Over het gelijkheidsprincipe
| 8 minuten leestijd
Kuzma Petrov-Vodkin, Fantasia
Kuzma Petrov-Vodkin, Fantasia

Over het gelijkheidsprincipe

Enkele reflecties op de betekenis van gelijkheid in onze samenleving

Ihr Prediger der Gleichheit, der Tyrannen-Wahnsinn der Ohnmacht schreit also aus euch nach »Gleichheit«: eure heimlichsten Tyrannen-Gelüste vermummen sich also in Tugend-Worte!1

Gelijkheid is het zand waarop de contemporaine samenleving haar kerk heeft gebouwd. Met deze gelijkheidsmoraal wordt getracht een leemte te vullen die in ethisch opzicht ontstond bij het aanvaarden van het materialisme als leidende kosmologie van de Westerse samenleving. Niet langer immers gehoorzamen wij koning en kerk, maar hebben het centrum van het universum en van de samenleving verschoven naar het individu. Deze omgekeerde copernicaanse revolutie heeft als gevolg gehad dat de mens slechts zichzelf is gaan dienen. Wij zijn allen koningen en moeten ook zo behandeld worden, hogere doelen hebben wij verworpen, want het leven is eindig en onze persoonlijke belangen, uit kleingeestigheid ontsprongen, zijn derhalve heilig: manducemus, et bibamus, cras enim moriemur!2

Hoe uit deze houding de gelijkheidsdrang ontstond is niet moeilijk te begrijpen: als de mens dit leven als enige kans beschouwt en daarbij zichzelf voor het middelpunt van de wereld aanziet, dan accepteert hij onder geen beding een positie van onmacht en ondergeschiktheid aan anderen maar zal eisen dat anderen, wanneer niet ondergeschikt, ten minste gelijk aan hen zijn—d.w.z. dat zij afdalen naar zijn niveau.

Zo zien we dat deze moraal, die in het huidige collectieve bewustzijn verankerd is geraakt, in beginsel samenhangt met ressentiment en vanachter een deugdzaam masker laat zich reeds een grijnzende wraakzucht zien. Om dit te illustreren zal ik een opmerking van Schopenhauer citeren inzake de intellectuele ongelijkheid tussen mensen:

Sogar bei ziemlich gleichem Grade der Bildung gleicht die Konversation zwischen einem großen Geiste und einem gewöhnlichen Kopfe der gemeinschaftlichen Reise eines Mannes, der auf einem muthigen Rosse sitzt, mit einem Fußgänger. Beiden wird sie bald höchst lästig und auf die Länge unmöglich. Auf eine kurze Strecke kann zwar der Reiter absitzen, um mit dem Andern zu gehn; wiewohl auch dann ihm die Ungeduld seines Pferdes viel zu schaffen machen wird.3

Wat nu de gelijkheidsstrijder doet, is niet veel anders dan—om met deze metafoor te spreken—de ruiter te dwingen te blijven lopen, want zoveel sneller dan hij anders zou rijden is oneerlijk en ongelijk.

De vanzelfsprekendheid waarmede de gelijkheid als kernwaarde wordt aangehangen legitimeert de rancune van degenen die zich op wat voor wijze ook tekort gedaan voelen en geeft hen de wapenen in handen om dit vermeende onrecht te bevechten. De moderne mens toetst immers de uitgesproken grieven aan het gelijkheidsprincipe en moet als gevolg noodgedwongen hun gelijk erkennen. Als gelijkheid zich op deze wijze laat gelden ontstaat er een glijdende schaal die alle waarden die niet met haar aspiraties conformeren verplettert. Zo worden de fundamenten die het westen lange tijd hebben gedragen steeds minder vanzelfsprekend en deze moeten allen buigen voor de egalitaire neiging.

