Onhoudbare maanden
| 19 minuten leestijd
Onhoudbare maanden

Onhoudbare maanden

José Calvo Sotelo en het begin van de Spaanse Burgeroorlog

Even voor zessen viel de schemer over Madrid, het was een irrelevante gebeurtenis, Spanje verkeerde al in een duisternis die geen zonlicht kon verdrijven. Buiten begaf men zich nog van en naar het stembureau, heren met een hoed op, dames met hun handtas en minder welgestelde types met pet, maar allen met een zo dik mogelijke jas, want het was koud in de Spaanse hoofdstad. Binnen tekende men opgekomen kiezers op en verzamelden zich briefjes in de stembus. Om de as van de stembussen draaide Spanje, als een planeet op zich, het land nog in een balans die weldra vernietigd zou worden. Lang niet iedereen besefte de gewichtigheid van het moment, voor de meesten ging het leven door. De politiek was slechts een van de zoveel dingen waar op een dag tijd voor moest worden ingeruimd, net als de gang naar het café. Al zorgden de levendige discussies aan de tafeltjes daar dat de twee zaken gewoonlijk gecombineerd konden worden. Zowel de politiek als de drank en de dames hoorden bij het leven, maar het verschil was dat de drank en de dames iedereen konden bekoren en dan mocht er wel eens om worden gevochten, er vielen zelden doden door.


Toch moet er, op zijn minst bij sommigen, grote spanning zijn geweest. Een afwachtende houding, die ieder in eigen kring in stilte doormaakte. Wachtende families, vader starend door het raam, moeder enigszins afwezig aan de was. In zulke huishoudens, waar de volwassenen van de situatie doordrongen waren, zullen alleen de kinderen niet hebben begrepen wat er gaande was. Wellicht hebben enige mensen, ongetwijfeld oudere vrouwen, zich nog naar de kerk begeven om te bidden voor een goede uitslag en een oplossing voor het noodlijdende Spanje. Maar wat was een goed uitslag? Voor hen die gebeden hebben was die heel anders dan voor hen die dat niet hebben gedaan. En wat was dan die oplossing? Want zou niet elke oplossing nieuwe, onoverkomelijke problemen met zich mee brengen? De logica van de situatie eiste bloed, dat was sinds Asturië ’34 onoverkomelijk geworden. De helderzienden wisten dit, ook als ze het vast niet allemaal onder ogen hebben durven zien. Hulpeloos zochten sommige nog naar een vreedzame uitkomst die de puzzel paste. Dit was onmogelijk. Een overwinning voor het Volksfront zou revolutie en daardoor contrarevolutie teweeg brengen, een overwinning van de nationale partijen zou contrarevolutie en daardoor revolutie teweeg brengen. Een overwinning van het midden was wellicht het enige dat een bloedbad had kunnen voorkomen, maar dat het midden nauwelijks steun had, was onmiskenbaar.

Zo kwam de schemer over Spanje en wie zou winnen wist nog niemand.

“Geef mij een absolute meerderheid en ik geef u een groot Spanje.”

José María Gil-Robles

Naarmate de avond doorzette tekenden die verhoudingen zich wel af. Oude vertrouwde lijnen vonden hun wegen terug door het dorre landschap. Dat het groene Navarra, met zijn kleine zelfstandige boeren, gekenmerkt door hun bijna middeleeuwse katholicisme, voor rechts zou zijn was geen verassing. Net zo min kan het verrassend hebben geheten dat de in bittere armoede levende dagloners van het hete Andalusische platteland hun stem gaven aan de socialistische partijen die claimden om voor hen op te komen. Daar zouden de verkiezingen ook niet worden beslist. Ook de uitslag in de hoofdstad, waar de stem van de arbeiders die van de midden- en bovenklasse met gemak aftroefde, was een weinig twijfelachtige. Niet dat rechts het niet alsnog geprobeerd had overigens. Tijdens de gehele verbeten verkiezingsstrijd prijkte het gezicht van José María Gil-Robles, de leider van de katholiek-conservatieve Confederación Española de Derechas Autónomas (CEDA), de belangrijkste partij op rechts, op een groot aanplakbiljet op de Puerta del Sol, tussen de neonreclame. Zijn boodschap was de boodschap van heel rechts geweest: “Estos son mis poderes. Dadme la mayoria absoluta y os dare una España grande.” Dit zijn mijn machten. Geef mij een absolute meerderheid en ik geef u een groot Spanje.

