Sinterklaas, de Indo-Europese Hemelvader?
| 34 minuten leestijd
Sinterklaas, de Indo-Europese Hemelvader?

Sinterklaas, de Indo-Europese Hemelvader?

Een afdaling in de goddelijke essentie van de Sinterklaastraditie

“Gods don’t die. Never completely die... There’s always somewhere, inside some stone, perhaps, or the words of a song, or riding the mind of some animal, or maybe in a whisper on the wind. They never entirely go, they hang onto the world by the tip of a fingernail, always fighting to find a way back. Once a god, always a god. Dead, perhaps, but only like the world in winter—”

Terry Pratchett, Hogfather

Was jij als kind bang voor de Sint? Wellicht dat je in deze jeugdige jaren, toen de hedendaagse volwassenheid onze diepe connectie tot onze bron nog niet had afgestompt, iets realiseerde middels jouw bloedgeheugen: dat je in feite de Indo-Europese Hemelvader in de ogen staarde.

Want hoewel dit wellicht een vreemd idee kan lijken—ik hoor je denken: Sint Nicolaas is toch een katholieke heilige? Een kerk die niets met de heidense meergoderij heeft?—zal ik je tonen dat Sinterklaas een van de laatst levende restanten van de Indo-Europese Hemelvader Dyáuṣ Pitṛ́ is, wiens naam ons wellicht beter bekend is in de vorm ‘Jupiter’.

Sinterklaas is zo een levende uiting van één van de meest perennialistische patronen waarvan de wortel dieper terug loopt in de tijd dan de Abrahamitische tradities. Het is eenvoudig vast te stellen dat de Sinterklaasgebruiken vandaag de dag geen basis hebben in de Bijbel, noch in de tradities uit de Levant. De vorm van het Sinterklaasfeest is duidelijk van buiten die tradities geassimileerd. Wel zien we verschillende gebruiken en tradities uit het Indo-Europese gebied die sterke overeenkomsten vertonen met hoe wij Sinterklaas vieren.

In dit artikel nodig ik je uit om mee te gaan op reis door de tijd, en wil ik je langs een aantal manifestaties van de Hemelvader voeren, om zo de wortels van onze Sint Nicolaas bloot te leggen en het feest in een nieuw daglicht te plaatsen.

Ik hoop dat nieuw licht tot nieuwe inzichten leidt, en dat men hierdoor beter gaat begrijpen waar het feest voor dient, waar het om draait, welk perennialistisch patroon in deze belichaamde mythos wordt uitgeleefd en waarom het belangrijk is dat deze gebruiken niet verloren gaan in de waan van de dag.

Ook zal ik de jeugdige nostalgie, de hang naar het “gezellige kinderfeest” niet sparen met deze openbaring, want ik kan je verzekeren dat Zwarte Piet niet langer gezien zal worden als een olijke kindervriend tegen de tijd dat wij tezamen bij het eindpunt van onze reis zijn aangeland.

De Hemelvader is één, hij heeft vele maskers

Wie is is Dyáuṣ Pitṛ́? Allereerst een etymologische achtergrond: Dyáuṣ komt van dyú, dat ‘hemel’ betekent, en Pitṛ́ betekent ‘vader’. Dyáuṣ is specifiek de hemel bij daglicht, en connoteert met de zon, het licht en de dag.

Ons woord ‘dag’ gaat terug op dezelfde wortel als Dyáuṣ, en ook aan de Latijnse woorden dies (dag) en Deus (God) en de Engelse woorden divine (hemels) en dawn (dageraad) ligt dezelfde wortel ten grondslag.

Toch lijkt deze naam een titel te zijn, want er is geen bewijs van een gepraktiseerde cultus van Dyáuṣ Pitṛ́ gevonden, en daarbij wordt hij maar vier keer bij naam genoemd in de oudste Indo-Europese collectie van lofzangen; de Rigveda.

Wie was deze god, waar komt hij vandaan en op welke manier werd hij aanbeden? 

Theïsme in de bronstijd

Om dit te beantwoorden moet ik eerst wat uitleggen over hoe men dacht over goden in polytheïstische religies uit de vroege bronstijd. Ze hadden namelijk een heel ander godsbeeld dan wij dat vandaag de dag kennen. Modern, westers theïsme neigt vaak naar het zien van God als God een wezen. Een wezen boven andere wezens (engelen, mensen, dieren), maar desalniettemin een wezen. Ook is dit wezen een bron van al het Goede en Ordelijkheid. Deze vorm van theïsme is echter relatief modern, en oudere culturen houden er een geheel andere visie op na.

Het idee van een louter goedaardige God is bijvoorbeeld de oudere vormen van theïsme relatief vreemd. Goden hadden een eigen wil en stonden boven zoiets als de menselijke moraliteit. Ze waren vormloos en tegelijkertijd alle vormen tegelijkertijd. Ze manifesteerden zich in dieren, in concepten; waren de nacht die de jager verhulde, of het inzicht dat een oplossing openbaarde. God was de inspiratie (iemand kreeg de geest)1, hij was de hemel, de aarde en de zee. God was de plant, de storm en de sloten van deuren die niet meer open gingen. God was de lust die zich roerde in je lendenen met de ontwakende lente, of de woede die je verblindde in de strijd. God was niet een fysiek wezen, maar een geest die bezit nam van jou, de mensen en dieren om je heen en deze voortdreef. Een vormloze entiteit die zichzelf in allerlei vormen kon manifesteren.

Als voorbeeld wil ik kijken naar Zeus Triophthalmus (Ζεύς Τριόφθαλμος). Triophthalmus betekent Drie-ogige. Wij zien Zeus doorgaans niet als een drie-ogig wezen, maar in de vroegere conceptie van deze god was een dergelijk beeld geen enkel probleem.

Elk oog vertegenwoordigde een andere manifestatie van de Olympische Zeus, en elke manifestatie had een eigen vorm, zoals Proklós het omschreef in Commentaar van Proklós op Plato’s Cratylus:

Hij (de Olympische Zeus) is ook de culminatie van de drie, heeft dezelfde naam als de bron Jupiter (Zeus), is met hem verenigd en wordt monadisch Jupiter genoemd. Maar de tweede wordt dyadisch de mariene Jupiter en Neptunus (Ποσειδῶν) genoemd. En de derde wordt triadisch de terrestrische Jupiter, Pluto (Πλούτων) en Hades (Ἅιδης) genoemd. De eerste hiervan bewaart, maakt en verlevendigt hoogtepunten, de tweede echter, dingen van een tweede rang, en de derde die van een derde orde. Vandaar dat deze laatste Proserpine (Περσεφόνη) zou hebben verkracht, zodat hij samen met haar de uiteinden van het universum zou kunnen animeren.2

Drie Zeusen. Ζεὺς Ὀλυμπιακός (Zèfs Olympiakós: de Olympische Zeus), Ζεὺς ΘαλάσσιοςΠοσειδῶν (Zèfs Thalássios: Poseidón) en Ζεὺς ΧθόνιοςΠλούτων (Zèfs Chthónios: Ploúton).

