aanstuurt, naar een zelf, dat door en door wil is. Het is op deze wijze dat wij kunnen verklaren waarom wat wij zijn vaak zo lastig is aan te wijzen en het verleggen van de definitie van dit zijn lost dit probleem bijna moeiteloos op. Hoewel dit inzicht met geen millimeter afwijkt van Schopenhauer, is de zegswijze niettemin fris en klinkt deze niet, zoals men de wilshypothese van Schopenhauer soms pleegt uit te leggen, zweverig en ongrijpbaar.

Het feit dat handelingen ‘als vanzelf’ optreden, handelingen waarin wij wel onze wil herkennen maar geen causaal verband in de tijd tussen wil en handeling kunnen zien, betekent dat het onderscheid tussen wat wij zien als onszelf—het kennende en denkende ik—en het lichaam niet duidelijk te maken is.3

Sterfelijkheid bestaat door deze lens beschouwd omdat we ons valselijk identificeren met het individu. Met de wil als ons ware zijn is daar de onsterfelijkheid! En hier toont Van Rossum ons dat het plengen van tranen om het verlies van ons leven niet nodig is—wij zullen, als wil zijnde, nooit de kus des doods op onze lippen voelen; mors est ianua vitæ (de dood is de deur des levens):

Ons wezen is ‘als de zon die alleen voor onze aardse ogen onder lijkt te gaan, maar die in werkelijkheid nooit ondergaat en onophoudelijk door blijft schijnen’.4

Het individu sterft, daar is geen twijfel over mogelijk. Dus als wij dit individu zouden zijn, dit ik, dan is er geen leven na de dood. Maar zijn wij niet het individu maar de wil, de wil die eeuwig is, de wil die in mij maar ook in jou huist, in feite in alles, dan treft de dood ons niet.5

Ook wordt helder in beeld gebracht hoe het materialistische wereldbeeld het eeuwige, onveranderlijke zijn in de vergankelijke wereld poogt te plaatsen en daartoe een eeuwige zoektocht onderneemt naar het kleinste deeltje. Dat dit een mogelijk hachelijke onderneming is, komt scherp naar voren in de volgende passage:

Laten we niet vergeten dat de huidige stand van de kwantumfysica—het deelgebied van de natuurkunde dat zich bezighoudt met deze deeltjes—een behoorlijk verwarrend, of, laten we eerlijk zijn, bizar beeld geeft. Het is niet alleen dat voorheen als ondeelbaar beschouwde deeltjes deelbaar blijken te zijn: überhaupt het idee van ‘deeltjes’ als bouwstenen van het universum is op losse schroeven komen te staan,6

De evolutietheorie opnieuw beschouwd

Een hoogtepunt in het werk is wel het vierde hoofdstuk waarin wordt ingegaan op de evolutietheorie en natuurlijke selectie. De lezer zal direct bemerken dat de auteur hier zijn grote kennis van het biologische met gemak en grote helderheid kan overbrengen. Dat het darwinisme over een aanname heen stapt; namelijk dat er bij natuurlijke selectie wordt uitgegaan van seksuele voortplanting, zonder dat dit proces zelf verklaard wordt, wordt hier erg duidelijk uit de doeken gedaan. Van Rossum schrijft:

Je kunt een voorwaarde voor het optreden van een proces vervolgens niet verklaren door dat proces zelf!7

Het feit dat neodarwinisten als Dawkins, dit onderkennende, op zoek zijn gegaan naar de “kleinste eenheid van selectie” binnen het proces van natuurlijke selectie in een poging dit principe in het fysicalistische procrustesbed te passen is interessant, daar het in mijn beleving enigszins spiegelt hoe men in de natuurkunde op zoek ging naar het kleinste deeltje.

Ook bij Dawkins loopt de theorie echter vast op de creatieve processen want op het niveau waarop Dawkins de natuurlijke selectie poogt te verklaren kán helemaal niet over seksuele reproductie gesproken worden; daarnaast spreken we bij natuurlijke selectie altijd slechts over conservatieve processen, terwijl evolutie—neem de ontwikkeling van een nieuw zintuig zoals het oog—een creatief proces is.