Gil-Robles op de Puerta del Sol.

Gil-Robles op de Puerta del Sol.

In het groene, noordelijke Galicië, dat eigenlijk altijd meer weg heeft gehad van Portugal dan van Spanje, had de verkiezingsstrijd zijn eigen dynamiek. De regionalistische Partido Galeguista had zich aangesloten bij het Volksfront, de brede coalitie van linkse partijen, die vooral verenigd waren door hun oppositie tegen de regering van het centrum en rechts dat voor de verkiezingen had bestaan. Het was een logische keuze geweest, voor links was een autonome status voor Galicië acceptabel, voor rechts niet. Net als bij de Basken en Catalanen oversteeg een etnische eigenheid de eigenlijke politieke kleur van de regio. Anders dan in die twee streken bleek bij het binnenkomen van de resultaten dat dit effect in Galicië beperkt was tot twee van de vier circunscripciones (kiesdistricten). Alleen in de kustdistricten La Coruña en Pontevedra, wist het Volksfront met respectievelijk 42% en 42,2%, 40% was benodigd voor de winst, de grootste te worden. In Lugo haalde het centrum 41,7% en won het, zoals bij alle drie de verkiezingen die tijdens de Tweede Republiek plaatsvonden. Alleen in Orense won rechts en met goede reden, daar werd de rechtse combinatielijst aangevoerd door een wel heel uitgesproken kandidaat: de 42-jarige monarchist José Calvo Sotelo.

Calvo Sotelo was een geboren Galiciër, hoewel zijn jeugd er een was van constante verhuizingen door zijn vaders werk als rechter. In 1936 draaide hij al even mee in de Spaanse politiek. Hij had rechten gestudeerd in Zaragoza en later Madrid, waar hij in 1913 betrokken was geraakt bij de conservatieve herstelbeweging van Antonio Maura. Na een korte betrekking op de universiteit en het Ministerie van Justitie, koos Calvo Sotelo voor een toekomst in de politiek. In 1919 werd hij als 25-jarige verkozen voor het kiesdistrict Carballiño, zijn eerste overwinning in de provincie Orense. Nog geen twee jaar later was hij civiel gouverneur van Valencia en hij had de wind in de zeilen. Door de in 1923 gevestigde dictatuur van Miguel Primo de Rivera te steunen, verzekerde Calvo Sotelo zichzelf van nieuwe posten. Eerst als directeur generaal van de lokale administratie, waar hij de gemeentes hervormde en vanaf 1925 als Minister van Financiën. Met de val van Primo in 1930 kwam aan die functie een einde. In 1930 kwam aan bijna alles een einde voor mannen als Calvo Sotelo. Slechts de gang naar het buitenland restte hen. Calvo Sotelo vertrok naar Portugal, waar Dr. Salazar hem warm onthaalde en later naar Parijs. Toch stond hij twee keer kandidaat voor de Cortes in Orense, hij werd verkozen, maar zijn zetel bleef leeg. Pas toen de liberalen en socialisten van winnaars van 1931 naar verliezers van 1933 gingen, kwam terugkeren in het vooruitzicht.

In 1934 regelde de centrumregering, die afhankelijk was van een gedoogconstructie met Gil-Robles, inderdaad een amnestie. Zonder enig weifelen stortte Calvo Sotelo zich onmiddellijk weer op de politiek. In ballingschap was hij geradicaliseerd in de richting van het fascisme, mede door contact met Charles Maurras en de Action Française. Hij had zichzelf het doel gesteld om in Spanje alle nationale krachten te verzamelen en te verenigen achter een autoritaire vaderlandse politiek. Aanvankelijk leek hem de Falange Española de las Juntas de Ofensiva Nacional Sindicalista (FE de las JONS), de enige fascistische partij van Spanje, daarvoor het juiste vehikel, maar José Antonio Primo de Rivera, de zoon van Miguel en leider van de Falangisten, vond zijn vaders voormalige minister van Financiën te reactionair en bovendien een bedreiging voor zijn eigen leidersrol. Daarom was het de Renovación Española waar Calvo Sotelo uiteindelijk zijn politieke thuis zou vinden. Deze partij was monarchistisch, van de Alfonsijnse richting en zowel reactionair, als nationaal, als autoritair. Al kort na zijn intreding was het Calvo Sotelo, en niet de officiële partijleider, mede-oud Maurista Antonio Goicoechea, die de feitelijke voorman van de partij werd.

