Brieven aan Lodewijk Poffer, deel 1

De ‘rattenkoning’ van H. M.

Cultuur
5 minuten leestijd

Sinds enige weken heb ik mijn boekenzucht onder controle: wanneer ik mezelf ervan heb overtuigd dat ik een boek niet meer zal herlezen, dan haal ik het weg uit mijn kast, opdat ik er een andere lezer mee kan verblijden en er op de plank weer ruimte ontstaat voor nieuw werk. Zo heb ik gisteren Misdaad en straf en De idioot van Dostojevski weggebracht naar een tweedehandsboekhandel. De grijze mevrouw achter de toonbank was er zeer tevreden mee, wat mij toch altijd enorm verbaast. Komt het door Jordan Peterson dat mensen Dostojevski goed vinden, of was hij al populair, voordat de raaskallende psycholoog uit Canada lezingen begon te geven over kreeften? Ik vind Dostojevski, evenals ieder andere Russische auteur, helemaal niets. Het komt alles neer op de verschrikkelijke ontberingen die een Rus moet doorstaan, zonder enig aards plezier. Het enige waarop een Rus kan hopen in de fictie van Dostojevski, is de gratie gods in de vorm van Jezus Christus, de zoon van God die naar mijn mening veel eerder tot zijn recht komt in de door sneeuw gegeselde steppes, dan in de lieflijke havensteden van de Mediterranee.

De Aantekeningen uit het ondergrondse heb ik nog wel gehouden. Dat verhaal van die verbitterde man, die expres tegen een officier oploopt uit pure nijd en rancune, vind ik geweldig. Het is dan ook een verhaal dat ergens heen gaat, en geen 500 pagina’s nodig heeft om tot een conclusie te komen die men op pagina 10 al verwachtte. Spengler heeft gelijk: de Russen behoren tot een andere cultuurgroep dan West-Europa en ieder die in het huidige Rusland een wederopstand ziet van de traditionele geest, projecteert zijn verlangens op een gebroken Aziatisch land en heeft zichzelf immer bewezen als de verpester van de goede smaak. Wat nu meneer Poffer? Dacht je soms, dat de reactionairen een eenheidsworst vormden? Dat we, omdat we het liberale Westen zo verschrikkelijk verachten, ons maar zouden scharen onder de banieren van de moderne tsaar? Laat me je vertellen dat er onder de marxisten nog meer eensgezindheid leeft dan onder de reactionairen, die in hun eigen gelederen meer ideologische tegenstanders kunnen verdragen dan ieder andere groep!

Nu er weer wat ruimte in mijn boekenkast is, struin ik de stad door, op zoek naar mini-bibliotheekjes, waarin men, onder de geweldige hoeveelheid keukenmeidenlectuur, wel eens een klompje literair goud vindt. Zo heb ik eens in Den Haag, op een zonovergoten dag, Der Tod des Empedokles van Friedrich Hölderlin gevonden. En ook vandaag was het weer raak: ik vond Bericht aan de rattenkoning van Harry Mulisch. Nu weet ik, lieve Lodewijk, dat jij meer houdt van het werk van Reve, en Mulisch maar een enorme snob vindt. Dat vind ik ook. Voor mij is W.F. Hermans de grote Nederlandse naoorlogse schrijver en die andere twee gekken vind ik hooguit grappig (Reve) of ronduit pedant (Mulisch).

Toch heeft Mulisch een paar interessante werken geschreven, zoals zijn gedichtenbundel Egyptisch, die verhaalt over de stad ‘Gran’ waar hij over droomde, en het gefaalde toch enigszins amusante boek Het stenen bruidsbed met die wonderlijke Homerische gezangen tussen het verschrikkelijk experimentele Nederlands van de jaren vijftig door. Mijn vondst in de mini-bibliotheek Bericht aan de rattenkoning behoort echter tot het slechtste en meest onleesbare wat ik tot nu toe van de arische Jood heb gelezen.

Op de kaft staat het afstotelijke Portret van Gerard Andriesz Bicker, de dikke jongen uit de Gouden Eeuw, wiens vadsige smoelwerk reeds enkele decennia te bewonderen is in het Rijksmuseum. Een zeer onsmakelijk beeld als je het mij vraagt! Zou de schrijver met deze kaft het beeld willen schetsen van de rijke blanke bezittende klasse, op wie zoveel wordt afgegeven in Bericht aan de rattenkoning?

Want vergis je niet Lodewijk, onze Harry was in de jaren zestig - dit boek behandelt volgens H. M. de “geschiedenis van Amsterdam in de periode 1965 - 1966” - ontzettend geëngageerd. Hij stond, om met de de klimaatprofeten en socialistische zieligheidspredikers van vandaag te spreken, ‘aan de goede kant van de geschiedenis.’

Het is ronduit lachwekkend om te lezen wat voor ijdele hoop de deugkliek van de jaren zestig had, wat voor laffe ideeën ze erop na hielden, gebaseerd op een luie, al te luie interpretatie van Marx en consorten. Ik lees het als een verslag van verwende kinderen in Amsterdam die ook revolutietje wilden spelen, maar niet de ballen hadden om een overheidsgebouw te bestormen en daar de politie het licht uit de ogen te slaan voor het proletariaat. Nee, “een witgeverfde fiets die moet dienen als collectivistisch vervoersmiddel”, dat zal het privé-eigendom afschaffen! *Viva la revolución! *

Een serieuze ontkrachting heeft dit boekje niet nodig. Socialisme, de zuiverste vorm van rancune - scherper en nijdiger dan christendom - hoeft niet weerlegd te worden met argumenten: een goed historisch vermogen volstaat. Bericht aan de rattenkoning is een farce. De tijd heeft het reeds ingehaald. Het is vandaag zo goed als onleesbaar. Waarom lees ik het dan? Goede vraag Lootje! Welaan, ik lees het om mij in te leven in de socialistische dromen van de boomer-generatie. De dromen die dezelfde generatie in de jaren tachtig en masse over boord flikkerde om tot op heden de touwtjes strak in handen te hebben. Is er een generatie die leugenachtiger is dan de boomer-generatie? Kent mijn generatie überhaupt de omvang van de boomer-machtswellust? Is er ooit een schrijver geweest in Nederland die zo comfortabel heeft geleefd als Harry Mulisch?

Bericht aan de rattenkoning is ook nog eens lyrisch over de stad Amsterdam. Dat begrijp ik goed. Het is een stad met een bepaalde magnetische aantrekkingskracht. Of zoals Camus het zegt in La chute: het is de hel, met als satanisch middelpunt waaromheen de vele ringen en grachten zijn geconstrueerd: de Wallen, waaruit de Boze zijn leger aanvoert. Het is de neurotische stad bij uitstek, waar iedere ziekte wordt verheven tot politieke ideologie.

Goed, ik laat mijn gemoed bedaren! Ik stel uw geduld zeer op prijs meneer Poffer en zal mij niet meer zo snel laten verleiden tot lyrische uitspattingen van afkeur. Maar iedere vorm van socialisme moet ik de kop indrukken, of zoals W.F. Hermans het verwoordt in een interview met Andreas Burnier: “Nederland heeft weinig ruimte voor geweld. Het zou allemaal op de provo’s op het Damplantsoen geconcentreerd moeten worden, en andere mogelijkheden zijn er eigenlijk niet.”

Voor immer je dichter,

Luca