Hoe kan het dat links onderling zo veel van elkaar verschilt? Misschien is dat een vraag die bij velen is opgekomen na het bekijken van het interview van Tim Hofman met Left Laser (Bob Scholte). Ook al zou Tim Hofman zichzelf waarschijnlijk geen marxist noemen, is hij in zekere zin natuurlijk wel te plaatsen binnen een bredere marxistische traditie. Dit fenomeen kan bijna vergeleken worden met het calvinisme tegenover het lutheranisme, die beide uit dezelfde reformatie voortkomen maar toch op bepaalde punten goed van elkaar kunnen verschillen.
Hetzelfde zien we binnen het marxisme. Wanneer men spreekt over ‘de marxist’ alsof er één uniforme marxistische leer bestaat, doet men eigenlijk geen recht aan de enorme verscheidenheid die binnen het marxisme is ontstaan. Er bestaan marxisten die de nadruk leggen op de economie en de productieverhoudingen, marxisten die vooral kijken naar imperialisme en internationale machtsverhoudingen, marxisten die de nadruk leggen op de staat, en marxisten die juist cultuur, ideologie en bewustzijn centraal stellen.
Een van de interessantste breuklijnen binnen deze tradities is daarom de tegenstelling tussen economisch marxisme en cultureel georiënteerd marxisme.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Onderbouw & bovenbouw
Volgens de klassieke marxistische analyse vormt de manier waarop een samenleving haar materiële productie organiseert een structuur of onderbouw. Hieronder vallen onder andere de productiemiddelen, eigendomsverhoudingen en de relaties tussen verschillende klassen binnen het productieproces. Daarboven bevindt zich wat men de bovenbouw kan noemen: politiek, recht, religie, filosofie, moraal, cultuur en andere maatschappelijke instituties. Dit onderscheid wordt vaak samengevat met de termen onderbouw en bovenbouw.
De fundamentele vraag (en waar het conflict zit) is vervolgens: hoe verhouden deze twee zich tot elkaar? Een sterk economisch georiënteerde interpretatie van Marx zal de economische basis een primair gewicht geven. De materiële structuur van de maatschappij beïnvloedt en vormt de politieke, juridische en culturele bovenbouw. Wanneer de economische verhoudingen veranderen, zal uiteindelijk ook de bovenbouw veranderen. Vanuit zo’n perspectief kunnen culturele conflicten daarom worden gezien als verschijnselen die uiteindelijk verbonden zijn met diepere economische belangen.
Dit helpt om de positie van Bob Scholte te begrijpen. Wanneer hij de nadruk legt op klasse, kapitaal, arbeid en economische ongelijkheid, bevindt hij zich dichter bij een interpretatie van het marxisme waarin de onderbouw het uitgangspunt vormt.
De kern van het conflict
Het meningsverschil tussen Tim Hofman en Bob Scholte kan het best worden begrepen vanuit Bobs kritiek op intersectionaliteit en dus op de nadruk die wordt gelegd op taal, symbolen en cultuur. Tim zegt hier tegenover, specifiek gericht op BIJ1, dat ze juist een “uitstekend klassenverhaal hebben volgens marxistische principes”.
Dit verschil wordt na 1:05:00 in het interview het duidelijkst zichtbaar. Tim stelt daar: “Het de-normaliseren begint ook bij symboliek en taal.” Bob reageert hier fel op en zegt: “Nee, nee, daar ben ik het dus echt fundamenteel mee oneens (…) Het draait om arbeid en niet woorden maar magisch door de lucht laten vliegen en dat als mensen dan maar het juiste woord kennen dat er dan wel iets ontstaat.”
Tim legt de nadruk op taal, symboliek en het de-normaliseren van bepaalde ideeën. Dit sluit aan bij Antonio Gramsci’s idee van culturele hegemonie, dat maatschappelijke macht niet alleen door economische middelen of dwang wordt behouden, maar ook doordat bepaalde ideeën en normen als vanzelfsprekend worden gezien en dus behoudt de status quo zijn macht door de cultuur.
Hierbij is Gramsci’s onderscheid tussen manoeuvre-oorlog (guerra di movimento) en stellingenoorlog (guerra di posizione) belangrijk. De manoeuvre-oorlog is een directe strijd om de politieke macht, terwijl de stellingoorlog een langdurige strijd is om invloed binnen de maatschappij zelf: cultuur, onderwijs, media, taal en andere instituties.
