Was Jeruzalem hier gebouwd?
14 minuten leestijd

Gastauteur

Was Jeruzalem hier gebouwd?

Een verkenning van egalitair antimodernisme

Was Jeruzalem hier gebouwd?
14 minuten leestijd
Dit artikel is een vertaling van het artikel Was Jerusalem builded here? van de Amerikaanse filosofiedocent W.D. James. Het origineel kunt u hier lezen.

And did those feet in ancient time
Walk upon Englands mountains green:
And was the holy Lamb of God,
On Englands pleasant pastures seen!

And did the Countenance Divine,
Shine forth upon our clouded hills?
And was Jerusalem builded here,
Among these dark Satanic Mills?

— William Blake, Jerusalem, 1808

Wellicht de belangrijkste vraag voor ons in dit postmoderne tijdperk is: was de moderniteit, met haar beloftes van verlichting, bevrijding en vooruitgang in beginsel de grote sprong voorwaarts van de menselijke geschiedenis of haar grootste stommiteit? Zij die het tweede antwoord geven kunnen we als ‘anti-modernisten’ aanduiden. Politiek gezien wordt anti-modernisme dikwijls geassocieerd met reactiviteit, onderdrukking en het fascisme.1 Hoewel dit soms het geval is, zou ik willen opperen dat er een geheel andere anti-modernistische traditie is, die wordt gekenmerkt door eerbied voor traditionele en inheemse vormen van kennis, een nostalgie naar een organische gemeenschap en een ethische toewijding aan egalitarisme en vrijheid. William Blake zou in deze traditie hoog in het vaandel staan.

In dit opstel wil ik graag deze ‘egalitaire anti-modernistische’ traditie duiden en onderzoeken. Wat is het? Welke denkers behoren hiertoe? En welke visie en welke waarden staat zij voor? Om antwoorden te verkrijgen op deze en andere vragen zal een gedegen basis moeten worden gelegd. Dit opstel is daaraan gewijd.

Wat is ‘de moderniteit’?

Dit is een omstreden en veelbetwiste vraag. Enerzijds neem ik de vrijheid om de naar mijn mening fundamentele kenmerken van de moderniteit te belichten en anderzijds hangt dit af van in hoeverre mijn keuzes verdedigbaar zijn vanuit ons historische gezichtspunt, terugkijkende vanuit ons perspectief middenin de postmoderniteit, of het laat-kapitalisme, zoals Frederic Jameson het noemde.2 Ik zal de moderniteit voorstellen als wezenlijk rustend op een grondslag van filosofisch nominalisme dat daarna doordringt in bepaalde essentiële sociale structuren en gebruiken. Daarna zal ik een aantal ondergeschikte eigenschappen toelichten die uit deze structuren voortkomen om het beeld verder uit te werken en, afsluitend, zal ik enkele alternatieve moderniteiten schetsen die de tand des tijds niet hebben doorstaan.

Met ‘filosofisch nominalisme’ bedoel ik de radicale verschuiving in de metafysica (het aspect van de filosofie die de fundamentele en uiteindelijke aard van hetgeen bestaat bestudeert) die geassocieerd wordt met de middeleeuwse filosofen Peter Abelard en William van Ockham. Wat zij in essentie betoogden was dat ‘universalia’ niet bestaan. Met ‘universalia’ bedoelden zij dat alledaagse naamwoorden zoals ‘mens’ of ‘tafel’ in feite niet naar iets verwijzen dat bestaat, maar dat deze naamwoorden louter ‘namen’ zijn (daarom nominalisme, van het Latijnse ‘nomen’-‘naam’) die wij voor het gemak of voor utilitaristische doeleinden aan dingen geven. Om te begrijpen waarom dit van belang is, zullen wij ons op het eerste voorbeeld richten.

De Reactionair

Boekenwinkel

Ondek onze grote collectie boeken, zoals De seksuele revolutie, in onze boekenwinkel.