In dit godsbeeld komt de oude vorm van theïsme wellicht het sterkst naar voren: Zeus is zowel zichzelf, als Hades en Poseidon. De Hemelvader is een drie-eenheid van de drie Olympische broers, waarbij zij alledrie de essentie hebben van de Olympische Zeus. In deze drie aspecten omvat de Olympische Zeus de gehele wereld; het land, de zee en de lucht. Elk aspect heeft zijn eigen domein, maar alledrie deze aspecten zijn dezelfde Hemelvader, aldus Pausanias in zijn werk Hellados Periegesis (Ἑλλάδος Περιήγησις):

τρεῖς δὲ ὀφθαλμοὺς ἔχειν ἐπὶ τῷδε ἄν τις τεκμαίροιτο αὐτόν. Δία γὰρ ἐν οὐρανῷ βασιλεύειν, οὗτος μὲν λόγος κοινὸς πάντων ἐστὶν ἀνθρώπων. ὃν δὲ ἄρχειν φασὶν ὑπὸ γῆς, ἔστιν ἔπος τῶν Ὁμήρου Δία ὀνομάζον καὶ τοῦτον· ‘Ζεύς τε καταχθόνιος καὶ ἐπαινὴ Περσεφόνεια.’ (Ἰλιὰς Ὁμήρου 2.9.457) Αἰσχύλος δὲ ὁ Εὐφορίωνος καλεῖ Δία καὶ τὸν ἐν θαλάσσῃ. τρισὶν οὖν ὁρῶντα ἐποίησεν ὀφθαλμοῖς ὅστις δὴ ἦν ὁ ποιήσας, ἅτε ἐν ταῖς τρισὶ ταῖς λεγομέναις λήξεσιν ἄρχοντα τὸν αὐτὸν τοῦτον θεόν.

Men zou kunnen concluderen dat dit de reden is voor zijn drie ogen (red. van een standbeeld van Zefs oorspronkelijk uit Troje). Dat Zeus koning in de hemel is, is een gezegde dat alle mensen kennen. Wat betreft degene van wie wordt gezegd dat hij onder de aarde regeert, is er een vers van Homerus dat hem ook Zeus noemt: ‘Zeus van de onderwereld en de verheven Persephonea.’ (Ἰλιὰς Ὁμήρου 2.9.457) De God in de zee wordt ook Zeus genoemd door Aeschylus, de zoon van Euphorion. Dus degene die het beeld heeft gemaakt, heeft het met drie ogen gemaakt, om aan te geven dat dezelfde God regeert in alle drie de ’toewijzingen’ van het universum, zoals ze worden genoemd.3

Een goed boek dat ik graag aanraad over deze oudere vormen van theïsme is Die Götter Griechenlands. Das Bild des Göttlichen im Spiegel des griechischen Geistes van Walter F. Otto, waarin de Griekse goden Athena, Hermes, Aphrodite en Apollo worden uitgewerkt vanuit het wereldbeeld van de Homerische epiek.

Goden en hun vormen

Goden waren niet tot één vorm beperkt. Ze hadden aspecten, die gevangen werden in titels. Aspecten zijn lastig uit te leggen, maar je zou het enigszins kunnen vergelijken met het breken van een enkele straal wit licht met een prisma in vele verschillende kleuren. Elke kleur is aanwezig in de oorspronkelijke straal wit licht, maar de kleur komt pas als zodanig naar voren als het licht breekt. Zo kan bijvoorbeeld het ‘aspect’ rood zichtbaar worden, die niet gelijk is aan het ‘aspect’ blauw, noch bevat één van beiden de ander.

In welke ‘kleur’ de godheid verschijnt, dat is een aspect van de godheid. In de verschijning verliest de godheid de attributen van een andere ‘kleur’, al kan hij deze alsnog wel aanspreken vanuit de bron (en dus van kleur veranderen). Via zijn aspecten kan een god zich in verschillende gedaantes aandienen.

Het tweede wat belangrijk is, is dat symbolen in een mythisch domein niet slechts één ding betekenen. Afhankelijk van de context waarin een symbool zich toont, kan de neiging van het symbool veranderen. Zo kan een god een wapen dragen, dat soms een drietand is, soms een bliksemschicht, of heeft hij soms een blauwe huid en dan weer een zwarte huid. Soms zijn ze echtgenoot, dan weer zoon of dochter, en afhankelijk van wat wordt uitgebeeld misschien wel negen godinnen in één keer. De goden zijn geen fysieke wezens en daarmede niet beperkt tot het moeten behouden van een bepaalde vorm. Terwijl de tijd arena’s en connotaties verandert, blijft een beeld behouden. Of het uiterlijk verandert, terwijl de betekenis blijft.

De Hemelvader heeft vele maskers, en een groot aantal van die maskers zijn moeilijk te vereenzelvigen met de connotaties die onze moderne, op het Christendom geïnspireerde, cultuur heeft bij God.

Maskers van de Indo-Europese Hemelvader

In dit stuk neem ik je mee langs drie takken binnen de Indo-Europese familie. We beginnen in de Vedische traditie, die in India vandaag de dag voortleeft in het Hindoeïsme. Daarna gaan we naar Hellenistisch Griekenland, langs de - voor velen hier - wat bekendere goden.

Hierna zullen we afreizen naar Noord-West Europa, waar de Sinterklaasgebruiken bestaan die voor ons bekend zijn.

Razende Rudra Shiva uit de Veda’s

De meest directe link met Dyáuṣ Pitṛ́ is de Vedisch god Rudra. Rudra is een godheid uit de Vedische geschriften, waar ook *Dyáuṣ Pitṛ́ *wordt genoemd. Rudra is een razende godheid, een kwade stormgod. Zijn naam zou teruggaan op ‘De Brullende’.

Een beetje een vreemde oppergod, zeg je? Dat valt mee. Onthoud: het soort theïsme uit onze tijd was de vroegere culturen grotendeels vreemd. Ik zal je laten zien waarom Rudra de beste kanshebber is voor de titel Dyáuṣ Pitṛ́.

Rudra de Hemelvader

De volgende verzen uit de Rigveda en Yajurveda maken via titels Rudra bekend als de Hemelvader. De vertalingen komen uit The Rigveda: The Earliest Religious Poetry of India, door Stephanie W. Jamison en Joel P. Brereton.

तवमग्ने रुद्रो असुरो महो दिवस्त्वं शर्धो मारुतं पर्क्ष ईशिषे तवं वातैररुणैर्यासि शंगयस्त्वं पूषा विधतः पासि नु तमना

tvamaghne rudro asuro maho divastvaṃ śardho mārutaṃ pṛkṣa īśiṣe tvaṃ vātairaruṇairyāsi śaṃghayastvaṃ pūṣā vidhataḥ pāsi nu tmanā

You, Agni, as lord of great heaven, are Rudra; you, as the troop of Maruts, are master of strengthening nourishment4

Divastvaṃ betekent ‘hij die (van) de hemel is’.