In Calvo Sotelo’s afwezigheid was de kiem voor de burgeroorlog geplant en bewaterd. In het kort waren er twee kampen ontstaan die elkaar onmogelijk konden accepteren. De geboorte van de republiek en de verkiezingswinst van de socialisten en liberalen in 1931 had gezorgd voor een antiklerikale hervorming van de grondwet en een landbouwwet die beide indruisten tegen de kern van het Oude Spanje. De verkiezingswinst van Gil-Robles en zijn CEDA in 1933 zette het liberaal-socialistische project op pauze en dreigde om te slaan in een katholiek-corporatistische dictatuur, zoals in Portugal en Oostenrijk, daarmee indruisend tegen de kern van het Nieuwe Spanje. De liberale president, Niceto Alcalá-Zamora, weigerde hierom een CEDA regering aan te stellen. Toen Gil-Robles toch drie ministers het kabinet in wist te manoeuvreren, reageerde links met een staking in Madrid, de secessie van Catalonië en een heuse revolutie in Asturië. Het waren met name de idealistische hartstocht van de revolutionairen en de bloedige repressie door het leger in Asturië, die het wantrouwen en de haat verhevigden tot een onherstelbaar punt. Na Asturië was een compromis inderdaad nagenoeg uitgesloten en leek de toekomst steeds meer een zaak van wij of zij. Wij en zij vochten dan ook verder, op kleine schaal, maar daardoor was het land wel instabiel.

Deze guerrilla civil was het terrein van jonge mannen, onder wie extremisme hoogtij vierde. Het waren jongens die hun idealen niet in de weg lieten zitten door wat wel en niet legaal was. Elke beweging kon rekenen op zijn eigen pistoleros. De anarchisten, voornamelijk arbeidersjongens en op het platteland boeren, waren door de aard van hun ideologie natuurlijk van meet af aan volledig doordrongen van de noodzaak tot geweld en waren dan ook al decennia bedreven in het schieten. In de steden schoten ze net zo lief op de socialistische jongeren als op rechts, op het platteland was de Gaurdia Civil de grote vijand. De socialistische jongeren stonden ook voor revolutie, hetgeen natuurlijk net zo zeer beïnvloed werd door de omstandigheden als door de jeugdige neiging tot radicalisme. De jongeren en de ouderen vonden elkaar in dit opzicht trouwens binnen de Partido Socialista Obrero Español (PSOE). De leider van de revolutionaire vleugel van de socialistische partij, Francisco Largo Caballero, ook wel bekend als ‘de Spaanse Lenin’, was al 67. Na de verkiezingen van 1936 zou de socialistische jeugdbeweging zich verenigen met de communistische en verdergaan als de Juventudes Socialistas Unificadas (JSU). Daar werd de schietlust uiteraard niet minder door.

De rechterflank bleef niet achter in het plezier om voor ideeën te doden. Het fenomeen van ferme rechtse jongens die een nieuwe wereld zouden schapen, was in de jaren ’30 internationaal en Spaans rechts was erdoor beïnvloed. De CEDA had een jeugdbeweging, de Juventudes de Acción Popular (JAP), die sterk was aangetrokken tot het fascisme en zich net zo gemakkelijk van geweld bediende als zijn tegenstanders. JAPistas waren vaak jongens uit de middenklasse, hoewel ook de bovenklasse bijdroeg. Dit waren de heertjes of señorito’s, die overdag op café zaten en ’s avonds met de Hispano-Suiza van hun vader een rondje door de arbeiderswijk reden en bekende socialisten doodschoten met pistolen of machinepistolen. De Carlisten deden hetzelfde en bereidden zich bovendien voor op een echte oorlog. Daar had hun beweging immers ervaring mee. Generaal Varela trainde hen. De Falangisten waren de rechtse koningen van de straatterreur, de grootste señorito’s denkbaar. José Antonio, hoewel een señorito, was geen voorstander van moorden, maar het was vechten tegen de bierkaai. Zijn jongens hoopten dat uit het vijandige bloed dat zij in de stoffige straten vergoten, Spanje opnieuw geboren zou worden, geen terugkeer, maar een nieuwe fase van het eeuwige Spanje. Het is lastig om te claimen dat ze ongelijk kregen.

