Het veiligste antwoord
| 15 minuten leestijd
James Ensor, De val van de opstandige engelen
James Ensor, De val van de opstandige engelen

Het veiligste antwoord

Over schoonheid, kunst, en leven

‘Indien iets anders schoon is behalve het schone zelf, dan is het, naar ik meen, om geen andere reden schoon dan omdat het aan het schone zelf deel heeft. Hetzelfde constateer ik van alle andere dingen. Kunt ge u met die oorzaaksverklaring verenigen?’

‘Ja’, zei hij.

‘Dan versta ik,’ zei hij, ‘en begrijp ik die andere geleerde oorzaaksverklaringen niet meer. Maar indien men mij vertelt waarom iets schoon is, dáárom omdat het een bloeiende kleur heeft of gestalte of iets anders van dien aard, laat ik het overige buiten beschouwing, want door alle andere dingen word ik in verwarring gebracht en ik houd mij er eenvoudig en kortweg en misschien onnozel aan vast, dat niets anders het schoon maakt dan de aanwezigheid en de gemeenschap met dat schone zelf, hoe en langs welke weg zij ook heeft plaatsgevonden. Want hierover stel ik niets met zekerheid vast, behalve dat door het schone alle schone dingen schoon worden. Dat schijnt mij het veiligste antwoord aan mijzelf en aan een ander. Wanneer ik mij daaraan vasthoud, meen ik nooit te zullen vallen, maar ik voel mij veilig door aan mijzelf en ieder ander te antwoorden dat door het schone alle schone dingen schoon zijn. Gelooft ge dat ook niet?’

‘Stellig.’1


I

We zijn het er gewoonlijk over eens dat kunst draait om het schone. Maar wat is schoonheid? Wat maakt het dat wij iets schoon vinden, en iets anders lelijk? Is het de aanwezigheid van symmetrie of vorm? Duidelijk niet, want wat dan met de schoonheid van een simpele kleur? Is iets mooi wanneer het een verhaal vertelt? Onmogelijk, want wat dan met de schoonheid van het zonlicht? Is de schoonheid daar waar een museumcontext is? Maar wat dan als we er een urinoir aantreffen? En wat met al die werken die nooit een atelier verlieten?

Wanneer we zoeken naar schoonheid komt er een moment waarop we geen criteria kunnen vinden. Schoonheid is, maar ze gaat ons denken te boven. Schoonheid schijnt ons toe, maar geen enkel begrip kan haar vatten. Waar is schoonheid? Is ze nergens? Moeten we onze ervaring ervan dan wegzetten als een illusie? Of is schoonheid overal? Maar wat dan met de dingen die we lelijk vinden, zijn deze dan eigenlijk mooi? In de ervaring vinden we schoonheid, maar in het denken is ze niet te vinden. Wat te doen, wat te vertrouwen? Onze ervaring, of het denken?

Want als we niet kunnen bepalen wat het is dat de schone dingen schoon maakt, is er dan wel iets dat de dingen schoon maakt? Kunnen wij nog wel geloven in de schoonheid van de dingen, wanneer er niets te vinden valt dat hen schoon maakt?

Wanneer we zeggen dat de schoonheid overal kan zijn, lopen we het gevaar dat ze uiteindelijk nergens meer is. Want als schoonheid overal is, waarom dan nog zwoegen om een schilderij te maken naar vorm, als ik simpelweg een kruk in een museum kan zetten? Als iedereen mooi is, waarom dan nog streven naar een gezonder lichaam?

Maar wanneer we een te nauwe opvatting van schoonheid omarmen, zoals dat schoonheid daar is waar er perfecte symmetrie is, staan we dan nog wel open voor de schoonheid van het toeval, van de natuur, of van de simpele kleur?

Alle wegen leiden naar een aporie. Schoonheid valt niet te vinden, en blijkt wat van het karakter van Plato’s sofist te hebben; een moeilijk schepsel om te vangen, met een hele hoop gedaantes, en telkens als we er een van te pakken hebben en daarmee denken de sofist gevangen te hebben, werpt hij zijn huid af en verschijnt elders in een nieuwe gedaante. We denken de schoonheid te kunnen vangen door naar symmetrie te verwijzen, maar daarop verschijnt de schoonheid in de chaos. We denken de schoonheid te kunnen vangen door te verwijzen naar de samenhang tussen delen, maar daar verschijnt de schoonheid in een enkele kleur. Onze meningen schieten tekort, en Plotinus lacht met ons: “En daar mooie kleuren, bijvoorbeeld ook het zonlicht, enkelvoudig zijn en hun schoonheid niet danken aan symmetrische verhoudingen, zullen die in hun opinie niet mooi zijn. Hoe komt het dan dat goud iets moois is? En waardoor zijn ’s nachts de bliksem of de sterren mooi om te zien?”2

Als we onze vragen te serieus zouden nemen, zouden we nog wel eens het gevaar lopen de schoonheid van de zon te ontkennen… Voor een denken dat niet oplet, is goud even schoon als modder.

