Pieter Frans Christiaan Koch (1901-1991), bijgenaamd “Pyke,” is een groot Nederlands kunstschilder die sinds de jaren ‘60 grotendeels in het vergeetboek is geraakt. Dit zou om politieke redenen kunnen zijn, aangezien Koch in de oorlog met de Duitsers zou hebben geheuld. Deze beschuldiging vormt de focus van Susana Puentes pas verschenen biografie over de schilder. Verdedigers van Kochs kunst beweren vaak dat het hem alleen maar ging om de vorm, en dat politieke en filosofische opvattingen in zijn werk afwezig zijn. Uit de analyse van Puente blijkt echter dat zowel Kochs leven als zijn kunst doortrokken waren van een grote voorliefde voor het fascisme. Daarnaast noemde hij het antisemitisme een “groot ideaal en rechtvaardige zaak,” al had hij niets met “antipathieke, domme, beginsellooze jodenhaterij,” en maakte uitzonderingen voor bijvoorbeeld Einstein en Freud.
Al tijdens zijn schooltijd ontwikkelde Koch een elitaire instelling, wat misschien hiermee samenhangt dat hij als kleine, knappe, gevoelige jongen vreselijk gepest werd. Ook zijn school, die behoorde tot de zuil van de Anti-Revolutionaire Partij (A.R.P.) kan hiertoe hebben bijgedragen. Koch beschouwde de ondergang van de Europese keizerrijken in de Eerste Wereldoorlog als een overwinning van de platte kleine burgerij. Zijn ideaal werd een hiërarchische samenleving met een meritocratische elite. Dit trok hem in het spoor van het fascisme, al moest hij aanvankelijk niets hebben van de N.S.B., die hij veel te proletarisch vond. Hij werd lid van het Verdinaso (“Verbond van Dietsche Nationaalsolidaristen”) van de Vlaamse flamboyante Joris van Severen. Deze oriënteerde zich met name op Frankrijk, bijvoorbeeld op Léon Bloy en op de katholieke Action Française. Hoewel een fel pleitbezorger van het Nederlands, richtte Van Severens ideaal zich op de hereniging van de Bourgondische Nederlanden, dus inclusief de Franstaligen. Hij liet zich dus meer leiden door etniciteit en geschiedenis dan door de taalstrijd en de daarmee verbonden klassenstrijd (de hogere klassen spraken Frans, ook in Vlaanderen).
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

De herenigde Nederlanden zouden moeten worden geleid door een kleine elite van Verdinaso’s, en in lijn hiermee voelde Koch zich als kunstenaar geroepen tot het uitbeelden van een typerend Nederlandse levensvisie waardoor elite en volk zich zouden moeten laten leiden. Dit doet denken aan Richard Wagner, die ook met zijn opera’s het Duitse volk een nieuwe wereldbeschouwing wilde geven. Gedreven door dit idee werkte Koch als een bezetene, met een onstuitbare obsessie voor de kleinste details. Hij wilde absoluut zijn, onovertroffen, en leed er werkelijk fysiek onder als hij niet kon schilderen. Door hem zou “de God van Nederland” zich uiten, zoals hij dat eerder had gedaan door Rembrandt, Vermeer en Rubens. Opvallend was dat Koch vond dat de staat daarbij niet mocht voorschrijven wat er wel of niet geschilderd mocht worden, zoals dat in Hitler-Duitsland het geval was. Wat de doorslag moest geven was of de kunstenaar een zuiver Nederlandse afstamming had.
De Heel-Nederlandse droom van Koch ging echter spoedig in rook op. Eerst ging Verdinaso samen met de N.S.B., die de Walen buiten de deur wilde houden (begrijpelijk), en tijdens de oorlog stuurde de Duitse bezetter aan op het wegvagen van de Nederlandse taal en cultuur (onbegrijpelijk). Toen de N.S.B. zich hiervoor bleek te willen lenen, verliet Koch gedesillusioneerd de partij. En de uiteindelijke nederlaag van Duitsland zag hij als de definitieve Untergang des Abendlandes. Weliswaar ging Koch na de oorlog door met schilderen, maar Puente toont aan dat hij nu in zijn raadselachtige schilderijen een bijtende kritiek op de nieuwe orde verwerkte.