De verkiezingen van 1936 maakten de onhoudbare situatie acuut en daarom dodelijk. Links won de verkiezingen, dus rechts was aan zet. Contrarevolutie was de eerste reflex van de rechtse politici. Gil-Robles vroeg de centristische premier Portela, een vriend van president Alcalá-Zamora, om de staat van oorlog af te kondigen, niet veel later verzocht Francisco Franco, op dat moment de stafchef van het Spaanse leger, datzelfde en ook Calvo Sotelo bezocht de premier om dat verzoek kenbaar te maken. Het uitroepen van de staat van oorlog zou gelijk hebben gestaan aan een staatsgreep en het land onder militair recht hebben gebracht. Uiteindelijk gebeurde er niets, Portela was in paniek, hij was geen man van rechts en wilde vooral van zijn verantwoordelijkheid af, Gil-Robles en Calvo Sotelo hadden geen soldaten onder zich en Franco durfde niets zolang de Guardia Civil hem niet steunde. Dus ging de macht over van het midden naar links, gewoon via de Cortes. De middenklasse sidderde, vroeg zich af waarom hun politici gefaald hadden en hoe ze de komende revolutie gingen overleven. Met name Gil-Robles kreeg de toorn van zijn kiezers over zich heen. Hij had een rechtse republiek beloofd, maar had zich ondanks stoere taal altijd aan de democratie gehouden, dan wel door loyaliteit, dan wel door lafheid. Nu leek de democratie compleet irrelevant. Het deel van het volk dat zijn belangen, levens, misschien zelfs wel algehele voortbestaan in serieus gevaar zag komen, had geen boodschap meer aan zetels en redevoeringen in de Cortes. Gil-Robles ging onder en Calvo Sotelo kwam op. Want de Galicische oud-advocaat had precies alles dat het uur eiste: Het verleden, het persoonlijke gewicht, de retorische gaven en nog belangrijker: een voorkeur voor het antidemocratische. Al tijdens de verkiezingscampagne was Calvo Sotelo met zijn doodsverklaringen aan de grondwet, verzekering dat de volgende Cortes grondwetgevend zou zijn en levendige waarschuwingen voor revolutie een nationale bekendheid geworden. Nu werd hij de leider van de oppositie. JAPistas verlieten de CEDA voor de Renovación Española en de FE de las JONS. Rechts stond naar geweld, maar een oorlog was er nog niet, dus werden er aanslagen gepleegd.

Ondertussen was ook het Spaanse leger gespleten tussen de twee kampen in de samenleving. Zoals de centristische regering bij het aanwijzen van posten de rechtse officieren had voorgetrokken, zo bevoordeelde de nieuwe linkse regering linkse officieren. Franco moest zijn functie als stafchef neerleggen en werd in plaats daarvan commandant van de Spaanse troepen op de Canarische Eilanden, zo ver mogelijk van de politieke woelingen op het schiereiland. Toch waren zulke verplaatsingen geen garantie voor de veiligheid van de republiek. Gedurende het voorjaar van 1936 kreeg er alsnog een complot tegen de Volksfrontregering vorm. Van essentieel belang hierbij was brigade-generaal Emilio Mola, onder Primo de Rivera nog Directeur-Generaal van de Veiligheid, die sinds 1931 het bevel voerde over de legereenheden in Navarra. Vanuit Pamplona begon Mola, die zichzelf in geheime correspondentie ‘El Director’ noemde, medestanders te zoeken om een staatsgreep te plegen. Die waren er binnen het Spaanse leger zeker te vinden. Een rechts officiersnetwerk genaamd de Unión Militar Española (UME), dat vooral jonge en lagere officieren tot zijn rangen mocht rekenen, erkende Mola al gauw als hoofd in Noord-Spanje. Onder de hogere officieren kon Mola rekenen op enkele bekende namen, generaals als Goded, Fanjul en de bebaarde Cabanellas, maar medewerking van Franco bleef onzeker. De commandant van het Canarische garnizoen mocht dan wel conservatief zijn, hij woog toch vooral zijn kansen af. Buiten het leger probeerde Mola te rekenen op de politieke partijen. De CEDA had niet echt de capaciteit om militair veel bij te dragen, maar de partij beschikte wel over een aanzienlijke partijkas die het nu niet meer nodig had en dan ook aan Mola overdroeg. De Carlisten hadden milities, de zogeheten Requetés, die snel uitgebouwd konden worden, maar waren zowel letterlijk als figuurlijk niet happig om onder een andere vlag dan hun Bourgondische kruis te vechten. De Falangisten wilden ondertussen al tijden niets anders dan vechten, maar hun leider hield hen tegen en José Antonio sloot zich dan ook niet zomaar bij een complot aan. Een opstand, zeker een succesvolle, was dus allesbehalve vanzelfsprekend.