Wijzen wij echter bepaalde uitwassen af, zo moeten we noodgedwongen de gelijkheid als absoluut principe afwijzen. De liberaal wordt met dit dilemma geconfronteerd, maar hij wil het principe der gelijkheid tegelijkertijd niet verloochenen. Zo grijpt hij de idee van gelijke kansen aan, een contradictoire positie want hij begrijpt niet dat kansen louter een theoretisch bestaan beschoren zijn: in feite hangt elke gebeurtenis en elke handeling onlosmakelijk samen met alle voorgaande gebeurtenissen en handelingen, gebonden aan het karakter van elk van de betrokkenen en de motieven die op hen werken.4

Hier heeft de gelijkheidsdenker dan ook niet ongelijk en trekt hij de oorzakelijkheid in zekere zin op juiste wijze door. Wat uit deze gevolgtrekking in de rancuneuze ideologie van de gelijkheidsstrijder, met een zeer selectieve terugblik richting het verleden, echter volgt is het concept van een nieuw soort erfzonde, die de naam privilege draagt. Privilege moet bekampt worden waar deze ontwaard wordt, zo meent degene die het gelijkheidsprincipe van ganser harte onderschrijft.

Dit privilege is dan in het betreffende verhaal gecreëerd—en wordt nog immer in stand gehouden—door bepaalde groepen mensen die het narratief beheersen. De vruchten van deze onderdrukking worden, bewust of onbewust, geplukt door de nakomelingen van de onderdrukkers; hierdoor ontstaat een erfschuldscenario, dat vrij openlijk raciaal getint is: de boze witte man is zo de bron van alle kwaad. Naast de historische incorrectheden die men zich hierin veroorlooft, schept het een ideaal, waarin de bevrijding van onderdrukte groepen de onderdrukking of vernietiging van de boze witte man vereist. De vijandschap tegen de blanke mannen die de wereld bevolken houdt stand, mutatis mutandis, bij andere onderdrukkingsscenario‘s die ons worden opgedrongen zoals de onderdrukking van vrouwen, seksuele minderheden, gehandicapten etcetera.

Wat hieruit wederom duidelijk wordt, is dat de hele kwestie louter om macht draait en zich op bedrieglijke wijze slechts voordoet als een nobele strijd. Het doel is namelijk pas bereikt als de machtsstructuur zich heeft omgedraaid. Het antiracisme is op deze wijze volbloedracisme, de rechten van minderheden worden ingewisseld voor de rechten van de vermeende onderdrukkers en de strijd tegen macht een strijd om de macht, waar niet slechts het klassieke middel—brute kracht—wordt aangewend, maar arglistig op het medelijden van de medemens wordt ingespeeld en in het bijzonder op de empathische aard van vrouwen, die zich in deze zin gemiddeld vaker laten gebruiken daar zij door de giftige, met rancune doortrokken retoriek van de gelijkheidsstrijders gemakkelijk worden misleid.

Wat die retoriek betreft: deze kan het beste worden bezien in het licht van de relatie tussen macht en kennis, want zo is het eenvoudig zelfs onze meest abstracte kennis evenals de taal verdacht te maken als machtsmiddel. Dit is waarom er zo vurig wordt gestreden tegen de westerse filosofie, tegen de culturele canon en waarom wordt aangedrongen op dekolonisatie van het curriculum op universiteiten. Het onderwijs vertegenwoordigt in deze strijd een sleutelpositie, want kennis zou in dienst staan van de macht en alledaagse redewendingen in onze taal onbewust de bestaande machtsstructuren bestendigen. De wortels van deze ideeën over de rol van kennis en taal in de context van machtsstructuren vinden we in het fallogocentrisme van Derrida en Foucaults notie van de wisselwerking tussen pouvoir en savoir. Hierbij mag het niet onbenoemd blijven dat deze ideeën dikwijls uit hun originele verband gerukt zijn en zonder enige begrenzing worden ingebed in de argumentatie van de zeloten der gelijkheid zodat het hun belangen dient.