Vanuit dit perspectief kan Tims nadruk op taal en symboliek worden gezien als een vorm van stellingenoorlog. Door te veranderen wat als vanzelfsprekend wordt gezien, probeert men de culturele hegemonie te veranderen. Dit staat tegenover Bobs nadruk op arbeid en economische verhoudingen. Vanuit zijn perspectief volgt de verandering van de bovenbouw uiteindelijk uit een verandering van de onderbouw. Als de economische structuur verandert, zullen volgens deze redenering ook cultuur, onderwijs, media en andere onderdelen van de bovenbouw uiteindelijk mee veranderen.
Antonio Gramsci zegt alleen dat het noodzakelijk is dat de culturele hegemonie al bestaat vóórdat de macht wordt gegrepen, en dat men niet enkel moet rekenen op de materiële macht die men verkrijgt wanneer men eenmaal de politieke macht heeft. Hij schrijft:
“Een klasse is op twee manieren dominant, namelijk als ‘leidende’ en als ‘heersende’ klasse. Zij leidt de klassen die haar bondgenoten zijn en overheerst de klassen die haar vijanden zijn. Daarom kan (en moet) een klasse al vóórdat zij de macht heeft verworven ‘leiden’; wanneer zij eenmaal aan de macht is, wordt zij heersend, maar blijft zij tegelijkertijd ook ‘leiden’ (…) Er kan en moet dus al vóór het verkrijgen van de regeringsmacht sprake zijn van een ‘politieke hegemonie’, en men moet niet uitsluitend vertrouwen op de macht en materiële kracht die een dergelijke positie met zich meebrengt om politiek leiderschap of hegemonie uit te oefenen.”1
Ik zeg hiermee niet dat Bob niet marxistisch is, integendeel. Ik denk juist dat hij meer orthodox marxistisch is dan Gramsci, en dat Gramsci het marxisme in zeer sterke mate terug naar Hegel heeft gebracht.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Marx, Gramsci en de betekenis van de bovenbouw
Om bij iets als symbolen te blijven: Bob ontkent ook niet dat taal en symbolen enige vorm van belang hebben. Hij zegt zelf: “Taal en symbolen kunnen een reflectie zijn van die materiële (…) in de fysieke wereld ongelijke relaties, maar het gaat er uiteindelijk om om de omgeving van de mens te veranderen. … een heel oud filosofisch debat is maakt de omgeving de mens of maakt de mens zijn omgeving.”
Hier komt Bob bij wat Karl Marx zegt in zijn voorwoord van Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie:
“De totaliteit van deze productieverhoudingen vormt de economische structuur van de maatschappij, de werkelijke grondslag waarop een juridische en politieke bovenbouw verrijst en waaraan bepaalde vormen van maatschappelijk bewustzijn beantwoorden. De productiewijze van het materiële leven bepaalt het algemene proces van het sociale, politieke en intellectuele leven. Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun bestaan bepaalt, maar hun maatschappelijke bestaan dat hun bewustzijn bepaalt.”2
Het is interessant dat Marx een paar zinnen later het volgende zegt:
“De veranderingen in de economische grondslag leiden vroeg of laat tot de transformatie van de gehele immense bovenbouw. Bij het bestuderen van dergelijke transformaties is het altijd noodzakelijk onderscheid te maken tussen de materiële transformatie van de economische productievoorwaarden, die met de nauwkeurigheid van de natuurwetenschappen kan worden vastgesteld, en de juridische, politieke, religieuze, artistieke of filosofische — kortom, ideologische — vormen waarin mensen zich bewust worden van dit conflict en het uitvechten.”3
Hier zien we dat Bob in zijn nadruk op de economische structuur en de materiële omstandigheden inderdaad dicht bij Marx staat: de bovenbouw wordt in belangrijke mate gevormd door en weerspiegelt de economische grondslag van de samenleving.