II

Wat is het nu? Is de schoonheid overal, of is ze enkel daar waar aan bepaalde criteria voldaan wordt? Beide antwoorden leiden tot een tekort aan schoonheid. Want als de schoonheid overal is, is ze nergens meer. En als ze alleen daar is waar er bijvoorbeeld vorm is of een verhaal, lopen we heel wat schoonheid mis.

Maar er is een derde optie, die we schijnbaar vergeten zijn. In al ons zoeken naar de schoonheid is iets merkwaardigs op te merken. Want hoe zijn wij op zoek gegaan naar de schoonheid? Wij hebben schoonheid ervaren op een bepaald moment op een bepaalde plaats, in bepaalde omstandigheden, en vervolgens vroegen wij ons af hoe het kwam dat hier de schoonheid zich toonde.

Wij zijn op zoek gegaan naar de omstandigheden waarin de schoonheid zich toont, en dachten met deze omstandigheden te benoemen de schoonheid benoemd te hebben. Wij zijn op zoek gegaan naar de plek waar zij zich toont. Maar de plek waar ik mij bevind, ben ik niet. En de plek waar de schoonheid zich toont, is niet de schoonheid. Is schoonheid te vinden waar er harmonie is? Zeer zeker, maar hierdoor is schoonheid nog niet gelijk aan deze harmonie. Is schoonheid te vinden waar er een krachtig verhaal is? Zeer vaak wel ja, maar daardoor is schoonheid nog niet hetzelfde als verhaal.

De schoonheid toont zich langs allerlei wegen, maar hierdoor is ze nog niet gelijk aan deze wegen. De schoonheid is op allerlei plekken aanwezig; in wat we horen, in muziek, in wat we zien, in de schilderkunst, in ritme, in handelingen, levenshoudingen, in de deugd. Maar de schoonheid is niet deze plekken. Wat voor zin heeft het te zeggen dat harmonie schoon is, wanneer ook het lelijke met zichzelf kan accorderen? Zoals wanneer een zondige ziel, volledig in harmonie met zijn natuur, zich bevlekt met verderfelijke handelingen.

Het schone kan zich op veel plekken tonen, maar ze is deze plekken niet. Als schoonheid nergens te vinden is, wat rest ons dan nog te doen, wij die zoeken naar de schoonheid? Er komt een moment, waarop we ons geloof in een verklaring van de schoonheid moeten laten varen, want ze laat zich niet vangen. Of, we volgen het spoor van Plato, en zeggen dat het schone schoon is omwille van de Schoonheid.

“Dat door het schone alle schone dingen schoon worden. Dat schijnt mij het veiligste antwoord aan mijzelf en aan een ander.”

Plato

Want “hoe en langs welke weg zij ook heeft plaatsgevonden”, hierover kan ik niets met zekerheid zeggen, “behalve dat door het schone alle schone dingen schoon worden.”3 De schoonheid kan zich overal tonen, zolang ze er maar is.

Het lijkt dat we hier spreken in tautologieën zonder betekenis, resulterend uit een luie rede, een ignava ratio, die “ertoe leidt dat men het natuuronderzoek, op welk terrein dan ook, als absoluut voltooid beschouwt, zodat de rede zich te ruste begeeft alsof ze haar taak volledig heeft volbracht.”4 We zoeken naar de schoonheid, we vinden haar niet, en moe van al het zoeken geven we het dan maar op en zeggen vermoeid; het schone is simpelweg schoon omwille van de Schoonheid. Maar is het zo, dat deze uitspraak het resultaat is van luiheid en een onvermogen van onze kant om de schoonheid te vinden? Of is het zo, dat deze uitspraak net het resultaat is van een denken dat tot het uiterste gegaan is, een denken dat de jacht naar het schone tot haar uiterste heeft gedreven? We hebben alle mogelijkheden uitgesloten, en alleen de Schoonheid blijft over. Dat is, zolang we tenminste blijven geloven dat onze ervaring van schoonheid ons iets zegt over het daadwerkelijk bestaan van schoonheid. Het schone is schoon omwille van de Schoonheid, is dit de uitspraak van een lui denken, of van een denken dat tot het uiterste is gegaan?

