Kanttekeningen bij de diplomademocratie
14 minuten leestijd

Kanttekeningen bij de diplomademocratie

Waarom een echte elite te prefereren valt boven de schijnelite

Cultuur
Kanttekeningen bij de diplomademocratie
14 minuten leestijd
Dit artikel is geschreven door Hendrikus.

Afgelopen najaar verscheen een herziene druk van het boek Diplomademocratie. Opleiding als nieuwe scheidslijn, geschreven door het duo Mark Bovens en Anchrit Wille, beide (emeritus-)hoogleraar in de bestuurskunde en politicologie. Het boek betreft een geactualiseerde uitgave van een tien jaar eerder uitgegeven versie met dezelfde titel. De centrale these van het boek is dat een studie meer behelst dan een middel waarmee een goede financiële toekomst kan worden verzekerd. Hoewel Bovens en Wille niet ontkennen dat een studie daar vaak toe leidt, is de portee van hun betoog dat er naast economische gevolgen meer pregnante sociaal-culturele gevolgen zijn die een kloof tussen theoretisch en praktisch opgeleide burgers vormen.

De definitie die de auteurs hanteren is de gebruikelijke, namelijk dat iedereen met een hbo-opleiding of hoger in de categorie theoretisch opgeleid valt, terwijl degenen die niet over een dergelijk diploma beschikken in de praktisch opgeleide categorie vallen. Bepaalde vormen van onderscheid tussen de twee groepen worden al vroeg zichtbaar, zoals de namen die ouders aan hun kinderen geven: de kinderen van theoretisch opgeleide ouders heten bovengemiddeld vaak Floris en Fleur, die van praktisch opgeleide ouders vaker Kevin en Kimberley. Een theoretisch opgeleide burger kijkt – als hij al tv kijkt – voornamelijk naar de NPO, terwijl een praktisch opgeleide vaker afstemt op een commerciële zender. Eenzelfde onderscheid valt te maken aangaande krant (NRC, Volkskrant tegenover Telegraaf en AD) en politieke partij (D66, PvdA, GroenLinks tegenover SP en PVV). Naast deze meer oppervlakkige contrasten zijn er ook meer directe en fysieke consequenties. Zo leven praktisch opgeleiden minder lang, verdienen ze minder en zijn ze minder gelukkig. Al deze conclusies, die al volgden uit de eerste druk van het boek, zijn door de auteurs onderbouwd met tal van cijfers en statistieken. Het meest verrassende en onthutsende inzicht uit de nieuwe druk van het boek is een onderzoek waaruit blijkt dat de beleidsvoorkeuren van praktisch geschoolden alleen kans hebben om in beleid te worden omgezet op het moment dat deze voorkeuren samenvallen met die van theoretisch opgeleiden.1

In het laatste hoofdstuk doen de auteurs aanbevelingen waarmee de verschillende vormen van ongelijkheid tegengegaan zouden moeten worden. Dat zou volgens hen moeten gebeuren door het (opnieuw) invoeren van referenda en burgerraden en door een groter aantal politici in het parlement met een praktische opleiding te krijgen. Deze institutionele maatregelen zouden er voor moeten zorgen dat praktisch opgeleiden een groter aandeel krijgen in de politieke besluitvorming. De eerste twee oplossingen zijn de afgelopen decennia al meermaals beproefd, en vriend en vijand zal erkennen dat ze niet hebben gebracht wat ervan werd verwacht. Wat betreft de laatste aanbeveling is de veronderstelling dat een betere of gelijkere representatie van theoretisch opgeleiden ertoe zou moeten leiden dat hun voorkeuren vaker in beleid omgezet zouden worden. Het is echter de vraag of er een zodanig oorzakelijk verband bestaat tussen beleidsvoorkeuren en opleidingsniveau. Verder stellen de auteurs dat er in maatschappelijke zin meer gestuurd zou moeten worden op gelijke uitkomsten in plaats van kansen, er meer waarde moet worden toegekend aan praktische diploma’s en de segregatie in het onderwijs een halt toegeroepen moeten worden. Dit zijn op het eerste oog sympathieke oplossingen, maar ook hiervan is de vraag of deze oplossingen een ander lot beschoren zal zijn dan het referendum en de burgerraden.