Als adaptaties evolueren voor het belang van het gen, hoe kan het dan dat de helft van de genen verloren raakt. […] Seks zou geëvolueerd zijn voor het gen, maar de helft van de genen wordt als het ware weggegooid bij de seksuele voortplanting!8

Onderaan de streep houdt dit in dat we met het proces van evolutie het argument dat er in de wereld sprake is van doelmatigheid, van een zekere teleologie, in feite hebben uitgebreid.9 Het ontmantelen van natuurlijke selectie als primaire motor achter de evolutie legt een bom onder het fysicalisme omdat het onweerlegbaar aanduidt dat er geen sprake is van botsende deeltjes in het luchtledige, van absolute willekeur, maar dat er een vitaal principe is dat het proces van evolutie aanstuurt.

Het behoeft geen verassing te heten dat dit principe de wil is; en hierbij moeten we in ogenschouw houden dat ons bewustzijn een zeer gebrekkig instrument is, slechts bedoeld om de buitenwereld in kaart te brengen voor de wil, om deze te voeden met informatie die vervolgens werkt als motief voor wilsuitingen:

Dat is inderdaad waartoe het ik, wat wij voor een groot deel beschouwen als ons ware zijn, gereduceerd is. Als onlosmakelijk deel van de voorstelling, een voorstelling die datgene wat wel dicht bij ons ligt, de wil, dient.10

Het is dan ook door de wil dat wij ons zijn kunnen begrijpen en omdat we deze wil als het scheppende principe aannemen dat we de ontwikkeling van complexe levensvormen en het ontwaken van het bewustzijn kunnen verklaren. Slechts in het beperkte bewustzijn verschijnen wij als individuen, slechts door deze lens gezien zijn wij een vreemdeling in deze wereld, wij zijn echter tegelijk de wereld zelf en deze is niets minder dan de schepping van onze wil:

Vanuit één kant gezien overkomt het leven ons. Wij worden op een schijnbaar willekeurig moment in de tijd in het leven geworpen als uit het niets, behept met een lichaam dat wij niet gecreëerd hebben. Zo dient het leven zich aan in de verschijning. Maar aan de andere, veel essentiëlere kant, namelijk de metafysische, zijn wij die schepper zelf. Wij staan zelf aan de basis van het lichaam, ons zijn, ons alles; wij zijn de schepper van onszelf en van de hele creatie, alhoewel deze kennis zich niet vanzelf aandient.11

De wil in de levenloze natuur

Wij dalen verder af, na de wil zowel in onze onbewuste processen als in alle andere levende wezens te hebben ontwaard, naar de levenloze natuur. Naast een heldere uitleg van Schopenhauers stelling dat de wil ook schuilt in wat wij natuurkrachten noemen, vinden wij hier hoe Van Rossum het fundament wegtrekt onder ons alledaagse begrip van objecten. Hij toont overtuigend aan dat objecten, of opeenhopingen van energie, enkel voor ons als objecten verschijnen in zoverre ze inwerken op andere opeenhopingen van energie—namelijk de fotonen in licht en in zoverre dit licht ons oog bereikt.12

Een noemenswaardig element dat Van Rossum hier toevoegt aan zijn uiteenzetting is de holon-theorie die hij ontleent aan het werk van de Hongaars-Britse schrijver Arthur Koestler. Dit model gaat uit van een hiërarchische structuur van eenheden (holons) die zowel op zichzelf staan (een zelf-assertieve tendens hebben) alsook deel zijn van een groter geheel (een integratieve tendens hebben). Op deze manier slaat Van Rossum een brug tussen de levende en de levenloze natuur; want dit model is op beiden goed toepasbaar en omdat het streven naar complexe organisaties inherent is aan de natuur, blijkt de kloof tussen het levende en levenloze grotendeels een waanvoorstelling.

Ook hier, namelijk, onthult zich de wil als drijvende kracht achter de anorganische natuur; en zowel de zwaartekracht, als integratieve tendens; een principe dat niet strookt met een willekeurige dans van botsende deeltjes, als de paradox van het “fine-tuned universe” vinden in de wilshypothese hun plaats.