Ondertussen was de straatterreur gegroeid tot een serieuze surrogaatoorlog. Ook hier eiste de UME een rol voor zichzelf op. De organisatie zorgde voor de lijsten van te liquideren vijanden die de Falangistische pistoleros gebruikten bij hun ‘werk’. Het was op een van deze lijsten dat de namen Carlos Faraudo en José Castillo ergens bovenaan moeten hebben gestaan. Faraudo was een revolutionair socialistische kapitein van de ingenieurs en bevriend met Largo Caballero. Castillo was van eenzelfde politieke kleur en luitenant van de Guardia de Asalto, de stedelijke aanvulling op de Guardia Civil. Hij was het geweest die rechtse rellen had neergeslagen die waren uitgebroken naar aanleiding van linkse beschietingen van de begrafenisstoet van Guardia Civil lid Anastasio de los Reyes, die op zijn beurt weer door links was doodgeschoten. Bij het neerslaan van die rellen kwamen drie rechtse mannen om, waaronder Andrés Sáez de Heredia, een neef van José Antonio. Bovendien waren zowel Castillo als Faraudo lid van de Unión Militar Republicana Antifascista (UMRA), de linkse tegenhanger van de UME, en hielpen ze beide, Castillo naar aanleiding van de moord op Faraudo, bij de militaire trainingen van de socialistische jeugdbeweging. Toen Faraudo op 8 mei ’s avonds naast zijn vrouw door de Madrileense Calle de Lista liep, schoten Falangisten hem neer. Hij overleed de dag erna in het ziekenhuis. Castillo’s verloofde ontving de maand erop een anonieme brief met de vraag waarom ze met hem ging trouwen als hij toch zo snel een lijk zou worden. Op de avond van 12 juli stapte de luitenant zijn woning uit om op weg te gaan naar zijn nachtdienst. Vier Falangisten met revolvers hadden hem de hele namiddag op staan wachten en openden het vuur. Castillo was op slag dood.

“Ik zal snel bellen. Tenzij, deze heren van plan zijn vier kogels door mijn lijf te jagen.”

José Calvo Sotelo

Het nieuws veroorzaakte grote ontsteltenis in het hoofdkwartier van de Guardia de Asalto die gevestigd was in de kazernes van Pontejos, naast het Ministerie van Binnenlandse Zaken in de Puerta del Sol. De kameraden van de luitenant waren woedend en gebroken, ze eisten maatregelen tegen de Falange en wilden daarnaast simpelweg wraak. Minister van Binnenlandse Zaken Juan Moles gaf hen toestemming om enkele falangisten op te pakken, maar enkel hen die op zijn lijst stonden. Zo vertrok dienstwagen N.17, een lange open auto met twee enkele banken en twee paren naar elkaar gerichte banken, de nacht in. Het was ondertussen al de 13e juli, 2 uur ‘s nachts. Het bevel over de groep van acht mannen van de Guardia de Asalto en vier ingehuurde leden van de PSOE, allen in burger, lag bij een kapitein van de Guardia Civil en goede vriend van Castillo, Fernando Condés. Het adres van de eerste falangist op de lijst bleek verkeerd. Hij woonde er niet. Een van de mannen stelde voor om naar Gil-Robles te gaan en hem op te pakken. Gil-Robles bleek niet thuis, hij was op dat moment in Biarritz. Daarop viel de naam Calvo Sotelo en de vrachtwagen vertrok de Madrileense nacht in op weg naar de Calle de Velázquez. Bij nummer 89 stapten enkele mannen uit. Ze vroegen de sereno (nachtwaker) om toegang tot het gebouw en die werd gegeven. Daarop beklommen ze onder leiding van Condés de trap naar het appartement van de monarchist en belden aan. Calvo kwam uit bed en opende deur, waarop de mannen hem zeiden dat zij van de Guardia de Asalto waren en een huiszoeking kwamen doen. Condés liet zijn papieren zien en Calvo Sotelo gaf zijn akkoord. Na binnenkomst sneden Condés’ mannen de telefoon af. Calvo Sotelo’s vrouw was ondertussen bezorgd polshoogte komen nemen. Condés vroeg de parlementariër om mee te komen naar de Directeur-Generaal van de Veiligheid. Calvo Sotelo wilde daarop eerst naar hem bellen om te vragen of dat echt nodig was om drie uur ’s nachts, maar de telefoon deed het niet. Toen Calvo’s vrouw hulp wilde gaan halen hielden Condés’ mannen haar tegen. Calvo Sotelo kon geen kant op. Zonder keuze kleedde hij zich aan, kuste zijn slapende kinderen vaarwel en keek voor mee te gaan nog een laatste keer om naar zijn vrouw. Hij zei haar: “Ik zal snel bellen. Tenzij, deze heren van plan zijn vier kogels door mijn lijf te jagen.”