सथिरेभिरङगैः पुरुरूप उग्रो बभ्रुः शुक्रेभिः पिपिशेहिरण्यैः ईशानादस्य भुवनस्य भूरेर्न वा उ योषद रुद्रादसुर्यम

*sthirebhiraṅghaiḥ pururūpa ughro babhruḥ śukrebhiḥ pipiśehiraṇyaiḥ īśānādasya bhuvanasya bhūrerna vā u yoṣad rudrādasuryam

With sturdy limbs, the mighty red-brown one of many forms has adorned himself with gleaming golden (ornaments).                                                              From Rudra, who is master over the abundant living world, lordly power will surely not be distant.5

अर्हन बिभर्षि सायकानि धन्वार्हन निष्कं यजतं विश्वरूपम अर्हन्निदं दयसे विश्वमभ्वं न वा ओजीयो रुद्र तवदस्ति

arhan bibharṣi sāyakāni dhanvārhan niṣkaṃ yajataṃ viśvarūpam arhannidaṃ dayase viśvamabhvaṃ na vā ojīyo rudra tvadasti

Worthily you bear the arrows and the bow and worthily the sacrificial neck ornament of all forms. Worthily you parcel out the whole formless void. Surely there exists nothing more powerful than you, Rudra.6

De titel viśvarūpam (विश्वरूपम) is een titel die ‘Vorm van (het) Alles’ betekent.

यथा रुद्रस्य सूनवो दिवो वशन्त्यसुरस्य वेधसः युवानस्तथेदसत

yathā rudrasya sūnavo divo vaśantyasurasya vedhasaḥ yuvānastathedasat

Just as they wish, so shall it be—they, the sons of Rudra [the Maruts], lord of heaven, the ritual adepts, the youths7

Divo is weer de genitief van dyú: ‘van de hemel’. Ook de Maruts, Rudra’s zonen, worden hier aangehaald; mythische stormvogels.

De volgende strofe biedt een inkijkje in een belangrijkste aspect van Rudra: een kwade godheid voor wie zelfs de Dood bang is. Deze strofe is ook wel bekend als de Mahamrityunjaya Mantra, de grote mantra die de dood verslaat. Tevens is Rudra welriekend, en vergroot hij welvaart. De titel Tryambaka (त्र्यम्बक) betekent drie-ogige, en is als woord direct verbonden aan Zeus Triophthalmus.

तर्यम्बकं यजामहे सुगन्धिं पुष्टिवर्धनम उर्वारुकमिवबन्धनान मर्त्योर्मुक्षीय माम्र्तात

tryambakaṃ yajāmahe sughandhiṃ puṣṭivardhanam urvārukamivabandhanān mṛtyormukṣīya māmṛtāt

We sacrifice to Tryambaka the fragrant, increaser of prosperity. Like a cucumber from its stem, might I be freed from death, not from deathlessness.8

Ook de volgende strofe is belangrijk, want hierin wordt Rudra geïdentificeerd als Shiva. Shiva is dus een titel van Rudra en betekent ‘de Voorspoedige’. Dit wordt later belangrijk, als we op de duale vorm van de Hemelvader komen.

सतोमं वो अद्य रुद्राय शिक्वसे कषयद्वीराय नमसादिदिष्टन* येभिः शिवः सववानेवयावभिर्दिवःसिषक्ति सवयशा निकामभि*

stomaṃ vo adya rudrāya śikvase kṣayadvīrāya namasādidiṣṭana yebhiḥ śivaḥ svavānevayāvabhirdivaḥsiṣakti svayaśā nikāmabhiḥ

With reverence show forth your praise today to Rudra the skillful, who rules over heroes, (and to those [=Maruts]) with whom he, the well-disposed, very helpful, self-glorious one, keeps company—with those of heaven who travel their ways, the avid ones.9

Rudra is de Vedische Hemelvader, een angstaanjagende stormgod. Vader van de Maruts, gigantische stormvogels die met lichtflitsen en bliksemschichten en donderend geweld door de hemelen razen. Ontembare wezens die bergen laten beven en die de wolken met hun wapens splijten om het te laten regenen. De filoloog Georges Dumézil vergeleek deze Maruts met de Germaanse Wilde Jacht, en ze hebben tevens overeenkomsten met de Einherjar en de Griekse Myrmidonen. Zo hebben de Maruts bijvoorbeeld geen individualiteit.

Maṇḍala 8, Sūkta 20, gericht aan deze Maruts, toont ons een ander aspect van hun vader Rudra. De Maruts in de Sūkta worden gevraagd om genezing. De strofen roepen de Maruts aan om het medicijn van hun vader te brengen.

Hier wordt Rudra omgetoverd tot Vaidyanātha (वैद्यनाथ), de Heer van de Geneesheren. Genezer van mensen en verjager van ziekte en de dood. Twee lofzangen uit de Rigveda roepen Rudra (verhuld) aan, met de titel Bṛhaspati (बृहस्पति), Heer van de Gebeden, en de personificatie van de planeet Jupiter in Rigveda M10.S97, en Savitṛ (सवितृ, de Ontwaker, en een titel van Surya, de zon) in Rigveda M10.S161.

Maar Rudra’s onstuimige razernij is niet het enige masker van de vedische Hemelvader. Er is ook het masker Shiva.

Shiva, de Wijze Leraar

Shiva. De Voorspoedige en Welwillende. De ultieme leraar van de mensen, schenker van wijsheid, van giften, van innerlijke rust en orde. Shiva is de Grote Yogi, het grote voorbeeld voor elke asceet. Shiva is een god die zich begeeft op de kerkhoven en die vertoeft in de grensgebieden van de bewoonde wereld. Hoewel hij in zijn vorm geassocieerd wordt met de sadhu10, zijn veel van zijn titels juist gericht op het brengen van materiële welvaart. Shambhu (शंभू), Schenker van wereldse welvaart; Varada (वरद), Schenker van Gunsten, Dhanadeepa (धनदीप), Heer van de Weelde, Bhūdeva (भूदेव), God van de Aarde—wat uiteraard ook verwijst naar de oogst, en de edelstenen en metalen die uit de diepten der aarde gewonnen kunnen worden.

Shiva is een wijze god. Als de Grote Yogi is hij Guṇagrāhin (गुनाग्रहीन), de Weger van de Deugden, zodat mensen die hem benaderen gezien worden als de beste versie van zichzelf.