De Idee legt misschien niet zo zeer een stop op het denken, als dat ze het resultaat is van het meest volhardende denken.

III

In veel opzichten zijn zij die beweren dat schoonheid relatief is, en zij die volhouden aan het meest absolute criterium dat het schone schoon is omwille van de Schoonheid, op hetzelfde spoor. Beiden gaan uit van de ervaring van schoonheid, en gaan vervolgens op zoek naar een verklaring. Wat is het dat schone dingen schoon maakt? En alle mogelijkheden doorlopen, valt er nog steeds niets te vinden.

Nu is er één die hieruit concludeert dat er niet één ding is dat de schone dingen schoon maakt, maar dat het ene nu als schoon verschijnt en dan als lelijk, en dat iets soms mooi is en soms niet, en dan weer voor de ene persoon schoon, maar voor een ander lelijk. Alles kan schoon zijn, want niets is noodzakelijk schoon. Wat een bevrijding, eindelijk klaar met die schoonheid die zich maar niet liet vangen. Er valt geen criterium voor schoonheid te vinden, dus alles kan schoon zijn, of niets, dat is zijn antwoord.

Een ander doorloopt de zelfde zoektocht, maar zijn conclusie is van een heel andere aard. Hij zegt; we hebben gezien dat de schoonheid van niets in het bijzonder afhangt, en precies daarom hebben we haar gevonden. We hebben voorbij al haar maskers gekeken, hebben al haar valse gedaantes gezien, en kunnen haar nu vatten op zichzelf; het schone is schoon omwille van de Schoonheid. Niet alles is schoon, maar enkel datgene waarin de Schoonheid zich toont.

We zijn gestart met de ervaring die ons vertelde dat schone dingen schoon zijn. En het denken voltooid kunnen we nu bevestigen, schone dingen zijn schoon omdat ze schoon zijn. Zoekend naar wat schone dingen schoon maakt, hoe hadden we ooit gedacht tevreden te kunnen zijn, met een verklaring die zich op iets anders beroept dan de schoonheid zelf?

Er is hier sprake van twee verschillende denk-houdingen. De een verwerpt een vaste grond van de schoonheid op basis van de afwezigheid van criteria. Er is geen vast criterium te vinden, dus zijn er ook geen vaste criteria waaraan voldaan moet worden opdat het schone schoon kan zijn. En indien de schoonheid geen grond heeft, waarom dan zelfs nog over haar spreken? Immers, hoe kan dat wat geen grond heeft, een écht bestaan hebben? Het andere denken neemt precies deze afwezigheid van criteria als haar criterium voor schoonheid. Er zijn geen criteria te vinden, en dit toont maar aan hoe écht de schoonheid is, want, we hebben gezien dat ze volledig op zichzelf staat, niet afhankelijk van symmetrie, vorm, narratief, of wat dan ook. In afwezigheid van heldere criteria die iets schoon zouden maken, wordt de schoonheid zelf het criterium.

Wat bepaalt het verschil tussen deze twee houdingen?

We hebben hier een denken dat niet meer gelooft in zijn eigen kracht de schoonheid te vatten, wanneer het zich niet langer kan beroepen op iets buiten dit schone —de symmetrie, de vorm, de kleur, etc. En we hebben een denken dat, wat de schoonheid vreemd is eens afgeworpen, des te zekerder is over de schoonheid.

We starten allemaal met de ervaring van schoonheid, maar sommigen verliezen hun geloof in deze ervaring wanneer ze haar niet kunnen gronden. Anderen, kunnen hierdoor net deze ervaring zelf denken als grond.

IV

Vele dingen zijn schoon, maar wat hen precies schoon maakt, dit kunnen we nooit precies bepalen. Vandaar, dat hij die te erg naar een bepaling zoekt naast de schoonheid, het gevaar loopt de Schoonheid nooit te vatten. Soms is dit mooi, en soms dat. Maar de Schoonheid als zodanig is nergens, en volledig onzichtbaar.

