Bijbelse Geschiedenis was tot in de achttiende eeuw verweven met Geschiedenis in het algemeen. Die begon met de schepping van de mens en ontwikkelde zich gaandeweg tot vat van voorbeeldige en af te raden verrichtingen ter lering voor latere generaties. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd op grond van archiefonderzoek de Algemene Geschiedenis een zelfstandig chapiter, hetgeen leidde tot een overdaad aan details en bijzaken waarachter het verhaal wegzinkt. Ooit een literair genre, wilde ze nu Wetenschap worden.
De Bijbelse variant hield stand in het onderwijs, totdat in onze tijd alternatieven als Levensbeschouwing en Godsdienstwetenschap opgeld deden. De verspreiding van de islam in Europa sinds de jaren zestig maakte duidelijk dat er nog een andere religie was - niet geworteld in de Bijbel, maar in de Koran. De middeleeuwers zagen de Islam als ketterij, op één lijn met het arianisme, ofwel de opvatting dat Jezus weliswaar een groot profeet was, maar niet van de goddelijke natuur.
Bijbelkennis gold nog niet zo lang geleden zelfs voor de liberale burgerij als moreel richtsnoer voor zelfkennis en als onvermijdelijk referentiepunt bij het verstaan van de grote kunst van weleer – waaronder muziek, literatuur en filosofie. De Middeleeuwen, de Renaissance, de Barok en het Classicisme zijn buiten de Bijbel niet op waarde te schatten. En zo bleef het Boek der Boeken een verplicht onderdeel voor de Algemene Ontwikkeling in het Middelbaar en Hoger Onderwijs. Uiteraard was het boek onontbeerlijk voor het kennen van God, voor de samenleving die zonder de Tien Geboden niet kan bestaan, en voor de normen en waarden waaraan de menselijke gedragingen te toetsen.
Ongeloof noemde de Nederlandse psychiater H.C. Rümke (1939) een ontwikkelingsstoornis. Voor Freud was geloof in het bestaan van God een neurotische illusie.
Er kwam een definitief einde aan dat alles met de revoluties op universiteiten en de linkse politiek sinds 1968. Algemene Ontwikkeling paste niet meer binnen een instituut voor de zuivere wetenschap. De canon van klassieken verdween. De kennisgebieden verkokerden. Geschiedenis spleet in politicologie, sociologie, antropologie; Romaanse Talen spleten in elke taal afzonderlijk, met bijbehorende literaturen. De trend werd om alles wat vroeger viel onder de Humaniora te onderwerpen aan methodiek en theorie, blijkbaar om hun bestaan in Academia wetenschappelijk te rechtvaardigen.
Waar voorheen de oude meesters en de grote cultuurfilosofen werden gelezen, gingen de voorgeschreven boeken nu over bevrijdingstheologie, zwart leed, feminisme, gender, de seksuele varianten van de regenboog en andere zogenaamd maatschappelijk relevante onderwerpen. Niet als extra, maar in plaats van Homerus, Vergilius, Dante, Shakespeare, Cervantes, Goethe en andere door de vorige generaties nog als tijdloos beschouwde autoriteiten. Die ouden werden weggezet als achterhaalde witte mannen die geen rekening hielden met de vrijheid van meningsuiting. De onwetendheid nam hals over kop toe, en met het Onderwijs dat in Nederland tot na de oorlog nog voor het beste van Europa doorging, ging het snel berg afwaarts.
Vraag moslims naar zulke noties als ‘Levensbeschouwing’ en ‘Godsdienstwetenschap’ en ze zullen hun schouders ophalen. De Koran voldoet. In het Westen betogen filosofen, met beroep op Kant, dat God niet kan worden bewezen. Vraag je hun of, indien dat wel zou kunnen, de mens daardoor zou veranderen, dan blijven ze het antwoord schuldig. Want het antwoord is ongetwijfeld nee.
De oorzaak van de geestelijke leegte zijn de aanjagers van realisme en naturalisme, de sceptici, de grensverleggende kunstenaars, de meelopers met het van staatswege gepropageerde en gesubsidieerde containerbegrip ‘cultuur’. Kortom, het voer voor de hedendaagse intellectuelen. Het zijn de acolieten van Satan - die voor hen eleganter oogt dan God dankzij zijn stralende metamorfose, diametraal tegengesteld aan het driekoppige, in het ijs vastgevroren monster in de Hel van Dante. De ironie van de historische dialectiek is dat soms de elegantie van Satan - zijn sprankelende gedaanteverandering - haar glans verliest. En dan ontstaat er een paradoxale situatie en wordt God het doel van de demonische snobs die God lijken te bevestigen. Curieuze vorm van Godslastering. Wat je krijgt, is The Devil Wears Prada.
De nieuwerwetse mens weet niet meer dat de schepping een geestelijk fenomeen is. De buitenwereld heeft zijn binnenwereld verduisterd. De Aarde heeft geen Hemel meer. Hij stopt bij wat hij voor de werkelijkheid houdt - die zonder de verbeelding niet kan bestaan. Vandaar het realisme in de naoorlogse literatuur, de cultus van `s mensen psychische interieur - dat volkomen wordt gedetermineerd door materialistische factoren. Verdwenen zijn de eerdere symbolische, idealistische, klassieke en romantische tendensen.
De vromen van het atheïsme zijn thans de daadwerkelijke uitvoerders van de Inquisitie. Hun experimentele aanpak is gericht op bewijzen dat bewuste processen als onze gedachten en emoties, voortkomen uit fysieke, neurologische interacties. Ziedaar de vertegenwoordigers van de onverdraagzaamheid, - die de onsterfelijke ziel en het geluk van het leven na de dood hebben verbannen uit het Onderwijs, de Cultuur en de Wetenschap.