Als Dakṣiṇāmūrti (दक्षिणामूर्ति) zien we Shiva in zijn rol als de leraar van alle vormen van kennis, dans, zang en poëzie. Hij is Gurudeva (गुरुदेव), de Leraargod en in In deze manifestatie bevat Shiva de Ātmavidyā, de kennis van de ziel of de Zelf. Hij is daarnaast en daaran verwant tevens Vachaspati (वाचस्पति), Meester van de Spraak.

Shiva Bhūtanātha, de aanvoerder van legers

Een Bhūta is een geest, spook, duivel of kobold. Als Bhūtanātha (भूतनाथ), Heer van de Bhūtas, toont Shiva zich in zijn aspect waarin hij temmer van de onhandelbare, chaotische krachten is. Hij onderwerpt ze, en maakt ze tot zijn gevolg; de Bhūtagaṇa (भूतगण), de schare Bhūtas.

Shiva’s zoon Ganesha, wiens naam men letterlijk kan vertalen als ‘Gaṇa-Meester, wordt vaak aangeduid als de aanvoerder van Shiva’s Bhūtagaṇa. Een van de belangrijkste mythen rond Ganesha geeft hem de rol als schildwacht van zijn moeder. Hierin zit een belangrijke taak van de Bhūtagaṇa; ze bewaken de grensgebieden. Het zijn de wezens aan de randen van de ordelijke realiteit, als demonische roofdieren die nét buiten het licht van je kampvuur zich roeren.

Als de Bhūtanātha heeft Shiva ze onderworpen aan Zijn orde; als Bhūtagaṇa zijn de duivels de legers van Shiva, niet van Adharma (अधर्म), de krachten die zich tegen de goddelijke orde der dingen verzetten. Als het gevolg van Shiva zetten ze hun hondsdolle vechtlust in dienst van de bescherming van de Dharma en zo vormen deze duivelse legers de schildwachten van Goddelijke Orde.

Shiva Bhairava, de Afschrikwekkende

Voor degenen die de Dharma vijandig zijn is Shiva Bhairava (भैरव), de Afschrikwekkende. In deze vorm beschermt Shiva tegen hebzucht, lust en woede. In deze manifestatie draagt Shiva de verdere titels Dandapani (दंडपाणि), hij die de knuppel draagt, waarmee hij de kwade machten geselt en Śvāśva (श्वाश्व), hij die een hond berijdt als paard.

In Bhairava manifesteert Shiva zich in zijn wraakzuchtige aspect en is hij de Palanhaar (पालनहार), de Verdediger van Alles, die met zijn derde oog de gevaren verschroeit. Bhūtas die weigeren zich bij Shiva’s Bhūtagaṇa te voegen wacht dit lot.

Toch bestaat voor de wijzen een diepere waarheid in dit afschrikwekkende aspect, die ligt besloten in de titel Naṭarāja (नटराज), de Heer van de Dans. Met deze dans openbaart Shiva de wereld, niet als een wereld van vormen, maar als één van eeuwige patronen. Met zijn dans vertrapt hij de dwerg van onwetendheid en bevrijdt ons met zijn verschroeiende vlammen van onze beperkte ervaring van de wereld. In twee van zijn vier handen heeft Shiva de symbolen van schepping, tijd en de uiteindelijke vernietiging. Maar de twee andere handen gebaren dat je niet bang hoeft te zijn. Onze vorm is tijdelijk, maar de energieën zijn onveranderlijk. Als Naṭarāja vangt Shiva de totaliteit van het leven en de realiteit voorbij de aspecten. Hij brengt ons de amṛta (अमृत), de nectar van de goden, de drank waarmee onsterfelijkheid wordt gewonnen.

Rudra, de wortel van Sinterklaas?

De Veda’s roepen Rudra aan in verschillende Sūkta’s. Deze gebeden en lofzangen lijken vooral bedoeld te zijn om Rudra over te halen zich aan de spreker te onthullen als Shiva. Denk hierbij eens aan hoe wij kinderen leren dat de geschenken van de goede Sint pas komen nádat er gezongen is. Want zij die niet zingen om Rudra, de Weger van de Deugden te behagen, zullen hem treffen als Rudra Pitarmarutāṃ (पितर्मरुतां), vader van de Maruts. Voor de hebzuchtige kinderen zal hij komen als Bhairava om deze kwaadaardige demonen te vernietigen. Voor de kinderen die bhakti (भक्ति), vroomheid, tonen, komt deze aloude hemelgod die heden ten dage aan ons als Sinterklaas verschijnt echter als brenger van giften en wijsheid.

Dolle Dionysus uit Hellenistisch Griekenland

Dionysus is ons voornamelijk bekend als de god van wijn. Deze conceptie baseert zich echter voornamelijk op de Romeinse Bacchus, een guitige dikkerd met een verdoofde glimlach op zijn gezicht. De Griekse Dionysus was een veel complexere godheid.

Toen de Griekse legers van Alexander arriveerden in India, en zij aldaar de cultus rondom de Dansende Shiva aantroffen, herkenden de Grieken gelijk wie deze kosmische danser was; Dionysus!

Net als Rudra heeft Dionysus twee verschillende manifestaties. Hij is inderdaad de god van de drank, van de wijnrank en de dronkenheid, maar als we bijvoorbeeld kijken naar de Ilias van Homeros wordt de relatie tussen Dionysus en wijn daar helemaal niet gelegd. Hij wordt daar Dionysos Mainomenos (Διόνυσος μαινόμενος) genoemd; Dionysos de dolle.

Dionysus en de Thiasos

Net als Rudra leidt Dionysus een gezelschap van randfiguren en dolzinnige mensen. Deze stoet heet de Thiasos (θίασος). In zijn gezelschap bevinden zich nimfen, satyrs, natuurgeesten en de Maenaeden (Μαινάδες), de ijlende vrouwen die in de bossen roepen als de god weer nadert met zijn gevolg. De Cultus van Dionysus is tot vandaag de dag een van de meest mysterieuze culten uit het oude Griekenland, voornamelijk omdat deze in onze beleving heel uitheems aandoet.

In de Thiasos was muziek en dans een belangrijk component. Dionyus heeft de titel choreutes (χορευτής), de danser, een titel die hij deelt met Pan, de god van de satyrs. Mogelijk is er hier sprake van een soortgelijke relatie als degene die eerder met betrekking tot Shiva Naṭarāja is genoemd: de dans die bevrijdt.

Want de extatische dans brengt je in een wereld voorbij het dagelijkse zelf. Het ontwaart de Ātman, het diepere zelf en brengt een moment van theofanie, waarin de Hoogste zichzelf openbaart.

Dionysus, de waanzinnige

De riten werden ingeluid door de extatische kreten van de Maenaeden in de bossen, wat mogelijk Dionysus de titel Bromios (Βρομιος), de luidruchtige, opleverde, een titel die ook zijn vader Zeus toekwam, als de hemelvader en donderaar. De god voer altijd met zijn Thiasos vanaf de buitengrenzen naar het centrum.