Materie—dat wat wij als materie zien—is wil. Deze drang, zowel onze wilsuitingen als de natuurkrachten, is de drang tot manifestatie in tijd en ruimte in de vorm van steeds grotere structuren. Dat zijn wij, dat is het leven, dat is materie, dat is evolutie, dat is het universum. Dat is alles, dat zijn wij.13

Van Rossum contra het idealisme

Tot nu toe heeft Van Rossum Schopenhauer op de voet gevolgd; echter op één vlak wijkt hij nu van zijn ideeën af. Het zevende hoofdstuk behandelt namelijk het idealisme; en hier wordt afgeweken van het adagium esse est percipi (zijn is waargenomen worden, de filosofie van George Berkeley) inzake de aard van het zijn.

Hier wordt de kritiek geschetst, dat zowel tijd en ruimte reeds besloten liggen in het begrip drang; en zo is de wil zonder tijd en ruimte een leeg begrip. Deze afwijzing van het idealisme brengt Schopenhauers wilsfilosofie dichter bij de wetenschappelijke inzichten van vandaag maar we lijken in zekere zin ook terug te keren naar een visie waarbij een half idealisme aan de dag wordt gelegd, waarbij ruimte en tijd in zekere zin de noumena kenmerken die schuilgaan achter de fenomenen. Spreken we hier niet wederom van de primaire en secundaire kwaliteiten van Locke? Die kwaliteiten die Berkeley zo kundig heeft ontmanteld voor ons in zijn fameuze dialoog tussen Philonous en Hylas?

Echter meent Van Rossum dat:

Als het ding-op-zichzelf een wetmatige manifestatie in de tijd en in de ruimte is, als, met andere woorden, tijd, ruimte en causaliteit een essentieel onderdeel zijn van het ding-op-zichzelf, dan moeten die toch bestaan buiten het subject om?14

De wil is zo een actieve manifestatie in de ruimte, een manifestatie bovendien die wij ook in onszelf herkennen. Het is op deze wijze dat verklaard kan worden dat de wereld bestond voordat er een bewustzijn was om deze waar te nemen. Het bewustzijn is immers afhankelijk voor zijn bestaan van de evolutionaire ontwikkelingen die tot zijn ontstaan hebben geleid. Desalniettemin stelt Van Rossum dat de wereld als voorstelling wel degelijk afhankelijk is van het bewustzijn. Zijn visie brengt met zich mee dat wij ons de wereld an sich in tijd en ruimte buiten de voorstelling met geen mogelijkheid in kunnen beelden en dat deze voorbij de onoverkomelijke grens van ons verstand ligt, maar we desondanks het bestaan van een wereld vóór het bestaan van bewustzijn aan moeten nemen omdat slechts zo het bewustzijn heeft kunnen ontstaan.

Uit de afwijzing van het idealisme volgt echter wel een probleem, dat een separate oplossing vereist. Dit betreft het ethische aspect, het doven van de Wil; want in de niet-idealistische visie van Van Rossum blijft het probleem dat met het doven van de wil slechts een, zo kunnen we zeggen, individuele wil, op zichzelf is teruggekeerd.

Het voortbestaan van de wil is zo afhankelijk van de afwijzing van het idealisme, want in het idealistische zal wereld in zekere zin met toeschouwer vergaan; de wil verstilt, keert terug naar zijn bron als één en ondeelbaar, en omdat deze één en ondeelbaar is, heft deze zich in zijn geheel op.

Als mogelijke oplossing voor dit probleem wordt geopperd dat er op kosmische schaal wellicht ondanks dat er geen einde aan het lijden des werelds in zicht is, een moment zal zijn, een eindpunt waar de wil rust zal vinden:

Streven wij wellicht terug naar dat punt van perfecte orde, van eenheid? Is dat het doel van ons streven, en zullen wij—zal de wil—daar uiteindelijk rust vinden?15

Dit blijft echter speculatie; wij kunnen dit niet weten. Niettemin blijft Van Rossum hoopvol. Als de wil ondanks individuele verlossing toch door blijft razen—als er geen eeuwige verlossing is—biedt dit toch een welkom moment van rust in de storm van het bestaan.