De oplossingen staan of vallen met de vraag of de premisse van het boek, waarin zoals gezegd een tweedeling tussen theoretisch en praktisch opgeleiden het uitgangspunt is, wel hout snijdt. In de daarop gebaseerde oplossingen zit op het eerste gezicht wel een zekere logica: er is vastgesteld dat de opleidingskloof een probleem vormt bij het nemen van politieke besluiten vanwege ondervertegenwoordiging van praktisch opgeleiden, en dat probleem moet daarom opgelost worden door middel van een betere vertegenwoordiging van praktisch opgeleiden. Dat op een dergelijk binair onderscheid het een en ander valt af te dingen zegt bijvoorbeeld collega-academicus Jan-Willem Duyvendak. Hij nuanceert dit onderscheid, en merkt fijntjes op dat je met een een academische bul niet per definitie tot de elite behoort, omdat er vandaag de dag nu eenmaal veel meer theoretisch opgeleiden zijn dan vroeger.2 Gezien het feit dat het aantal theoretisch opgeleiden de afgelopen decennia fors is toegenomen, is de vraag wat daar de oorzaak van is. Het is lang niet altijd zo dat opleidingsniveau één op één correspondeert met iemands mens- en wereldbeeld. Wanneer we Pim Fortuyn en Thierry Baudet, of over de grenzen aan Alice Weidel en Sarah Wagenknecht, hun opleidingsniveau afzetten tegenover hun wereldbeeld en dat van de kiezers die zij vertegenwoordigen, dan blijkt al gauw dat er wel wat valt af te dingen op een onwrikbaar verband tussen opleidingsniveau en beleidsvoorkeuren.

Allereerst de vraag naar het ontstaan van het groeiend aantal hoogopgeleiden. In de gehanteerde definitie gaat het om een zero sum game, wat betekent dat er bij verschuivingen tussen de groepen slechts twee mogelijkheden zijn: op het moment dat het aantal praktisch opgeleiden stijgt, daalt het aantal theoretisch opgeleiden en omgekeerd. Een feit is dat er de laatste decennia veel theoretisch opgeleiden bij zijn gekomen, van 11 procent in 1981 naar 35 procent in 2021.3 Cruciaal is natuurlijk de vraag of er werkelijk zoveel slimme mensen bij zijn gekomen. Een reële mogelijkheid is dat de eisen voor het hoger beroepsonderwijs en de universiteit in de loop der jaren geleidelijk genivelleerd zijn, zodat er slechts in naam een steeds groter aantal theoretisch opgeleiden is. Hoewel deze opties ook kunnen overlappen, zijn er sterke tekenen dat er inderdaad van diplomanivellering sprake is. Het onderscheid tussen mensen met een theoretische en praktische opleiding is (lang) niet meer zo evident als die in het verleden is geweest. Nederlandse scholieren zijn bijvoorbeeld door de jaren heen telkens slechter gaan scoren bij het gerenommeerde PISA-onderzoek, met name op het gebied van leesvaardigheid.4 Ook is er sprake van een verschoolsingstendens op het hbo en de universiteit, die zich uittekent in aanwezigheidsplichten, groepsopdrachten en presentaties geven voor de klas.5 Met dergelijke onderwijsvormen onderscheidt het hoger onderwijs zich in steeds mindere mate van de onderwijsvormen op het mbo. De meer welgevallige gedachte dat ‘we’ de genetische loterij hebben gewonnen en over de meest intelligente generatie in decennia beschikken, moet daarom met een flinke korrel zout worden genomen.

Een belangrijke reden dat het onderscheid theoretisch/praktisch opgeleid minder in beton gegoten is dan de auteurs doen voorkomen, is vanwege het feit dat het met de kansengelijkheid van het (hoger) onderwijs in Nederland goed gesteld is.6 Vergeleken met andere landen is het collegegeld in ons land laag en is de toegang tot hoger onderwijs met allerlei sluipwegen ondervangen, zodat er nog steeds ‘geklommen’ kan worden - ook als je geen vwo-advies krijgt in groep 8. Met een redelijk stel hersens, discipline en doorzettingsvermogen moet vandaag de dag in ieder geval de stap naar het hoger beroepsonderwijs voor een groot deel van de Nederlandse studenten te zetten zijn. Aangezien 85% van de mensen in de normaalverdeling over tenminste een intelligentiequotiënt van 85 of hoger beschikt, is zelfs de vraag of karaktereigenschappen uiteindelijk niet meer van belang zijn of iemand in staat is om een theoretische opleiding te volgen, dan een grote variatie in aangeboren verstandelijke vermogens. Dat is nu net het uitgangspunt van Bovens en Wille, waarmee zij hun oplossing van gelijke uitkomsten rechtvaardigen. Maar zijn allerlei individuele (of groeps-)keuzes op het gebied van de levenswijze, die uitmonden in een langere levensduur en het ervaren van geluk, wel één op één aan opleidingsniveau te koppelen? Hoewel opleidingsniveau een rol kan spelen, is het de vraag of de sociale omgeving en de opvoeding niet een minstens zo’n grote rol spelen. Dat de auteurs hier geen woorden aan wijden is een gemiste kans, hoewel begrijpelijk omdat zij hiermee de grenzen van hun vakgebied zouden overschrijden. Ook zouden ze daarmee gebied betreden waar de politiek maar een zeer beperkte zeggenschap heeft. Leefstijl en opvoeding vallen in een liberale samenleving nu eenmaal onder het privédomein, waar de staat geacht wordt zich zoveel mogelijk van te onthouden, om te voorkomen dat zij een ongewenste politieke richting inslaat. Voor dit eeuwige, telkenmale terugkerende politieke probleem, dat inherent is aan de spanning tussen vrijheid en gelijkheid binnen een liberale samenleving, bestaat dan ook geen politieke oplossing.