We zien, horen, en voelen soms de Schoonheid. Ook al zien we haar niet.

Wat bedoelen we wanneer we voor een kunstwerk staan, en zeggen dat het schoon is? De kunst drukt de Schoonheid uit, soms doorheen dit, soms doorheen dat. En hoe meer de Schoonheid zich uitdrukt in het kunstwerk, hoe schoner. Maar, wat is de Schoonheid, wat is dat wat uitgedrukt wordt in het kunstwerk? Wat is dat, als het niet eens zichtbaar is? Hoe valt de Schoonheid te kennen, als ze niet kenbaar is? En we kennen haar wel degelijk.

Als wij teveel met onze ogen willen zien, zouden we bepaalde zaken wel eens helemaal niet meer kunnen zien.

“En ik vreesde dat ik geheel verblind van ziel zou worden, als ik met de ogen naar de dingen zou kijken.”

Plato

We zien schone dingen, maar de schoonheid zelf valt nooit te zien. Het is deze paradox, het zowel zichtbare als onzichtbare karakter van de schoonheid, die het onderwerp vormt van een dialoog in Xenophons Memorabilia. In deze dialoog ondervraagt Socrates de kunstenaar Parrhasius, beroemd omwille van zijn levens-echte schilderijen. De vraag die op het spel staat is of kunst de dingen uitbeeldt. Geeft kunst een imitatie van de dingen?

Socrates vraagt aan Parrhasius of de kunst bestaat uit het gelijkenis maken van dat wat zichtbaar is. De kunstenaar bevestigt, waarop Socrates vraagt of de kunst dan ook de ziel uitbeeldt. Maar hoe, zegt Parrhasius, zou de kunstenaar de ziel kunnen uitbeelden? De ziel heeft immers geen proportie, kleur, of wat dan ook, en ze is volkomen onzichtbaar. De ziel is niet als zodanig zichtbaar, want zij is eerder datgene dat ziet. Hoe zou de kunstenaar, die noodzakelijk gebruik maakt van zichtbare materialen, de ziel dan kunnen uitbeelden? Socrates is niet tevreden met het antwoord, en vraagt Parrhasius of de ziel niet zichtbaar is in de uitdrukkingen op iemands gezicht, in zijn ogen, in hoe hij zijn lichaam draagt, in zijn handelingen. De ziel is inderdaad onzichtbaar, maar toch, ze drukt zich uit in het zichtbare lichaam. En het lichaam kan wel degelijk uitgebeeld worden door de kunstenaar. Parrhasius is gedwongen het eens te zijn.

Niets dat het waard is valt in zijn volle glorie waar te nemen. Waar vinden wij ooit iemand die volledig wijsheid is, of een kunstwerk dat volledig schoonheid is, of iemand die volledig moedig is? Of waar zien wij ooit een ziel? Zelfs onze eigen ziel kunnen we strikt genomen niet ‘zien.’ Deze dingen vallen niet te zien, maar in uitgebeelde vorm, in hun uitdrukkingen in het zichtbare, verrijken ze alsnog het leven. We zien nooit de wijsheid, maar wij herkennen wijze mensen. We zien nooit de moed, maar wij herkennen moedige daden. En we zien nooit de schoonheid, maar wij worden geraakt door de schoonheid van de dingen. Moeten wij dan ophouden te spreken over de Schoonheid, de Moed, of de Wijsheid, omdat we haar niet kunnen zien? Zullen we de ziel uit ons vocabularium schrappen, omdat we haar enkel kunnen zien in haar uitdrukkingen? “Niets”, zegt Kant, “is schadelijker en een filosoof onwaardiger dan een vulgair beroep op de zogenaamd tegenstrijdige ervaring.”5

De Schoonheid is onzichtbaar, maar soms zichtbaar omdat er symmetrie is, soms omdat er kleur is, soms omdat er verhaal is, soms omdat er deugd is, en zo verder. De fout bestaat erin te denken dat de Schoonheid volledig gevat kan worden door te verwijzen naar haar uitdrukkingen. Maar de schoonheid bevindt zich niet in de symmetrie, maar schijnt ons toe doorheen de symmetrie, en soms door wat anders.

Het is misschien accurater te stellen dat de schoonheid ons vat, doorheen de vormen waarin ze zich uitdrukt. En de taak van de kunstenaar bestaat erin de dingen zo vorm te geven, dat de schoonheid zich welkom voelt.