De seksuele revolutie

De meeste voorgaande filosofen (en, in feite, de meeste voormoderne volkeren) waren wat we ‘realisten’ noemen in dit opzicht. Dat wil zeggen; zij meenden dat ‘mens’ naar iets verwees dat werkelijk bestaat (hoewel niet in concreto): zulke zaken zijn echt. Marie, Bob en Alexandra zijn individuen, maar zij delen werkelijk in iets dat we ‘menselijkheid’ of ‘menselijke aard’ zouden kunnen noemen. Ze zijn echt, in essentie, vereend in deze gedeelde werkelijkheid. Nominalisten beweren daarentegen dat Marie, Bob en Alexandra in werkelijkheid de enigen zijn die bestaan, en om naar hen allen te verwijzen als ‘mens’ is slechts een taalkundig gebruik. Dit lijkt op het eerste gezicht slechts een academisch probleem in de meest obscure zin des woords maar het heeft diepgaande consequenties voor de echte wereld.

Hoewel de ommezwaai richting filosofisch nominalisme misschien een groot aantal nieuwe kansen heeft geboden, confronteert het ons ook met een paar fundamentele uitdagingen. We kunnen de moderniteit zien als een poging een sociale en existentiële orde te bouwen op een nominalistische basis. De realist, vertrekkende vanuit de overtuiging dat er een gedeelde menselijke aard is, ving aan vanuit de aanname dat we fundamentele zaken met elkaar gemeen hebben, dat er een natuurlijke wet is (een manier van zijn en van handelen in lijn met onze gedeelde aard), en dat gemeenschap onderdeel is van wat ons ‘past’. De nominalisten, anderzijds, alleen de werkelijkheid van een schare individuen, zonder iets echts om hen te verbinden erkennende, hadden te maken met grote uitdagingen betreffende hoe hun begrip van de wereld en van menselijke samenlevingen te ordenen.

Terugkijkende kunnen we een reeks menselijke gebruiken en structuren ontwaren die zich bruikbaar bewezen om mensen te ordenen zonder referentie naar enige transcendente of gedeelde aard of doelstelling. Geschiedkundig gesproken, zijn deze in de moderne wereld hegemonisch geworden.

Op het gebied van kennis werd de moderne, technologisch georiënteerde wetenschap de primaire producent van respectabele kennis. De moderne wetenschap vertrekt vanuit nominalistische aannames. Er zijn geen abstracte werkelijkheden die de natuur ordenen en enige natuurlijke doeleinden met zich meebrengen. Er is slechts het grote aantal individuele, concrete entiteiten die we naar eigen inzicht mogen classificeren zoals dat onze zelfgekozen doeleinden dient. Het postuleren van menselijke doeleinden vormt de leidraad van alle wetenschappelijke ondernemingen. Hoe ziet dit ding er voor ons uit (vs. hoe is het in zichzelf)? Hoe kunnen we ingrijpen in natuurlijke processen, en dus ‘de natuur onderwerpen’? Toen Francis Bacon stelde dat “kennis macht is”, bedoelde hij heel specifiek en letterlijk dit soort wetenschappelijke kennis die gericht is op technologische beheersing. In The New Atlantis (1626) schetste hij het toekomstige project van de moderne wetenschap als verkrijgen van “de kennis van oorzaken; en geheime bewegingen der dingen; en het verleggen van de grenzen van het Menselijke Keizerrijk, zodat alle mogelijke dingen worden bereikt.”3 Inderdaad: “alle mogelijke dingen”. Ongeacht of alle mogelijke dingen goed zijn. In het kort brengt dit ons de onttoverde wereld van de “standing reserve” waarin de natuur wordt blootgelegd (denk hierover in de zin van het oude begrip van ‘Moeder Natuur’) en wordt onderworpen aan onze doeleinden. William Blake noemde dit het “enkele zicht” en “Newtons slaap” waarvan hij hoopte dat het ons bespaard zou blijven. We kunnen dit neutraler formuleren als ‘instrumentele rationaliteit.’ Wat je wint is veel meer controle en technologische ontwikkeling, maar tegen welke prijs?

Op het gebied van politiek, geeft het ons liberalisme, in de strikte zin genomen een politiek gegrond op individualisme (onthoud, alleen individuen bestaan echt; zoals een befaamd citaat van Margaret Thatcher luidt: “there is no such thing as society”).4 Dit kan de vorm aannemen van een Lockeaans liberalisme waarin individuen zich verenen via een ‘sociaal contract’ om een beperkte overheid te vormen om hun individuele rechten te beschermen of van een Hobbesiaanse versie waarin individuen besluiten een machtige Leviathan in het leven te roepen en zich tegen elkaar te beschermen en tegen de bellum omnium contra omnes. In beide gevallen is ‘de samenleving’ een construct, een politieke technologie gebruikt door mensen om voort te brengen wat niet door de natuur was voortgebracht. Hier krijgen we onze moderne opvattingen van individuele vrijheid, maar ook de ervaring van het ‘geatomiseerde individu’, ‘vervreemding’ en ‘nihilistische’ fantasieën zoals consumentisme en krankzinnige fixaties op individueel geconstrueerde ‘identiteiten’. Uiteindelijk zal, daar niets hen oprecht verbindt buitenom de technologische staten die zij creëren om zichzelf te besturen, de staat hoe dan ook de meester worden en het volk de beheerde kudde. We krijgen zo Blakes:

The hand of Vengeance found the Bed
To which the Purple Tyrant fled
The iron hand crush’d the tyrant’s head
And became Tyrant in his stead.

De “Purple tyrant” is de tirannie van de monarchie. De “iron hand” is de Leviathan, de machine, die we hebben opgetuigd om de monarch te vervangen. Het overweldigt de monarchie (wellicht hier een specifieke verwijzing naar de regicide van Charles I ten tijde van de Engelse burgeroorlog), maar “wordt tiran in zijn plaats.”

Op het gebied van economie, krijgen we kapitalisme. Door de “onzichtbare hand” van Adam Smith, zal de markt waarde toewijzen en productie en consumptie organiseren door een vrijwel oneindige hoeveelheid individuele transacties. Er zijn geen overkoepelende morele normen om onze economische levens te regeren, enkel de economische ‘survival of the fittest’. Zoals Marx opmerkte, leidt deze inhumane structuur tot een ongehoorde productiecapaciteit. Zoals we ook zien, erkent het geen morele of natuurlijke begrenzing aan de uitbuiting van de natuur en van mensen (waar in feite geen kwalitatief onderscheid bestaat, gezien ‘mens’ niet naar iets werkelijks verwijst). Hier hebben we dus Blakes “dark Satanic Mills” waar er “mountains green” en “pleasant pastures” zouden moeten zijn. Mensen zijn slechts staande reserves of ‘human resources’ zoals al het andere. Mensen als goden, (meesters der natuur) eindigt met het kleineren van mensen tot onder een menswaardig niveau. Ziedaar een dialektiek!

Als laatste, in het gebied van de ethiek, of eigenlijk de enige soort pseudo-ethiek die op deze grond kan worden opgetuigd, krijgen we het utilitarisme. ‘geluk’ gereduceerd tot ‘genot’ (dat empirisch en kwantificeerbaar zou zijn), en we zouden op een of andere wijze een “gij zult” kunnen afleiden uit wat “het meeste geluk voor de meesten”5 zou produceren, aldus Jeremy Bentham. Hoewel je op basis hiervan voorschriften kunt formuleren, is de vraag wat ter wereld je zou bewegen, als individu tussen andere individuen, om je eigen belang op te offeren voor het belang van de meesten. Om de vriend van Adam Smith, David Hume, te parafraseren: er is niets onredelijk aan dat men de voorkeur geeft aan de verwoesting van miljoenen ten overstaande van het prikken van de eigen duim. En zoals Blake zich beklaagde “God forbid that Truth should be confined to Mathematical Demonstration.”6

Om het beeld van wat de moderniteit of de moderne wereld behelst te vervolmaken kunnen we enkele andere fenomenen opmerken die karakteristiek zijn voor haar hegemonische formering. Bijvoorbeeld:

  • De centrale plek die de metafoor van het ‘contract’ inneemt in het organiseren van de politieke en economische sferen. Wat zou anders de basis zijn voor de samenwerking tussen twee individuen?
  • De ontwikkeling van ‘bureaucratische’ structuren om de menselijke activiteit met technologie te sturen. Er is niets aan de mens als unieke materiële objecten om hen immuun te maken voor technologische beheersing.
  • De ontwikkeling van ‘propaganda’ om “orde in de chaos te brengen”. “Propaganda is de uitvoerende tak van de onzichtbare overheid”, om Edward Bernays te citeren, één van de eerste theoretici van deze ‘wetenschap’.7
  • Technologische ontwikkeling en heerschappij.
  • De toepassing van technologische kennis op productie, wat ‘industrialisatie’ oplevert.
  • Het ideaal van ‘rationele autonomie’, afgeleid van Immanuel Kant maar dat, in de praktijk met bureaucratie, propaganda, technologie en industrialisatie uiteindelijk een consumentistische en gescripte vorming van de individuele identiteit.