De Orfische hymne gericht aan Dionysus noemt Dionysus expliciet de zoon van Zeus, de Hemelvader, en Persephone, de vrouw van Hades (of; zoals wij hebben aangetoond, van Zeus als Hades) Hier zien we zo de aspecten-theologie van Zeus Triophthalmus terug:

Κικλήσκω Διόνυσον ἐρίβρομον, εὐαστῆρα, πρωτόγονον, διφυῆ, τρίγονον, Βακχεῖον ἄνακτα, ἄγριον, ἄρρητον, κρύφιον, δικέρωτα, δίμορφον, κισσόβρυον, ταυρωπόν, ἀρήϊον, εὔϊον, ἁγνόν, ὠμάδιον, τριετῆ, βοτρυοτρὸφον, ἐρνεσίπεπλον. Εὐβουλεῦ, πολύβουλε, Διὸς καὶ Περσεφονείης ἀρρήτοις λέκτροισι τεκνωθείς, ἄμβροτε δαῖμον· κλῦθι μάκαρ φωνῆς, ἡδὺς δ’ ἐπίπνευσον ἐνηής, εὐμενὲς ἦτορ ἔχων, σὺν ἐυζώνοισι τιθήναις.

Kiklískoh Diónyson ærívromon, evastíra, prohtógonon, diphií, trígonon, Vakheion ánakta, ágrion, árriton, krýphion, dikǽrohta, dímorphon, kissóvryon, tavrohpón, Aríion, évion, agnón, ohmádion, triætí, votryotróphon, ærnæsípæplon. Evvouléf, polývoulæ, Diós kai Pærsæphoneiis arrítis lǽktrisi tæknohtheis, ámvrotæ daimon; klýthi, mákar phohnís, idýs d’ æpípnefson æniís, evmænǽs ítor ǽkhohn, sýn evzóhnisi tithínais.

Ik roep Dionysus aan, de luidbrullende, die de kreet van extase (εὐαί!) uitschreeuwt, de eerstgeborene, hij die een duale natuur heeft, de driemaal-geborene, de koning van de Bacchische rite, de wilde, ondoorgrondelijk en verborgen, tweehoorning, tweevorming. Bedekt in wijnranken, met het gezicht van de stier, strijdvaardig, joelend, heilig, die zichzelf offert, van het drie-jaarlijkse feest, overhangen met druiven, bedekt in struikgewas. Wijze raadgever, Zeus en Persephone baarden jou, op een geheim bed, onsterfelijke daimon; Hoor welwillend mijn stem! Schenk mij de milde inspiratie, wees vriendelijk en vervul mijn verlangen met de hulp van uw vrome verzorgsters!11

De Thiasos kon zo tot waanzin gedreven raken onder de geestdriften jegens de god, dat er doden bij vielen. In zijn theaterstuk Bakchai (Βάκχαι) toont Euripides ons in een belangrijke scène zelfs hoe de koning van Thebe, Pentheus, in de extase die de progressie van Dionysus vergezelde door zijn eigen moeder in stukken gereten wordt. Pentheus had echter de verering van Dionysus niet toegelaten in zijn stad, en het was op deze wijze dat Dionysus zich wreekte.

Toch wordt de waanzinnigheid ook duidelijk gekaderd in Dionysus’ aspecten; de titels Polygethes (πολυγέθες), de vrolijke god, Ploutodótis (πλουτοδότης), de weldoener en Auxitês (Αυξιτης), schenker van weelde. Wederom een god met twee gezichten, wederom, tevens, is het hier Dionysus, net als zijn Oosterse evenknie Shiva, die verbonden is met materiële rijkdom. De extatische dans lijkt het gereedschap te zijn waarmee men iets belangrijks ontvangt, een gift van de god. Dit gebruik zien we overigens zelfs vandaag de dag nog terug in de dansen van de Dervish uit de Soefistische traditie binnen de islam.

Dionysus, de stervende en herrijzende god

De extatische dans is in zekere zin een sterven dat plaatsvindt voordat je lichaam sterft. Men verzinkt in de waanzin, en Dionysos, Sôtêrios (Σωτηριος), De Hersteller (van waazin) brengt de in waanzin verlorene daarna weer terug. Deze herrijst als herboren uit de zinsverbijstering. De God heeft twee gezichten, en enkel wie beide gezichten kent ontvangt zijn giften; het herboren leven.

Velen zien Dionysus als een voorloper van de latere Christuscultus. Dionysus werd namelijk gezien als een bevrijder (Σαωτης, Saôtês) en vrijheidsbrenger (Ελευθερευς, Eleuthereus), en hij was een god die het domein van sterven en herrijzen domineerde. Laat dit nu exact de kern van het geloof rondom de Christus zijn.

Hier ligt ook de relatie tussen Dionysus, vruchtbaarheid, het nieuw leven en de wijn. De wijnrank is als plant net zo onderhevig aan de cycli van de natuur als al het andere verbouwde voedsel. Maar de vruchten van de wijnrank zijn zaadjes die het goddelijke domein openbaren, in tegenstelling tot de graankorrel, of de olijf. Dit goddelijke potentieel van wijn is zo sterk dat het ook nog voortleeft in het Christendom; bij de Communie of het heilig avondmaal staat immers niet voor niets de wijn centraal. De katholieken hangen hierin zelfs de transsubstantiatieleer aan, waarin wijn en brood werkelijk tot bloed en lichaam van de Christus worden.

Woedende Wodan uit ons thuisland

Eindelijk komen we aan in voor ons bekende gebieden. Noord-West Europa. Hier is de Hemelvader bekend onder de naam Wodan, Wotan, Woens of Odin, afhankelijk van het precieze gebied.

Wodan, de Woedende. Van het Proto-Germaanse *wōdaz. Dit woord is de wortel van ons woord ‘woede’. Dit is niet in de betekenis van kwaad zijn, maar refereert aan hoe een storm woedt; het hangt samen met onrust en onstuimigheid. De Proto-Indo-Europese wortel *weh₂t- heeft de betekenis van opwinding, inspiratie, geestdrift, bezetenheid en extase. Ondanks dat hun twee namen geen directe relatie hebben, is de echo van Rudra duidelijk hoorbaar in Wodan. Ook horen we een weerklank van Dionysus in Wodans titel Gapþrosnir, Hij die in gapende waanzinnigheid verkeert. Natuurlijk horen we deze echo ook terug in reeds aangehaalde wortel van zijn naam; De Woedende en De Razende.

Wodan-Odin is al vaker in verband gebracht met Sinterklaas. Ik ben niet de eerste die deze suggestie doet. Doordat de gebruiken in heel het groot-Duitse gebied voorkomen (Britse Eilanden, het Germaanse Laagland, de Scandinavische Hoogvlakte, Lombardisch Noord-Italië, de Alpen en de Visigotische Pyreneeën) heeft men al snel de connectie gelegd tussen de voorchristelijke mythen rondom de Wilde Jacht, en Sinterklaas met zijn Pieten. Toch hoop ik hier een meer verdiepende invalshoek te brengen dan een puur op uiterlijke overeenkomsten gebaseerde.