Maar ook Gramsci gebruikte deze passage en nam het op in de eerste verzameling teksten die hij samenstelde voor de correspondentiecursus van de Communistische Partij die hij in 1925 opzette. In zijn Notities uit de gevangenis waar die reageert op Benedetto Croce zijn bewering dat de bovenbouw alleen maar een illusie is, zegt hij het volgende:
Hoe zou Marx kunnen hebben gedacht dat de bovenbouw slechts verschijningsvormen en illusies zijn? Zelfs zijn eigen theorieën vormen een bovenbouw. Marx stelt expliciet dat mensen zich op het ideologische terrein van de bovenbouw bewust worden van hun taken, wat nauwelijks een geringe erkenning van de “werkelijkheid” ervan genoemd kan worden. Het doel van zijn theorie is bovendien juist om een specifieke sociale groep zich bewust te laten worden van haar eigen taken, haar eigen macht en haar eigen wording. […] Dit onderwerp, de concrete waarde van de bovenbouw bij Marx, zou grondig bestudeerd moeten worden. Denk aan Sorels concept van het “historische blok”. Als mensen zich op het terrein van de bovenbouw bewust worden van hun taak, betekent dit dat er een noodzakelijke en vitale verbinding bestaat tussen onderbouw en bovenbouw, net zoals die bestaat tussen de huid en het skelet van het menselijk lichaam. Het zou dwaas zijn om te zeggen dat een persoon rechtop staat dankzij zijn huid en niet dankzij zijn skelet, maar dat betekent niet dat de huid slechts een verschijningsvorm en een illusie is — zozeer zelfs dat de toestand van een gevilde persoon bepaald niet aangenaam is. Op dezelfde manier zou het dwaas zijn om te zeggen dat de kleur van de wangen een goede gezondheid veroorzaakt, in plaats van andersom, enzovoort. (De vergelijking met het menselijk lichaam kan dienen als een treffende metafoor om deze concepten op een voor het grote publiek begrijpelijke manier te formuleren.) Men wordt niet verliefd op een vrouw vanwege de vorm van haar skelet, en toch is ook die vorm een element van seksuele aantrekkingskracht, aangezien zij bijdraagt aan de algemene harmonie van de uiterlijke vormen en zelfs aan de gesteldheid van de huid. Dit is slechts een eenvoudige metafoor, omdat de geschiedenis radicale veranderingen in maatschappelijke structuren registreert, terwijl men in het geval van dieren hoogstens kan spreken van uiterst langzame evoluties.4
“Dit onderwerp, de concrete waarde van de bovenbouw bij Marx, zou grondig bestudeerd moeten worden.” De vraag naar de concrete waarde van de superstructure vormt inderdaad een van de breuklijnen binnen het marxisme, zoals hier zichtbaar wordt in het verschil tussen Bob en Tim. Interessant genoeg werd Gramsci zelf ook meerdere keren in zijn leven beschuldigd van bergsonisme. Ook de schrijvers rond L’Ordine Nuovo, het tijdschrift waarmee Gramsci verbonden was, werden ervan beschuldigd volgelingen van Henri Bergson te zijn. De beschuldiging van bergsonisme betekende kort gezegd dat Gramsci volgens zijn critici geen werkelijk wetenschappelijke marxist was, maar een romantische denker die te veel vertrouwde op de menselijke wil. Het lijkt alsof ook Bob hem hier waarschijnlijk van had beschuldigd.
Gramsci’s denkwijze leek te worden bevestigd door de Sovjetrevolutie van 1917. In zijn tekst De Revolutie tegen Kapitaal stelde hij op radicale wijze dat de antikapitalistische revolutie van 1917 niet het resultaat was van een historisch determinisme dat simpelweg uit Marx’ Kapitaal voortvloeide, maar van de vrijwillige en bewuste actie van mensen.