Deze kunnen we allen beschouwen als min of meer noodzakelijke ontwikkelingen om orde te scheppen in de metafysische chaos die door het nominalisme is ingevoerd.

Moest de moderniteit eindigen met deze specifieke hegemonie? Wellicht maar wellicht niet. Er zijn immers pogingen geweest andersoortige moderniteiten te construeren. Het Marxistische communisme is daar één van. Marx wilde op de verworvenheden van de bourgeoise moderniteit een sociale werkelijkheid bouwen dat de productiecapaciteit ontketend door het liberale, bourgeoise kapitalisme uit te buiten voor sociale en menselijke doeleinden. Historisch gezien is die mogelijkheid nooit van de grond gekomen en het wordt grotendeels beschouwd als ontkracht. Een andere was het fascisme. Fascisme trachtte de verdwenen organische gemeenschapszin functioneel en psychologisch te vervangen door de totalitaire staat en de nationalistische identiteit. Typisch voor de fascistische regimes is dat zij de energy van het industriële kapitalisme wilden beteugelen en kanaliseren in een sociaal harmonieuzere richting met ‘nationaalsocialistische’ of ‘corporatistische’ middelen.8 Wederom staat de geschiedenis weinig welwillend tegenover het overleven van fascistische regimes.

Voor alle doeleinden hier, zal ik aannemen dat, wanneer men een antimodernisme verdedigt, moderniteit als zodanig bestaat uit de hegemonische dominantie van een kader gekenmerkt door liberalisme, kapitalisme, de rede als instrument en utilitarisme tezamen met de genoemde secundaire ordeningsstructuren.

Antimodernismen

Wat zou een het soort gedachtegang vormen dat we als ‘antimodern’ kunnen zien, tegenover ‘postmodern’ of ‘kritisch modern’ (in welke categorie ik Marx zou plaatsen; de moderne verworvenheden grotendeels bevestigend, tegelijk echter proberen het te bekritiseren om een humanere of redelijkere uitkomst te produceren)? In de kern hiervan ligt een afwijzing of kritiek van de stap die de moderne wereld in de eerste plaats heeft gecreëerd.

Denkers die hierbij passen zullen dan, ten eerste zich beroepen maken op het verkiezen van (a) een premoderne vorm van sociale organisatie (zoals de middeleeuwse standensamenleving of tribale structuren) of (b) van een oer-werkelijkheid die als superieur wordt beschouwd ten opzichte van moderne opvattingen (zoals wordt weergegeven in de noties van Natuur of Mythologie). De positieve attributen van deze premoderne situatie zal ten tweede worden gebruikt om de moderniteit te bekritiseren en om een oplossing voor te schrijven die uit deze premoderne waarden put en hen herstelt. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs een terugkeer naar een pre-moderne staat, wat we in zekere zin kunnen beschrijven als ‘reactionair’, maar dat in elk geval put uit deze premoderne waarden of oerwaarheiden om een verbeterd alternatief voor de moderniteit te formuleren.

Bij diegenen die een antimoderne positie innemen kunnen we een fundamenteel onderscheid maken. Dergelijke schrijvers zullen ofwel in het ‘egalitaire’ of ‘aristocratische’ kamp vallen. Wellicht weerspiegelt dit een loyaliteit aan de ene of de andere primaire sociale klassen van de feodale orde: de horigen of de adel.

Aristocratishche antimodernisten zullen meestal de waarden van de adel hooghouden: kracht, wil, hierarchie en macht. Joseph de Maistre en Thomas Carlyle kunnen gezien worden als de stichters van deze antimoderne stroming van . Hoewel het een lastige vraag is of Nietzsche een antimodernist was, putten latere aristocratische antimoderne denkers veel uit zijn denken. In dit kamp kunnen we denkers als Julius Evola, Ernst Junger en Alexandr Doegin plaatsen. Het antimodernisme wordt vaak gelijkgesteld met deze stroming. Zelfs hier, echter, is het domweg bestempelen als ‘fascistisch’ hiervan op zijn minst simplistisch, zeker ook vaak misplaatst. Evola, bijvoorbeeld, beweerde dat hij aan de rechterzijde(!) van het fascisme stond, Junger was een conservatieve revolutionair maar expliciet antinazistisch, mogelijk zelfs zozeer dat hij wellicht deelnam aan de mislukte poging van Duitse hooggeplaatsten om Hitler om te brengen in 1944 (de omstandigheden van deze gebeurtenis zijn nog steeds historisch vaag), en Doegin, (die regelmatig als fascist wordt bestempeld in de media) verwerpt deze aanduiding expliciet en heeft in feite een hoogontwikkelde en interessante antiracistische antropologie. Hoe het ook zij, dit is één fundamentele antimoderne mogelijkheid.