Door deze retoriek, door de ogenschijnlijk redelijke onderbouwingen die door gelijkheidsstrijders worden aangewend in een poging ons te overbluffen moeten we heen prikken net zozeer als we de deugdelijke maskerade die de gelijkheidsstrijder opvoert moeten doorzien. De sleutel dit te doen ligt in het erkennen en benoemen van de fundamentele onwaarde van gelijkheid als kernprincipe. Laat mij hier uiterst precies zijn: er zijn wel degelijk contexten waarin een bepaalde toepassing van gelijkheid niet onverdienstelijk kan zijn, mits ondergeschikt aan andere, hogere waarden. Ik meen dat ook De Chateaubriand deze gedachte deelt, als wij lezen hoe hij over gelijkheid spreekt: 

L’égalité, notre passion naturelle, est magnifique dans les grands cœurs, mais, pour les âmes étroites, c’est tout simplement de l’envie; et, dans la foule, des meurtres et des désordres; et puis l’égalité, comme le cheval de la fable, se laisse brider et seller pour se défaire de son ennemi; toujours l’égalité s’est perdue dans le despotisme.5

De problemen ontstaan in de context van het wegvallen van deze hogere waarden in een geseculariseerde samenleving waar andere Goden ten grave zijn gedragen, wanneer het gelijkheidsprincipe als absoluut wordt verheven. Om de waanzin van de gelijkheidsdrang te bestrijden, zullen wij derhalve genoodzaakt zijn om de vanzelfsprekendheid waarmede de gelijkheid als principe wordt onderschreven te doorbreken en andere waarden weer op de voorgrond te brengen.

Dit zal niet, zoals men misschien zou denken, een verschuiving betekenen van het gehele paradigma waarop de Westerse samenleving is gebouwd: integendeel, het voormalige vuur van deze oude waarden smeult nog na en hoeft louter aangewakkerd te worden. Het is zaak de schuimbekkende hordes die beneveld zijn door hun fanatisme het hoofd te bieden en standvastig te blijven in ons ongeloof aan de gelijkheid. Nee, laat ons zelfs de ongelijkheid omarmen; want de grenzeloos geborneerden6 waaruit het merendeel van de mensheid bestaat bestormen de paleizen en de tempels enkel en alleen om zich als beesten aan de dis van edelen en priesters neer te vlijen en zich vol te vreten. Het is de zelfzucht die hen leidt en onder dit brute geweld zullen de nobelere kwaliteiten der mensheid breken, tenzij wij ze vurig blijven uitdragen en verdedigen en in de harten van de mensen het vuur, het verlangen naar tijdloze waarden, weer weten te ontsteken.


  1. Gij predikers der gelijkheid, de tirannenwaanzin der onmacht schreeuwt zodoende uit u om “gelijkheid”: uw heimelijkste tirannieke verlangens vermommen zich zo in deugdzame woorden!

    Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra, II. Teil, Von den Taranteln; zie Over de wraakzucht der tarantula’s↩︎

  2. 1 Korintiërs 15:32: Laten we eten en drinken, want morgen zullen we sterven. ↩︎

  3. Zelfs bij een redelijk gelijk niveau qua scholing kunnen wij de conversatie tussen een grote geest en een gemiddeld intellect vergelijken met de gezamenlijke reis van een man die op een levendig paard zit met een voetganger. Voor beiden wordt deze reis al gauw uiterst vermoeiend en uiteindelijk onmogelijk. Kortstondig kan de ruiter afstijgen om met de ander te wandelen, hoewel zelfs dan het ongeduld van zijn paard het hem lastig zal maken.

    Arthur Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, II. Band, Ergänzungen zum ersten Buch, Kapitel XV ↩︎

  4. Hierover is eerder op deze website een treffend artikel gepubliceerd. Het betreffende artikel is hier te lezen. ↩︎

  5. De gelijkheid, onze natuurlijke passie, is magnifiek in grote harten, maar, voor de kleine zielen, is het eenvoudigweg nijd; en, in de menigte, moorden en wanorde; en gelijkheid laat zich dan, zoals het fabelpaard, teugelen en opzadelen om zich van haar vijanden te ontdoen; de gelijkheid is altijd verloren geweest in despotisme.

    De Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe. ↩︎

  6. Dit woordgrapje wordt bij monde van het personage herr Marcellus Stengel gemaakt door Thomas Mann in zijn Buddenbrooks↩︎

Aangehaald in dit artikel:

François-René de Chateaubriand Jacques Derrida Michel Foucault Friedrich Nietzsche Arthur Schopenhauer

De haas kan zijn snelheid niet leren aan de schildpad.