In een passage in Gramsci zijn Notities uit de gevangenis benoemd hij het extreme historisch materialisme sommige marxisten:
“Een onjuiste interpretatie van het historisch materialisme die tot een dogma wordt gemaakt en waarbij het zoeken ernaar wordt vereenzelvigd met het zoeken naar de ultieme of enige oorzaak, enzovoort. De geschiedenis van dit probleem in de ontwikkeling van de cultuur: het probleem van de uiteindelijke oorzaken wordt in feite door de dialectiek opgeheven. Engels had in enkele van zijn geschriften uit zijn laatste levensjaren al gewaarschuwd tegen een dergelijk dogmatisme.”5
Wat Gramsci afwijst, is de reductie van alle maatschappelijke verschijnselen tot één enkele oorzaak. De economie kan dus de ultieme grondslag zijn, zonder dat cultuur, politiek, ideeën en menselijke wil daardoor slechts passieve gevolgen worden. De dialectiek laat juist zien dat deze verschillende elementen voortdurend op elkaar inwerken. Hij verwijst naar paar interessante opmerkingen van Friedrich Engels:
“De politieke, juridische, filosofische, religieuze, literaire, artistieke enzovoort ontwikkeling berust op de economie. Maar al deze ontwikkelingen werken ook op elkaar en op de economische basis terug. Het is niet zo dat de economische situatie de enige actieve oorzaak is en al het andere slechts een passief gevolg. Er is veeleer sprake van een wederzijdse wisselwerking, waarbij een fundamentele economische noodzakelijkheid bestaat die zich uiteindelijk altijd doet gelden. […] Daarom is het niet waar, zoals sommigen zich hier en daar gemakkelijk voorstellen, dat economische omstandigheden automatisch effect hebben. Mensen maken hun eigen geschiedenis, maar binnen een gegeven, bepalende omgeving, op basis van werkelijk bestaande verhoudingen, waaronder de economische verhoudingen — hoezeer deze ook door politieke en ideologische verhoudingen worden beïnvloed — uiteindelijk beslissend zijn. Zij vormen als het ware een rode draad die door alle andere verhoudingen heen loopt en ons in staat stelt deze te begrijpen.”6
De discussie tussen Tim en Bob lijkt hiermee op een veel oudere spanning binnen het marxisme zelf. Bij een sterk deterministische lezing van Marx lijkt de economische structuur uiteindelijk de ontwikkeling van de maatschappij te bepalen, terwijl Engels hier ook benadrukt dat economische omstandigheden niet automatisch hun uitwerking hebben. “Mensen maken hun eigen geschiedenis”, maar doen dit binnen een gegeven materiële omgeving. Dit is een extreme versoepeling van een fatalistische lezing van Marx zijn: “Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun bestaan bepaalt, maar hun maatschappelijke bestaan dat hun bewustzijn bepaalt.” Volgens Engels is er sprake van een wederzijdse wisselwerking tussen de economische basis en de politieke en ideologische bovenbouw.
Hier ontstaat dus een vergelijkbare tegenstelling als tussen Bob en Tim. Bob legt de nadruk op de economische structuur, terwijl Tim meer nadruk legt op de actieve rol van cultuur, taal en ideeën. Het interessante is dus dat Engels zelf al waarschuwt:
“Volgens de materialistische opvatting van de geschiedenis is de factor die uiteindelijk doorslaggevend is in de geschiedenis, de productie en reproductie van het werkelijke leven. Meer dan dit hebben noch Marx noch ik ooit beweerd. Als iemand de betekenis nu zo heeft verdraaid dat de economische factor de enige doorslaggevende factor is, dan heeft deze persoon bovenstaande stelling veranderd in een abstracte, absurde uitspraak die niets zegt. De economische situatie vormt de basis, maar de verschillende onderdelen van de structuur — de politieke vormen van de klassenstrijd en de resultaten daarvan, de grondwetten die door de overwinnende klasse worden ingesteld nadat de strijd is gewonnen, rechtsvormen en zelfs de weerspiegelingen van al deze werkelijke strijd in de hoofden van de deelnemers, politieke theorieën, juridische, filosofische en religieuze opvattingen, en hun verdere ontwikkeling tot dogmatische systemen — oefenen allemaal eveneens invloed uit op de ontwikkeling van de historische strijd en bepalen in sommige gevallen zelfs haar vorm. (…) Wijzelf maken onze geschiedenis, maar in de eerste plaats onder vooronderstellingen en omstandigheden die zeer duidelijk bepaald zijn. Maar zelfs de politieke traditie, ja zelfs de traditie die de mens in zijn eigen hoofd creëert, speelt een belangrijke rol, ook al is zij niet de beslissende factor. (…) Dat jongeren aan de economische factor meer belang toekennen dan haar toekomt, is gedeeltelijk de schuld van Marx en mijzelf. Tegenover onze tegenstanders moesten wij bijzondere nadruk leggen op het essentiële principe dat door hen werd ontkend. Bovendien hadden wij niet altijd de tijd, de ruimte of de gelegenheid om aan de andere factoren die bijdragen aan de wederzijdse wisselwerking de rol toe te kennen die hun toekomt. Maar zodra men een bepaalde historische periode daadwerkelijk gaat analyseren, dat wil zeggen, zodra men de theorie praktisch toepast, verandert het beeld en is een dergelijke fout niet langer toegestaan. Het komt maar al te vaak voor dat iemand denkt een nieuwe theorie volledig te hebben begrepen en haar zelfstandig te kunnen toepassen, terwijl hij nauwelijks de eerste beginselen heeft geleerd — en zelfs die niet correct heeft begrepen. Deze berisping kan ik sommige van onze nieuwe marxisten niet besparen; en in werkelijkheid is zij geschreven door de drager van het wonderbaarlijke gewaad zelf.”