Egalitaire antimodernisten hebben de neiging organicisme, communalisme te benadrukken (wat Paul Cudenec benoemt als ‘withness’), de intrinsieke, onschatbare waarde van elke unieke persoon, een voorkeur voor wat common is (in de dubbele zin van het Engelse woord; zowel dat wat gewoon is als dat wat gedeeld is), samenwerking, vrijheid, de waardigheid van eigenlijke producenten en een holistische benadering van de natuur en onze ingebedde plaats in haar. De vaders van deze stroming zijn Jean-Jacques Rousseau en William Blake. Andere baanbrekende denkers zouden lieden zijn als Henry David Thoreau, John Ruskin, William Morris, Leo Tolstoy, G.K. Chesterton, Ananda Coomaraswamy, Mahatma Gandhi, Simone Weil, Jacques Ellul, J.R.R. Tolkien, Ivan Illich, E.F. Schumacher en Wendell Berry. Dit is het alternatieve antimodernisme.

Op dit moment in de geschiedenis zou het vrij helder moeten zijn dat we ergens gezamenlijk een verkeerde afslag hebben genomen. Ik geloof dat deze denkers (en anderen zoals zij) ons kunnen helpen een beter begrip te verkrijgen van hoe diep onze problemen eigenlijk liggen en om een visie te hervinden van een menselijke en vrije toekomst waarnaartoe we zouden kunnen werken. Eerst weerstand, dan (her)schepping.


  1. De associatie van fascisme met anti-modernisme is vaak onterecht, in ieder geval ligt het gecompliceerd. Zie het boek The Birth of Fascist Ideology (1994) van Zeev Sternhell voor een beschouwing van de omarming van de moderniteit, in het bijzonder van het esthetische Futurisme, van het fascisme. ↩︎

  2. In navolging van Jameson zie ik het postmodernisme meer als een eindfase, een laatste of ultieme ontwikkeling van het moderne en derhalve niet echt als een separaat tijdperk. ↩︎

  3. The end of our foundation is the knowledge of causes, and secret motions of things; and the enlarging of the bounds of human empire, to the effecting of all things possible. - Francis Bacon, The New Atlantis ↩︎

  4. er is niet zoiets als de samenleving ↩︎

  5. “It is the greatest happiness of the greatest number that is the measure of right and wrong.” Jeremy Bentham, A fragment on government (1776), Preface “It is the greatest happiness of the greatest number that is the measure of right and wrong.” ↩︎

  6. “God verhoede dat de Waarheid beperkt zal blijven tot een wiskundig bewijs” Dit citaat is afkomstig uit een kanttekening die Blake maakte in zijn exemplaar van The works of sir Joshua Reynolds (1798) bij Discourse VII naast de tekst “as true as mathematical demonstration” - zo waar als een wiskundig bewijs. ↩︎

  7. “Propaganda is the executive arm of the invisible government.” Edward Bernays, Propaganda (1928), Ch. II, The new propaganda ↩︎

  8. Zie La doctrina del fascismo van Benito Mussolini en Giovanni Gentile waar expliciet wordt betoogd dat de staat het volk schept en derhalve ontologisch superieur aan het volk is en openlijk totalitair moet zijn: “Giacché, per il fascista, tutto è nello Stato, e nulla di umano o spirituale esiste, e tanto meno ha valore, fuori dello Stato. In tal senso il fascismo è totalitario, e lo Stato fascista, sintesi e unità di ogni valore, interpreta, sviluppa e potenzia tutta la vita del popolo.”

    “Omdat, voor de fascist, alles in de staat is, en er buiten de staat niets menselijks of spiritueels bestaat, laat staan enige waarde heeft. In deze zin is het fascisme totalitair en interpreteert, ontwikkelt en verbetert de fascistische staat, de synthese en eenheid van elke waarde, het hele leven van het volk.” ↩︎