Wodan als Hemelvader en Brenger van Giften

Wodan is Aldafaðr, de vader van alles, en Ít-rekr, de Glorieuze Heerser. Hij is Fjǫlnir, de Ene van vele vormen, een titel die hij deelt met Rudra, bij wie deze Pururūpa (पुरुरूप) luidt. Wodan is Foldardróttinn, Heer van de Aarde, weer een titel die hij deelt met zowel Rudra als Dionysus, en Hades als aspect van Zeus Triophthalmus.

Hij is Hárr, Jafnhárr en Þriði, Hoog, Evenhoog en Derde. Ook hier zien we die drie-eenheid terug, die we reeds bij onze Griekse Zeus tegenkwamen.

Wodan wordt ook omschreven als één-ogig, maar één van zijn titels is Tvíblindi, Tweemaal Blind. Als beide ogen echter blind zijn geraakt, welk oog heeft Wodan dan nog tot zijn beschikking? Zijn derde oog; Triophthalmus, Tryambakam. Want het oog dat Wodan tot zijn beschikking heeft, draagt de titels Bileygr of Báleygr, Flitsend of Vlammend oog, en zo is het te vergelijken met Shiva’s derde oog, die de Bhūtas verbrandt die zich aan zijn Orde  onderwerpen.

Een andere titel is Arnhǫfði, Adelaarshoofd. Speculatie, uiteraard, maar als Wodan aan het hoofd staat van de Adelaars, zou dit weer een overeenkomst kunnen zijn met Rudra als aanvoerder van de Maruts, de grote stormvogels en zijn zonen. Wodan de stormgod treedt  duidelijk op de voorgrond in de titels Eylúðr, de Eeuwig luide, Gǫllnir, de Schreeuwer en Hjarrandi, de Gillende. Ook hier ontstaan duidelijke overeenkomsten met de stormgod Rudra.

Wodan als Hemelvader acht ik nu redelijk duidelijk te hebben geschetst, maar zijn rol als schenker van giften of weelde lijkt beperkt te zijn. Hij wordt eenmaal Auðun, Welvaartsvriend genoemd. De giften van Wodan lijken echter meer in de categorie van wijsheid, kennis en genezing te vallen dan van materiële zaken, hoewel materiële giften toch wel prominent aanwezig zijn in onze Sinterklaasgebruiken. Hij is echter de God die zijn oog (of ogen) offert voor de wijsheid, die dankzij een negendaags offer de Runen (het schrift) bemachtigt en de bewaarder is van alle liederen. Wodan is zo wellicht meer de brenger van kennis en inzicht dan van materiële welvaart, al wordt wel duidelijk uit de titel Auðun dat het goed benutten van zijn giften kan leiden tot die materiële welvaart.

Wodan als Leraar

Wodan was ook de god van de Seiðr. Seiðr is een term voor de sjamanistische en magische tradities van het oude Noorden. Deze praxis genoot een zeker aanzien, maar het bracht ook een zeker stigma met zich mee.

Mannen die zich namelijk aan deze magie waagden, werden gezien als ergi, een woord dat onmannelijkheid aanduidt. In de huidige tijd wellicht vergelijkbaar met ‘mietje’, of wellicht zelfs ‘flikker’. Het was niet het terrein waar een goede viking-huisvader werd geacht zich op te begeven. Het is niettemin moeilijk te zeggen of dit domein enkel voor vrouwen bestemd was.

Dit is het terrein waar Wodan domineerde, hier was hij Gagnráðr, de Voordelige Raadgever, Hroptatýr, de Wijze God en Sviðurr, de Wijze. Als Seiðr-god is Wodan Sanngetall, de Waarheidsvinder en Hleifruðr, de Wegvinder. Hij is degene die Weet (met hoofdletter W) en aan wiens kennis men met Seiðr kan deelgenoot kan worden.

In onze tijd relateren wij zulke kennis aan boeken, wij slaan hierin middels het schrift op wat wij weten. En heeft niet Sinterklaas een Groot Boek waar in staat of een kind zoet of stout is geweest, en wordt niet in dit boek alle kennis van de goedheiligman over alle kindjes bewaard? Binnen een orale traditie, bestaan er geen boeken en ligt dit soort kennis besloten in de liederen. Wodan is daarom Galdrafǫðr, de Liederenvader, een zeer belangrijke titel in een tijd van orale tradities. Hij die de liederen kende, had de kennis. Dat is in zekere zin vergelijkbaar met iemand die vandaag de dag toegang tot het internet zou hebben, terwijl niemand anders dat heeft.

Wodan was de bewaker van de Mede van Poëzie, Óðrœrir, die hij stal van de reuzen zoals verteld in het gedicht Skáldskaparmál. De wortel Óðr- ligt ook onder de naam Odin, en betekent zoveel als goddelijke inspiratie. Wederom zien we de Hemelvader in verband gebracht met een middel dat tot groots inzicht kan leiden. Poëzie verwijst natuurlijk de liederen die binnen een orale traditie het vat zijn, waarin de kennis van de cultuur bewaart wordt. Wodan ontworstelde deze mede uit de handen van drie reuzen, door zich te vermommen als Bǫlverkr, de Kwaadwerker. Wodan dronk alle mede op, veranderde zich in een adelaar en ging met zijn buik vol mede op de vlucht.

In zijn vlucht voor de reuzen verloor Wodan een klein beetje van de mede uit zijn anus. Dit deel (Skáldfífla hlutr, het aandeel van de rijmelaar) viel op aarde, en kan door de mensen ingenomen worden om poëzie te beoefenen. Voor de echte meesters van de liederen brengt Wodan echter de mede langs die hij uit zijn mond opbraakte toen hij het terug naar Asgard bracht.

Wodan als Genezer

In de Merseburger toverspreuken, een tweetal bewaard gebleven middeleeuwse toverspreuken uit de voor-christelijke traditie, staat Wodan beschreven als de zanger van genezende liederen:

Phol ende uuodan uuorun zi holza du uuart demo balderes uolon sin uuoz birenkit

thu biguol en sinhtgunt• sunna era suister thu biguol en friia, uolla era suister thu biguol en uuodan so he uuola conda

sose benrenki sose bluotrenki sose lidirenki

ben zi bena bluot zi bluoda lid zi geliden

sose gelimida sin

Phol en Wodan reden naar het bos. Daar raakte de voet van het veulen van Baldr gewond.

Toen zong Sinhtgunt tot hem (tot de voet), haar zuster Sunna;

Toen zong Frija tot hem, haar zuster Volla;

Toen zong Wodan tot hem zoals hij dat goed kon.