Terwijl de student die binnen de normaalverdeling valt op het mbo zonder al te veel inspanning zijn of haar diploma kan halen, is dit op het hbo en met name de universiteit minder vanzelfsprekend. De leerstof die uit praktische onderdelen bestaat is daar verhoudingsgewijs kleiner en het deel theoretische kennis dat men zelfstandig onder de knie moet krijgen groter. Er zijn op zowel het hbo als de universiteit veel minder contacturen dan op het mbo, waardoor je meer op jezelf bent aangewezen om de vrije tijd die je hebt aan je studie te besteden. Om deze opleidingen succesvol te kunnen afronden zal je zelfstandig veel meer tijd en energie aan moeten je studie moeten besteden dan op het mbo het geval is. Om te slagen is het soms nodig dat de student bereid moet zijn om offers te brengen of zelfs een innerlijke verandering moet willen ondergaan, waarbij hij zijn eigen wereldbeeld, leefgewoontes en normen en waarden ter discussie moet durven stellen.7 Dat wordt echter lang niet door iedere student onderkend, waardoor velen de poging tot een theoretische opleiding na enige tijd staken. Even beroemd als berucht is de anekdote van menig decaan die op de eerste dag van je nieuwe opleiding zegt om maar even goed naar links en naar rechts te kijken, omdat de kans groot is dat je één van beide medestudenten naast je over een paar maanden niet meer terug zult zien. De charme van jong zijn betekent ook dat je fouten kan – en mag – maken. Tegelijkertijd is het wel zo dat een eenmaal gemaakte keuze tijdens de studietijd vrij bepalend is voor het latere beroepsleven en lastig te herstellen valt, waardoor het voor spijtoptanten moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn om op latere leeftijd naast je baan alsnog een theoretische opleiding te voltooien.

Helaas is de realiteit dat de innerlijke verandering voor slechts een kleine groep gemotiveerde studenten geldt of vaak maar tijdelijk wordt voltrokken, tot het moment aanbreekt dat de externe beloning van het diploma wegvalt. De doorsneestudent is nu eenmaal hoofdzakelijk gericht op het hebben van een leuke tijd, het behalen van tentamens en als het even kan het verwerven van een CV’tje met nevenactiviteiten, in de hoop daarmee na de studie de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De overgrote meerderheid is daar tevreden mee en raakt na het afstuderen in de ban van carrière en privéleven, waarna er zelden of nooit nog een boek wordt opengeslagen. Een beetje kritische geest weet dat een vierjarige studie, zeker in de versplinterde wetenschapswereld van vandaag de dag, pas het begin is: naarmate je meer leert besef je immers pas hoe weinig je voordien hebt geweten en hoeveel je – juist na je afstuderen – nog steeds niet weet.8 Dan moet je wel de grenzen van je eigen vakgebied – en ego – willen verkennen, een stap die lang niet iedereen gegeven is. Het past een werkelijk theoretisch opgeleide burger niet om achterover te gaan hangen na het behalen van zijn diploma. In tegendeels zelfs, een theoretisch opgeleide burger past een grote mate van intellectuele bescheidenheid, omdat hij zelfkennis heeft verworven en juist weet hoeveel hij nog niet weet.