In het bijzonder, zegt Socrates tegen Parrhasius, drukt de kunstenaar datgene uit dat mensen het meest aantrekt, de schijn van levendigheid. De kunst drukt dat in het leven uit dat het leven haar karakter van levendigheid geeft. En de beste kunst is de meest levendige kunst. Niet dat de beste kunst noodzakelijk de meest ‘realistische’ kunst is. Immers, een enkele penseelstreek kan veel meer leven bevatten dan een slecht mens.

V

Er is een band tussen de Schoonheid en het leven, zoals er een band is tussen de Schoonheid en de ziel. En is het niet zo dat wanneer wij proberen uit te drukken waarom we iets schoon vinden, we vaak niet verder komen dan te zeggen dat hier leven is, dat hier ziel is, dat hier kracht is. En zo, zegt Plotinus, vinden wij iets schoon wanneer we er ziel in herkennen, wanneer we onszelf er in herkennen. De Schoonheid, doorheen al haar verschillende manifestaties, brengt ons dichter bij onszelf, en zo dichter bij het leven. Want wat zijn wij anders, dan een levend leven?

Daar waar de schoonheid zich toont, is ziel, en daar is ons ware leven. De kunst vormt zo nooit een ontwijking van de realiteit, maar een van de plekken waar zij zich reveleert. De kunst is niet een activiteit die ons helpt te ontsnappen aan het leven, maar brengt ons tot leven.

“Het is precies op het punt waar ze ons hun schoonheid laten zien, dat de dingen ook hun realiteit aan ons onthullen.”

Louis Lavelle

Het moge gezegd zijn, dat diegenen die de schoonheid trachten te ontmantelen, of haar trachten te verplaatsen naar datgene dat niet de schoonheid is, hiermee ook het leven wegdragen van zichzelf. En zij die de schoonheid nergens vinden, zijn zij die zelf weinig schoon zijn, want gelijken herkennen gelijken.

De schoonheid is niet gekend doorheen bepaalde criteria, maar wordt spontaan ervaren, “Het is iets wat zelfs bij de eerste blik wordt waargenomen, en de ziel spreekt erover, alsof ze het begrijpt, en bij de herkenning neemt ze het op en vormt ze er als het ware een harmonieus paar mee.”6

En zo ook is het wanneer de ziel op het lelijke stuit, dan “‘deinst ze terug’ en moet ze er niets van hebben en ze keert zich er vanaf, daar ze er niet mee accordeert en zich er niet mee verwant voelt.”6

Intuïtief herkennen wij de schoonheid, en intuïtief kunnen wij haar onderscheiden van het lelijke. En enkel zij die vragend naar een verklaring de weg zijn kwijtgeraakt, kunnen dit ontkennen. De vraag naar wat het schone schoon maakt, kan ons dichter tot de schoonheid brengen, maar ons er ook van weg dragen.

Het moge gezegd zijn, dat zij die geen schoonheid kennen in de klassieke vorm, zelf weinig gevormd zijn. En het moge gezegd zijn, dat zij die weinig schoonheid zien in het licht van de zon, zelf ver weg staan van hun natuur.

Zij die zich keren tegen de schoonheid, om zo het zijn te redden, hebben niet begrepen dat het zijn daar is waar de schoonheid is.


  1. Plato, Phaidoon, 100 c-e. Uit: Platoon. Dialogen. Vertaald door M.A. Schwartz. Antwerpen: Spectrum, 1960. ↩︎

  2. Plotinus, Enneaden, I.6.1. Vertaald door Rein Ferwerda. Budel: Damon, 2005. ↩︎

  3. Plato, Phaidoon ↩︎

  4. Immanuel Kant, Kritiek van de zuivere rede, A689-690/B717-718. Vertaald door Jabik Veenbaas en Willem Visser. Amsterdam: Boom, 2004. ↩︎

  5. Kant, Kritiek van de zuivere rede, A316/ B376. ↩︎

  6. Plotinus, Enneaden, I.6.2. ↩︎ ↩︎

Aangehaald in dit artikel:

Immanuel Kant Plato Plotinus Xenophanes

Prachtig stuk, tot nu toe mijn favoriet van de site.

Schoonheid is het hoogste geheim der koninklijke levenskunst. Zij is de levende waarheid, het absolute goed. Wanneer men intuïtief streeft naar het goede, zonder te pretenderen het goede te kennen, zal schoonheid zich openbaren in de ogen.