Voorbij het verstand

Ook in het verkrijgen van mystieke wijsheid is het verstand iets wat onze blik beperkt en kan het ons niet als wegwijzer dienen. Om de direct verkregen inzichten toch over te kunnen brengen en over de abstractie te kunnen tillen van het droge verstandelijke bedienen de profeten, oude wijzen en stichters van religies zich derhalve van de rijkdom van het allegorische.

Ideo in parabolis loquor eis: quia videntes non vident, et audientes non audiunt, neque intelligunt.

Et adimpletur in eis prophetia Isaiæ, dicentis: Auditu audietis, et non intelligetis:

et videntes videbitis, et non videbitis.16

Wat dan ook in de visie van Van Rossum naar voren komt is dat een deel van de verlorenheid die de mens in de hedendaagse wereld ervaart, te wijten is aan de mate waarin de allegorieën van de verschillende religies passen bij de tijd en de omstandigheden, daar dit beïnvloedt of zij effectief de waarheden die daarin besloten liggen over kunnen brengen. De westerse mens zou uit het christendom gegroeid zijn als een kind uit zijn kleren.

Ook dit hangt wederom samen met het materialisme, dat zich tot de laatste zin van het boek laat zien als een fundamentele dwaling in onze mentaliteit. De moderne mens dwingt zichzelf daarom ook religie volgens de maatstaven van het letterlijke en het figuurlijke te beschouwen en dit is ook wat de absurdistische taferelen van christenen die Gods letterlijke bestaan pogen te verdedigen veroorzaakt, terwijl hun waarheden, allegorisch als zij zijn, op een geheel ander niveau waar zijn, boven het letterlijke en het figuurlijke uitstijgende.

Wat hierin noodzakelijk is, blijkt wederom dat wij ons bewustzijn niet overschatten, en dat wij, welk pad wij ook opwaarts nemen terug naar het spirituele, wij niet langer de meer dan twijfelbare spiegeling die men werkelijkheid noemt tot absoluut verheffen17 zoals het materialistische wereldbeeld dit doet.

Politieke implicaties en conclusie

Want ook op politiek vlak heeft deze denkwijze haar uitwerking en veroorzaakt allerlei dwalingen. Wij komen zo aan het einde van onze reis en ook vinden wij hier hoe al de voorgaande reflecties hun weerslag vinden in de problemen die wij heden ten dage om ons heen zien. De moderne mens is verloren geraakt in de betonnen wildernis, waar de fata morgana‘s van zijn individuele verlangens hem leiden.

Met de ontkerkelijking en het materialisme is men begonnen met het zoeken van verlossing in de wereld zelf. Zo zien wij dat men de spirituele neiging verlegd heeft naar surrogaatdoelen; de religiositeit vindt uiting in politieke bewegingen: van het communistische en het socialistische, waar de oneerlijke verdeling van welvaart als de radix malorum (wortel van het kwaad) wordt aangewezen, tot de huidige klimaatbeweging—die zowel een schuldbeginsel, waarbij de zondeval ten tijde van de industriële revolutie plaats zou hebben gevonden, als een eschatologie bevat.

Temidden van de onttovering zien wij dat met dergelijke ideologieën niet alleen niet afdoende wordt tegemoetgekomen aan de spirituele behoefte van de mens maar dat deze ook tot grote excessen van lijden kunnen leiden. De hoeveeldheid slachtoffers die het communisme en het nazisme tezamen gemaakt hebben in de vorige eeuw overstijgt de tientallen miljoenen. Over een materialistische invulling op het politieke vlak van onze spirituele neiging schrijft Huxley dan ook dat:

It may be remarked that the cult of unity on the political level is only an idolatrous ersatz for the genuine religion of unity on the personal and spiritual levels. Totalitarian regimes justify their existence by means of a philosophy of political monism, according to which the state is God on earth, unification under the heel of the divine state is salvation, and all means to such unification, however intrinsically wicked, are right and may be used without scruple.18

In onze tijd passeert een grote verscheidenheid aan dergelijke ideologieën de revue, en velen daarvan kunnen wij beschouwen als variaties op het marxistische thema; waarbij slechts verschuift wie de onderdrukkers zijn en wie de onderdrukten. De nieuwe proletariërs die zich dienen te verenigen zijn minderheden met een bepaalde seksuele voorkeur of met een bepaalde etnische identiteit.