Zo botkwetsuur, zo bloedkwetsuur, zo ledemaatkwetsuur:

bot tot bot, bloed tot bloed, lid tot ledematen:

laat als gelijmd hen zijn.

Wodan als Heer van Legers

Wodan is voor velen vooral bekend als de leider van de Wilde Jacht; een grote stoet die door de hemelen raast in de wintermaanden. Dit verhaal wordt vaak aangehaald als de bron van de Sinterklaasgebruiken.

Als de aanvoerder van de Wilde Jacht is Odin Draugadróttinn, Heer van de Ondoden en Hléfreyr - Heer van de Graven, aangezien zijn gevolg bestaat uit de Einherjar, krijgers die in de strijd de dood vonden en om hun glorie en roem tot in het hiernamaals in Wodans hallen werden toegelaten.

De Wilde Jacht is in veel opzichten vergelijkbaar met de Bhūtagaṇa; het zijn destructieve bovennatuurlijke krachten die aangewend worden door de Hemelvader, om zijn orde te verdedigen en de krachten die haar vijandig zijn te bestrijden. In het hoofdstuk Nafnaþulur van de Skáldskaparmál van Snorri Sturluson wordt Hildólfr, Strijdwolf, genoemd als zoon van Wodan. Weer een element dat duidelijk parallel loopt met Ganesha, zoon van Shiva. Hoewel een vermomde Wodan deze naam zelf draagt in het gedicht Hárbardsljód. Mogelijk is het Wodan zelf die als een bloeddorstige wolf met zijn gevolg de krachten van chaos bedwingt, vernietigt of onderwerpt.

De Erlköning en de Harlekijn

Ik neem nog een korte omweg langs twee andere zijtakken in deze geschiedenis alvorens we bij de Sint belanden; de Duitse Erlköning en de Frans-Lombardische Harlekijn.

In deze figuren is het effect van de kerstening zichtbaar. De Christelijke theologie maakt van God een vertegenwoordiger van het Goede en Ordelijke, en wijst het wanordelijke, angstaanjagende en chaotische aan als het domein van de duivel. De Hemelvader, die in Sinterklaas de vorm aangemeten heeft gekregen als vertegenwoordiger van de Kerk, kon niet langer geassocieerd worden met de chaotische, extatische aspecten, en dus werden deze aspecten uit het karakter weggefilterd.

Echter vonden deze aspecten niettemin elders hun onderkomen. Zo ontstonden de gebruiken van de Harlekijn en Erlköning. Deze figuren zijn de vergaarbakken voor de wanordelijke, afschrikwekkende aspecten van de Hemelvader, toen de oude goden eenmaal gekerstend waren.

In de Erlköning en de Harlekijn. begint het Sinterklaas-gebruik duidelijk zichtbaar te worden. Voor beide figuren gaat de naam terug naar dezelfde oorsprong: Herla cyning, de koning van de legers. Tegen de tijd dat deze twee figuren ten tonele komen, zijn de legers van de natuurgeesten en ondoden volledig tot demonisch verklaard, en vervullen de beide figuren een soortgelijke rol als aanvoerders van deze duivelse machten. Ook zijn het pure *trickster-*figuren, kwaadwillig en destructief.

De Harlekijn, in zijn opvallend vrolijke pakje met zijn zwarte masker roept gemakkelijk associaties op met Zwarte Piet, en de Erlköning als aanvoerder van de ongoddelijke elven in de Duitse wouden, lijkt hier een noordelijke Dionysus die de razende thiasos leidt.

Sinterklaas de Angstaanjagende?

De Hemelvader heeft twee gezichten. Hij is enerzijds de brenger van giften en anderzijds de god die de deugden weegt. Voor demonen, priesters van de duivel en de mensen die hun plannen in hun gedrag uitvoeren komt de Hemelvader als een afschrikwekkende godheid om de orde te verdedigen en de chaos te bestraffen.

Zodra het gebruik gekerstend werd, viel het afschrikwekkende aspect de duivel ten deel, en werd de Hemelvader in twee verschillende figuren gesplitst. Door heel Europa zie je dat in de Sinterklaas- en Kerstgebruiken. Tegenover Sinterklaas, staat de Zwarte Piet, de Krampus of de Percht. Tegenover Father Christmas stond de Lord of Misrule.12

Helaas hadden de generaties die ons voorgingen het niet zo op met een godheid die straft, of oordeelt of überhaupt iets doet wat niet past in de wereld na generatie ‘68. Zo zijn geleidelijk deze kwade, wilde aspecten uit de feesten verbannen.

In de Amerikaanse Santa Claus is er geen duivelse trickster of menigte onhandelbare figuren meer aanwezig.13  In dit precedent raakt ook het Nederlandse Sinterklaas-gebruik meegetrokken. Het moet mak worden—tam gemaakt.

Het angstaanjagende aspect verdween, de woeste hemelvader werd zo een olijke kindervriend en de menigte extatische wezens veranderden in acrobaten die kinderen vermaken. De wijze Hemelvader is niet langer de kenner van de genezende liederen en de brenger van goddelijke nectar, maar is verworden tot een versufte, oude man die het eigenlijk ook allemaal niet meer zo goed weet, maar wel graag kadootjes geeft, ongeacht aan wie (want sinds de zeventiger jaren bestaan er geen “stoute kindjes” meer). Niet langer is hij daarom de Weger van Deugden, maar een welvarende, dementerende man met een gat in zijn hand.

De les die ik wil meegeven is dat je niet bij Shiva kunt komen zonder een relatie op te bouwen met de aspecten van Rudra. Een makke Hemelvader is een tandeloze Hemelvader, een god die niet in staat is zijn goddelijke orde te verdedigen. Als de Brenger van Giften zich niet langer als Yggr of Bhairava kan manifesteren, zal hij de wezens van Adharma - zij die niet werken in lijn met de Logos - niet meer kunnen verjagen uit zijn tempels.

De hemelse drank van onsterfelijkheid en het beteugelen van kwade machten

De ware gift van de Hemelvader lijkt iets anders te zijn dan materiële zaken. Het is de Soma, Amrita, Ambrozijn of Odroerir. De giften van de Hemelvader zijn de magische liederen, wijsheid en misschien zelfs gnosis; de ultieme kennis of inzicht van de realiteit. Het inzicht dat tot onsterfelijkheid leidt: onze vorm mag eindig zijn, de ziel is dat niet.

De tweede gift van de Hemelvader is het onderwerpen van de chaotische machten. De Bhutagana, de Wilde Jacht, de Krampuslauf, de Thiasos. Al deze progressies duiden op een beteugeling van dergelijke machten. Deze machten mogen er zijn, maar de Hemelvader onderwerpt ze aan Zijn orde of ze worden verjaagd en vernietigd.