Wagen N. 17, met zijn vreemde banken. Inzet: Calvo Sotelo.

Wagen N. 17, met zijn vreemde banken. Inzet: Calvo Sotelo.

Op de straat wachtte wagen N. 17. Condés stapte voorin en ging naast de chauffeur zitten. Calvo Sotelo zat op de achterste bank van het eerste paar en keek dus vooruit. Achter hem zaten nog zeven mannen, vier met hun rug naar hem toe, drie daar tegenover. De auto startte en reed. Nog geen 500 meter verder, op het kruispunt van de Calle de Velázquez en de Calle de Ayala, klonken twee knallen. Toen Condés achterom keek zag hij dat de monarchistische politicus van de bank af was gegleden en nu onder het bloed tussen de stoelen lag. Het was de jonge Galicische socialist, Luis Cuenca, die met zijn rug naar Calvo Sotelo zat, die zich om had gedraaid, zijn pistool in de nek van zijn streekgenoot had gezet en twee keer de trekker had overgehaald. Calvo Sotelo was op slag dood. De wagen koos een nieuwe route en verdween richting het Oostelijke Kerkhof waar de moordenaars het lichaam overdroegen aan het personeel, zonder daarbij overigens te vertellen wie het was. Zowel Condés als Cuenca zocht daarna contact met de PSOE om te vertellen wat er gebeurd was. Daar besefte men zich maar al te goed wat de implicaties van de moord waren. Toen Condés ten overstaan van PSOE leider Prieto hintte op zelfmoord, reageerde die laatste dat er weldra genoeg kansen zouden zijn om eervoller te sterven. Mevrouw Calvo Sotelo had ondertussen de gehele nacht geprobeerd informatie in te winnen bij de Directeur-Generaal van de Veiligheid, maar die gaf niet thuis. Het lichaam op het Oostelijke Kerkhof zou pas aan het einde van de ochtend geïdentificeerd worden. Daarna barstte Madrid bijna uit zijn voegen van emoties.

Nu was het oorlog, of er nou geschoten werd of niet. Zelfs Prieto, voorheen de reformistische van de PSOE leiders, vroeg in de late uren van de 13e de regering om wapens voor het volk, hetgeen revolutie zou hebben betekend. Hij wilde liever oorlog dan een “ondraaglijke reeks moorden”. De rechtse boven- en middenklasse wilden ook bloed zien. Democratie was het goorste woord dat een mens op de lippen kon hebben. Democratie had dit veroorzaakt. Daarom werd op de 14e het lijk van Calvo Sotelo, gekleed in een pij, begroet door een haag uitgestrekte rechterarmen van keurige mensen. Calvo Sotelo’s partijkompaan Goicoechea zwoer aan het graf op God dat hij de moord zou wreken. Buiten het Oostelijke Kerkhof schoten Falangisten en Guardia de Asalto op elkaar. Vier mensen raakten dodelijk gewond. De sfeer was buiten zinnen. Op diezelfde dag, op datzelfde gigantische kerkhof werd ook Castillo begraven, zijn kist gewikkeld in een rode vlag. Hij werd gegroet door arbeiders met gebalde vuisten en een droomwereld duidelijk voor ogen. Die twee partijen zouden nooit meer vreedzaam tezamen komen en dat hoefde ook niet. In de dagen voor de moord hadden de Carlisten en generaal Franco als laatsten toegezegd Mola te steunen. De opstand stond gepland voor de 18e en naast correcte planning was nu ook het heilige vuur aanwezig. De opstand begon een dag eerder, de 17e, door een foutje, in de kaartenkamer van het garnizoen van Melilla. Daar sprong het leger van Afrika op, de dagen daarna volgden de garnizoenen en rechtse jongeren op het schiereiland. Zo spoelde het bloed over Spanje en zouden meer dan een half miljoen mensen het lot van Calvo Sotelo delen.