En hier kunnen de cultuurmarxisten zoals Gramsci een extreem belangrijk beroep doen op een citaat van Engels zelf: “Dat jongeren aan de economische factor meer belang toekennen dan haar toekomt, is gedeeltelijk de schuld van Marx en mijzelf.”
De Reactionair
Boekenwinkel
Ondek onze grote collectie boeken, zoals Vitalisme, in onze boekenwinkel.

Dit is interessant wanneer we dit terugbrengen naar de discussie tussen Bob en Tim. Bob spreekt nogal denigrerend over de nadruk op taal en symboliek, alsof het veranderen van woorden op zichzelf nauwelijks betekenis kan hebben wanneer de materiële omstandigheden niet veranderen. Vanuit Engels’ waarschuwing kan hier juist een probleem ontstaan, want wanneer men de economische factor zo centraal stelt dat politieke, ideologische en culturele factoren vrijwel volledig naar de achtergrond verdwijnen, maakt men precies de fout waar Engels voor waarschuwde.
De ironie is dat beide posities zich op het marxisme kunnen beroepen. Bob kan wijzen op Marx zijn nadruk op het maatschappelijke bestaan en de economische onderbouw, terwijl Tim en Gramsci zich kunnen beroepen op Engels zijn waarschuwing. De discussie tussen Bob en Tim lijkt daarmee sterk op een oude contradictie binnen het marxisme zelf.
De erfenis van het marxisme
De contradicties binnen het marxisme beperken zich echter niet tot de verhouding tussen onderbouw en bovenbouw. In Das Kapital beschrijft Marx hoe de ontwikkeling van het kapitalisme de arbeidersklasse steeds verder onder druk zou zetten en de tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid zou verscherpen. In de deterministische interpretatie hiervan (de enige juiste interpretatie) lijkt de ontwikkeling van het kapitalisme uiteindelijk onvermijdelijk naar een revolutionaire omwenteling te leiden. Maar dit zegt Marx ook in zijn laatste jaren:
“Als u zegt dat u de opvattingen van mijn partij over Engeland niet deelt, kan ik daar alleen op antwoorden dat die partij een Engelse revolutie niet noodzakelijk, maar — gezien historische precedenten — wel mogelijk acht. Als de onvermijdelijke ontwikkeling uitmondt in een revolutie, zou dat niet alleen de schuld zijn van de heersende klassen, maar ook van de arbeidersklasse.”7
Hoewel Bob veel dichter bij het orthodoxe marxisme staat, is het opvallend hoe denigrerend hij telkens reageert wanneer Tim verwijst naar taal, cultuur en symboliek. Juist die elementen die Bob als secundair lijkt te behandelen, zijn in de afgelopen eeuw een van de belangrijkste terreinen geworden waarop het marxisme invloed heeft uitgeoefend. De Sovjetrevolutie en haar marxisme verloren relatief snel hun oorspronkelijke karakter, terwijl Gramsci’s ideeën een enorme invloed kregen op het westerse marxisme, onder andere via de Frankfurter Schule en latere culturele theorie.
Bob kan dus dichter bij Marx staan maar historisch gezien lijkt juist de gramsciaanse verschuiving naar cultuur, ideologie en bewustzijn veel effectiever te zijn geweest. Ironisch genoeg zijn het precies de culturele fenomenen waar Bob zo minachtend over spreekt die het marxisme in het Westen gedurende de laatste eeuw zo’n grote intellectuele invloed hebben gegeven.
Antonio Gramsci, Notities uit de gevangenis ↩︎
Karl Marx, Voorwoord tot de Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie (1859) ↩︎
Ibidem ↩︎
Antonio Gramsci, Notities uit de gevangenis ↩︎
Ibidem §26 ↩︎
Engels aan Borgius, London, January 25, 1894 ↩︎
Karl Marx naar Henry Mayer Hyndman, London, 8 December 1880 ↩︎