Ver voordat onze civilisatie zaken als voedselconservering, centrale verwarming en soortgelijke moderne middelen had ontwikkeld, werd leeftijd vaak gemeten in het aantal winters dat men had overleefd. De winter was een harde tijd, met schaarste, kou en honger. De kans dat je in de winter aan je einde kwam, was aanzienlijk. Sinterklaas en zijn thiasos van onstuimige geesten kwam aan het begin van de winter om je eraan te herinneren niet bang te zijn voor de dood, en om een glimp te geven van de Hoogste die je opwacht aan gene zijde.

Daarnaast verjoeg hij de kwade machten die aanwezig waren in de gemeenschap, en in sommige gebruiken worden de slechte luitjes nog steeds flink te pakken genomen door de met roet vermomden die in deze periode door de gemeenschap razen. Op deze manier helpt de Hemelvader nog steeds om iedereen zoveel mogelijk de winter goed door te komen. Want zijn Orde zal zijn, zelfs als jij het einde van de winter niet zou halen. Daar zorgt hij voor. Hij weegt wie deugdelijke daden doet, en draagt de duivels uit zijn thiasos op diegenen te straffen die zich slecht gedragen. Dit is hoe hij zijn orde verdedigt.

De toekomst van het Sinterklaasfeest

Het is voor ons belangrijk om in het Sinterklaasfeest de perennialistische patronen te ontwaren, opdat wij het zo nieuw leven in kunnen blazen. Doordat we deze patronen namelijk niet langer erin ontwaren, is de vorm tot het enige belangrijke geworden. Enkel nu de vorm onder druk is komen te staan, zijn mensen opgestaan om de vorm te verdedigen, terwijl ze alle connectie met de onderliggende ziel van het gebruik uit het oog verloren zijn.

Als we echter nog in contact hadden gestaan met de perennialistische wortels van het Sinterklaasfeest, was het veranderen van de vorm geen enkel probleem geweest. Zoals ik heb aangetoond, veranderde er nogal wat aan de vorm sinds Razende Rudra (als Shiva) uitreed met zijn Bhūtagaṇa. Wat wij herkennen als Sinterklaas is in zekere zin al een gecastreerde versie van oeroude patronen. Een vorm die salonfähig is gemaakt voor de smaak en gevoeligheden van de moderne burgerij, en daarmee de essentie al reeds lange tijd verloren is—ver vóór discussies over de vorm überhaupt op gang kwamen.

Nu we aan het begin van een vormverandering staan, wellicht is het slim om van dit kairos14 gebruik te maken en het gebruik weer in contact te brengen met zijn wortels, om het nieuw leven in te blazen en het uit de klauwen van de zielloze consumptiemaatschappij te redden. Geef het Sinterklaasfeest zijn Yggr/Bhairava energie terug, en de Bhūtagaṇa rijdt weer uit. Laat de vorm van de Bhūta los, en kijk naar de vele vormen van geesten, duivels en andersoortige randfiguren die achter de verschillende manifestaties van de Hemelvader aantrekken. Vier het feest omwille van zijn essentie, niet om de vorm.


  1. Aldus is ook het woord “inspiratie” afgeleid van het Latijnse “spiritus” (geest/adem). ↩︎

  2. Σχόλιον Πρόκλου επί Κρατύλου Πλάτωνος (Commentaar van Proklós op Plato’s Cratylus). Het citaat, in de vertaling van Thomas Taylor luidt:

    *“He (Olympian Zefs) is also the summit of the three, has the same name with the fontal (he who is the source) Jupiter (Ζεύς), is united to him, and is monadically called Jupiter. But the second is called dyadically, marine Jupiter and Neptune (Ποσειδῶν). And the third is triadically denominated, terrestrial Jupiter, Pluto (Πλούτων) and Hades (Ἅιδης). The first of these also preserves, fabricates, and vivifies summits, but the second, things of a second rank, and the third those of a third order. Hence this last is said to have ravished Proserpine (Περσεφόνη), that together with her he might animate the extremities of the universe.” ↩︎

  3. “The reason for its three eyes (ed. a statue of Zefs originally from Troy) one might infer to be this. That Zeus is king in heaven is a saying common to all men. As for him who is said to rule under the earth, there is a verse of Homer which calls him, too, Zeus: ‘Zeus of the Underworld, and the august Persephonea.’ (Ἰλιὰς Ὁμήρου 2.9.457)

    The God in the sea, also, is called Zeus by Aeschylus, the son of Euphorion. So whoever made the image made it with three eyes, as signifying that this same God rules in all the three “allotments” of the Universe, as they are called.” (trans. W. H. S. Jones, 1918)
     ↩︎

  4. Rigveda, Maṇḍala 2, Sūkta 1, Ṛc 6. ↩︎

  5. Rigveda, Maṇḍala 2, Sūkta 33, Ṛc 9. ↩︎

  6. Rigveda, Maṇḍala 2, Sūkta 33, Ṛc 10. ↩︎

  7. Rigveda, Maṇḍala 8, Sūkta 20, Ṛc 17. ↩︎

  8. Rigveda, Maṇḍala 7, Sūkta 59, Ṛc 12. ↩︎

  9. Rigveda, Maṇḍala 10, Sūkta 92, Ṛc 9. ↩︎

  10. Een Sadhu of Sadhoe is een asceet in het Hindoeïsme. Deze wijdt zich aan het bereiken van geestelijke bevrijding, door meditatie en onthouding. ↩︎

  11. Orfische Hymne 30. Διονύσου, θυμίαμα, στύρακα↩︎

  12. Een oud gebruik in Europa rond de kersttijd waarbij iemand werd aangewezen als verantwoordelijke voor de feestelijkheden, specifiek degene waarbij veel drank en onbeteugeldheid kwam kijken. ↩︎

  13. Wel is het interessant te benoemen dat Santa Claus daarentegen een element van de Erlkönig overneemt, daar hij elfjes als gevolg heeft. Helaas is dit slechts een cosmetische terugval, deze elfjes zijn hoogstens impish, nooit echter zijn zij op wat voor wijze ook chaotisch of waanzinnig. ↩︎

  14. Kairos duidt een moment aan, maar met de specifieke lading dat hier sprake is van een scharnierpunt in de tijd. Een belangrijk keuzemoment. Een opportuun moment waarop iets wat eerst onmogelijk was, nu mogelijk wordt. ↩︎

Indo-Europees is een inadequate aanduiding. De juiste term is ‘Indo-Germaans’. ‘Europees’ is namelijk een geografische aanduiding, terwijl de auteur een taalkundig punt probeert te maken. Het begrip dat de gerelateerde talen beschrijft is dus (Indo-)Germaans, niet Europees. Het Europese continent kent immers ook andere, niet-Germaanse taalfamilies, namelijk, in relatie tot het stuk: Romaans. Deze fout, maar vooral het feit dat de auteur Indo-Germaanse etymologie zomaar koppelt aan Romaanse etymologie, geeft te kennen dat de auteur weinig kaas heeft gegeten van het onderwerp.