Paradoxaal genoeg is dat wellicht ook de richting waarin de oplossing voor het elite-probleem moet worden gezocht, namelijk dat het theoretisch opgeleide volksdeel weer werkelijk een elite wordt, niet slechts financieel gezien, maar ook in woord en daad. De zalvende woorden die de huidige theoretisch opgeleide elites spreken over ongelijkheid, diversiteit en duurzaamheid vinden namelijk weinig resonantie bij praktisch opgeleide burgers die het doel en de middelen daarvan niet onderschrijven, en zich met name bekommeren over de kosten daarvan.9 Praktisch opgeleide burgers die tegelijkertijd zien dat de woorden van theoretisch opgeleide burgers weinig om het lijf hebben, zolang zij die zeggen zich te bekommeren over het klimaat zich naar menig klimaatconferentie laten vliegen, zij die wat over economische ongelijkheid prevelen in exclusieve vinexwijken zetelen en zij die klagen over een onderwijskloof hun eigen kinderen nooit en te nimmer naar het vmbo zullen sturen.

In plaats van een dergelijke schijnelite, die vooral veel praat en weinig handelt, zou een echte elite, die zich het credo noblesse oblige opnieuw toe-eigent, een verademing zijn.10 De leidende elites in ons land lijken bezeten te zijn door gelijkheidsmanie, en met één ‘probleem’ opgelost lijken er weer drie nieuwe vormen van ongelijkheid te ontstaan. Dat een dergelijke tendens ondermijnend is voor een gezonde en vitale samenleving, behoeft geen betoog. Wat we daarom nodig hebben is een elite die zich in plaats van op een netwerk, diploma en inkomen beroemt, zich (weer) laat voorstaan op intellectuele deugden als moed, verstandigheid, wijsheid en gematigdheid. Die een grondige historische en literaire kennis weet te combineren met een gezonde dosis gezond verstand en haar woorden in overeenstemming met haar handelen brengt. Uit de hausse rond Pim Fortuyn en meer recent nog Thierry Baudet blijkt dat een elite die zich niet schaamt voor haar elitarisme wel degelijk op prijs wordt gesteld, juíst door praktisch opgeleiden. Hieruit volgt ook dat de oplossing om meer praktisch opgeleiden in de politiek te realiseren een schijnoplossing is, aangezien populistische partijen geleid door elitaire figuren nu juist wél in staat zijn om praktisch opgeleide kiezers aantrekken.11 De these dat stemgerechtigden geneigd zijn te stemmen op hun evenknie qua opleidingsniveau, en de in dat kader voorgestelde oplossing voor een betere representatie, is daarmee moeilijk vol te houden. Het gaat veeleer om denkbeelden die mensen hebben opgedaan in de sociale omgeving waarin zij zijn opgegroeid en verkeren, dan om het niveau van de opleiding die zij hebben doorlopen.12

De drie andere maatschappelijke oplossingen die de auteurs aandragen, het sturen op gelijke uitkomsten in plaats van kansen, meer waarde toekennen aan praktische diploma’s en de segregatie in het onderwijs tegengaan, zijn vanuit dit perspectief evenmin aanbevelenswaardig. In het licht van voorgaande zou juist gestuurd moeten worden op een brede en algemene vorming, zodat de eisen die gesteld worden aan theoretisch opgeleiden weer omhoog kunnen en alleen de meest bekwamen in staat zullen zijn een theoretische opleiding te volgen. Een mooi neveneffect daarvan is dat daarmee tegelijkertijd ook de scheefgroei op de arbeidsmarkt wordt tegengegaan.13 Al met al lijkt er geen sprake te zijn van een opleidingskloof, maar veel meer van een opinie- of leefstijlkloof, die voortkomt uit - en correspondeert met - de sociale omgeving waarin de meeste mensen, zowel praktisch als theoretisch opgeleiden, verkeren. Om het bestaansrecht van een elite, bezijdens de economische verschillen en verschillen in levensstijl, te laten voortduren, zal daarom het concept van de theoretische opleiding weer terug moeten keren naar haar oorsprong. Dat dat in een democratische samenleving niet de brede maar de smalle weg is, spreekt voor zich. Als theoretisch opgeleiden, zoals Bovens en Wille, desondanks nog steeds voor de brede weg van de gelijke uitkomsten willen gaan, dan ligt de oplossing voor de hand: de huidige elite zal en masse bereid moeten zijn haar eigen maatschappelijke positie op te geven, iedere avond verplicht moeten worden om naar commerciële televisie te kijken, en moeten verhuizen naar een achterstandswijk waarbij de kinderen naar de aanpalende vmbo-school worden gestuurd. Mocht dit desondanks nog steeds vormen van maatschappelijke ongelijkheid opleveren, in welke vorm dan ook, dan lonkt nog altijd de mogelijkheid van de staatsopvoeding. Laten we hopen dat onze elites, die tot nog toe woorden tekort kwamen om hun maatschappelijke genegenheid te tonen, linksom of rechtsom, nu ook eens in daad tot eenzelfde enthousiasme te bewegen zijn!