Mooi geschreven; sowieso altijd douze points voor serieuze Nederlandse interesse voor Spaanse geschiedenis.

Eén kleine kanttekening: Het artikel suggereert dat de moord op Calvo Sotelo een vergeldingsactie zou zijn geweest voor de moorden op Castillo en Faraudo. Deze rangschikking van de feiten volgt het standaardrelaas van (linkse/marxistische) geschiedschrijvers, een relaas dat er meestal op uit is om linkse politici van verantwoordelijkheid voor de moord te ontzien.

Deze rangschikking wordt echter volledig onderuitgehaald door de in 2018 opgedoken verklaring van Blas Estebarán Llorente, de chauffeur van de ambulance die in ‘36 het lijk van Calvo Sotelo vanuit het ziekenhuis naar het Almudenakerkhof vervoerde. [ https://is.gd/j3XZPb ]

In deze verklaring vertelt Llorente voor de rechtbank dat hij al in april ‘36, dus drie (!) maanden vóór de moord op Sotelo, door de communistische politicus Jesús Hernández Tomás (later minister) en leiders van de JSU was benaderd om ter beschikking te staan met zijn ambulance om de lijken van Sotelo, Goicoechea en Gil Robles naar het kerkhof te vervoeren. Deze laatsten ontsprongen welbekend de dans. Bovendien vertelt Llorente dat Cuenca de schuld van de moord kreeg omdat hij enkele dagen na de moord zèlf het loodje legde, terwijl het de guardia de asalto Máximo Moreno zou zijn geweest die daadwerkelijk de trekker overhaalde.

Ik kon zo 123 de originele verklaring niet op internet vinden, alleen secundaire bronnen, maar punt blijft dat de moord op Sotelo waarschijnlijk een vooropgezet en van bovenaf gecoördineerd plan was en niet de spontane represaille zoals linkse historici beweren.

Overigens is bovenstaande verklaring onder ede van ambulancebroeder Blas Llorente gedaan in de week vlak na de moord op Sotelo, dus nog vóór de uitbraak van de burgeroorlog, en voor een Republikeinse rechter; hij stond dus op geen enkele manier onder druk om de waarheid te vervormen.

Zeer boeiend en mooi geschreven.

aanleiding en oorzaak. Er waren in de 19e eeuw al drie burgeroorlogen geweest. Spanje was sinds eind 18e eeuw verdeeld in twee kampen die in de 19e en 20e eeuw vanachter maskers hetzelfde gezicht vertonen: behoudend versus progressief. Dat laatste kamp wilde aansluiting bij Europa, huldigde het liberalisme. In de 20ste eeuw kwamen bij het liberale kamp, ook de socialisten en de communisten en de anarchisten. In 1936 begon de 4e Burgeroorlog, waarbij meer dan ooit het buitenland zich betrokken voelde. Men beschouwde het later ook als voorspel op de 2e Wereldoorlog. Spanje was van oudsher een katholiek land, het land dat meer dan enig ander het Evangelie over de wereld had verspreid. In 1931 werd bij een nieuwe grondwet het katholicisme weggestreept. De Tweede Republiek had geen boodschap meer aan de Kerk. Kerkgebouwen werd in brand gestoken, religieuzen op straat neergeschoten, begraafplaatsen ontheiligd. Toen brak de militaire opstand uit, en Franco werd tot leider gekozen. In 1939 kwam er een eind aan de burgeroorlog. Dus de oorzaak zoekt altijd een aanleiding, een druppel die de emmer doet overlopen. Zoals het schot in Sarajewo in de zomer van 1914 tot de eerste wereldoorlog leidde.

@Robert Lemm Hier een film over het vermoorden van priesters in die tijd. Ging een beerput voor mij open waarvan de omvang nog niet tot mij was doorgedrongen. Reinste terrorisme: https://youtu.be/V5t75Sd-lrM