De vermeende maakbaarheid des werelds en het schromelijk overschatten van het menselijk verstand vormen kernproblemen in het politieke discours. Het is dan ook met een conservatieve houding, waarbij tradities die zeer langzaam tot stand zijn gekomen niet zomaar overboord worden gegooid en waarbij wordt erkend dat het verstand een slecht werkend kompas is, dat wij deze utopische stromingen het hoofd kunnen bieden. Natuurlijk vereist een dergelijke politieke houding gedegen fundamenten; en het is derhalve noodzakelijk om de politiek in verbinding te brengen met een levensbeschouwelijk paradigma dat fundamenteel anders is dan het hedendaagse.

Dit vraagt van ons dat wij, zoals Van Rossum aantoont, de wereld fundamenteel anders moeten gaan beschouwen. Dat we het materialistische wereldbeeld ontmantelen en hier andere fundamenten voor in de plaats leggen. Alleen zo kunnen we de waan van de dag duiden en ons hiertegen wapenen. Dit zal ons in staat stellen de weg te vinden, de weg die ons naar zelfkennis voert, naar waarheid en naar verlossing.


  1. Dit artikel, geschreven ter gelegenheid van een lezing van Van Rossum in juni 2022, kunt u hier lezen. ↩︎

  2. p. 19. ↩︎

  3. p. 38. ↩︎

  4. p. 47; het originele citaat luidt: “Es ist der Sonne ähnlich, die bloß unsern irdischen Augen unterzugehn scheint, die aber eigentlich nie untergeht, sondern unaufhörlich fortleuchtet”. Deze zou van Goethe zijn, hoewel Schopenhauer beweert dat Goethe deze redewending juist van hem had. ↩︎

  5. p. 49. ↩︎

  6. p. 55. ↩︎

  7. p. 64. ↩︎

  8. p. 75. ↩︎

  9. Parafrase van een passage op p. 79. ↩︎

  10. p. 90. ↩︎

  11. p. 99. ↩︎

  12. p. 114. ↩︎

  13. p. 117. ↩︎

  14. p. 126. ↩︎

  15. p. 159. ↩︎

  16. Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

    Mattheus 13:13-14. ↩︎

  17. Parafrase uit het artikel Homo Credens dat eerder op deze website verscheen. ↩︎

  18. “Het mag opgemerkt worden dat de eenheidscultus op het politieke niveau slechts een huichelachtig surrogaat voor de ware eenheidsreligie op zowel het persoonlijke als het spirituele vlak is. Totalitaire regimes rechtvaardigen hun bestaan door middel van een filosofie van politiek monisme, in overeenstemming waarmede de staat God op aarde is, eenwording onder de hiel van de heilige staat verlossing, en alle middelen om deze eenwording te bereiken juist, hoezeer deze ook wezenlijk kwaadaardig zijn, en deze mogen daartoe zonder gewetensbezwaren aangewend worden.” (Vert. auteur)

    Aldous Huxley, The perennial philosophy, Ch. I ↩︎

Aangehaald in dit artikel:

Aldous Huxley Joris van Rossum Arthur Schopenhauer

Erg genoten van het stuk

“Der Wille zum Leben”

Schopenhauer had een prachtige omschrijving van het bestaan. Ironisch is dat hij als atheïst gelijkluidende argumenten en redeneringen aanhaalt als Ibn Arabi doet in zijn theorie over de eenheid van het bestaan vanuit een monotheïstisch kader. Uiteraard divergeren de opvattingen tussen ‘der Wille’ en ‘Wujud’ uiteindelijk enorm, maar een groot gedeelte van de rit reisden zij samen.

In een wereld snakkend naar zingeving wellicht een pad terug naar betovering.