Puentes biografische speurtocht en interpretaties van Kochs schilderijen zijn overtuigend en verhelderend. In haar nabeschouwing doet zij echter twee zeer betwijfelbare suggesties. De eerste is dat Kochs nationale gezindheid een kunstmatige vervanging was voor een thuis dat hij was gaan missen na de dood van zijn moeder. De onderbouwing hiervan is zwak. En nationalisme neerzetten als een soort geestelijke afwijking negeert dat er tal van redelijke argumenten bestaan voor deze overtuiging. Verder suggereert Puente out of the blue dat Koch mogelijk toch niet werkelijk stond voor zijn geuite ideeën, maar dat hij zijn leven slechts als “een voorstelling,” als één groot spel, zou hebben beleefd. Ook dit wordt niet overtuigend onderbouwd.
Nu is het zo dat ik bij het lezen inderdaad het gevoel kreeg dat Koch als persoon ongrijpbaar bleef, dat er iets miste, dat hij misschien toneel speelde. Mijn hypothese is echter dat dit niet te maken had met een cynisch ongeloof in zijn politieke idealen, maar met Kochs homoseksualiteit. Puente geeft hierover wel veel feiten, maar overdenkt te weinig wat dit betekende voor Kochs levenshouding.
Van oudsher leven er onder druk van de maatschappelijke man-vrouwpolariteit onder homoseksuelen twee modellen waarmee zij zich identificeren. Het ene uiterste is de gillende relnicht, het andere de snauwende spierbundel. Homoseksualiteit ontstaat vaak bij fysiek zwakkere, gevoelige types. De relnicht cultiveert min of meer deze gegevenheid, terwijl de spierbundel zich hier juist uit alle macht tegen afzet. De spierbundels komen hiermee grotendeels tegemoet aan wat de maatschappij van een man verwacht. Daarom werden zij ook gedoogd in het fascisme, dat immers het gezonde, krachtige mannenlichaam verheerlijkte. Dit type homo verafschuwt daarentegen meestal de “verwijfde” types, omdat deze hem herinneren aan zijn vroegere zwakte, en zij met hun opzichtige gedrag zijn moeizaam verworven status als man in gevaar brengen. Zijn geforceerde hypermannelijke streven gaat echter vaak gepaard met een innerlijke gevoelsleegte.
Uit de biografische gegevens en de vaak genoemde “ongevoeligheid,” “metaligheid” en “scherpte” van Kochs werk maak ik op dat hij in de geforceerd mannelijke categorie valt. Hij was weliswaar niet overdreven gespierd, maar hij meende dat zijn homoseksualiteit iets marginaals moest zijn en hij trouwde en verwekte een aantal kinderen. Daar komt bij dat hij een echte Streber was, die absoluut de grootste en de beste wilde zijn. Zijn gevoelloosheid tegenover vrouw en kinderen en zijn voortdurende afwezigheid wijzen echter op het geforceerde van zijn mannelijke rol.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Kochs innerlijke strijd om een mannelijker zelfbeeld zien we volmaakt verbeeld in de reeks zelfportretten die hij schilderde vanaf zijn vierendertigste. In zijn eerste zelfportret uit 1935 versmolt hij zijn beeltenis met een jongensachtige Jeanne d’Arc.1 Dat doek vernietigde hij echter als te verwijfd en te zwak. In 1936 schilderde hij een nieuwe variant, weer met Jeanne d’Arc voor ogen, maar nu kaalgeschoren en met krachtigere gelaatstrekken. Ook dat voldeed nog niet. Aan het eind van 1937 schilderde Koch tenslotte “Zelfportret met zwarte band,” waarin de jongensachtige martelares ineens plaats maakte voor de mannelijke strijdbare held, met een strak gezicht en een vastberaden blik. In plaats van Jeanne d’Arc had Koch daarbij zijn zelfportret versmolten met Joris van Severen. En in zijn latere werk “Marschgezang” (1940/41) zou Koch een portret van zichzelf versmelten met het gezicht van Ernst Voorhoeve, hoofd propaganda van de N.S.B..
Afgezien van bovengenoemde twee twijfelachtige interpretaties is het boek van Puente echter zeker een aanrader. Haar speurtocht is boeiend, ook door de levendige indruk die zij geeft van de culturele en politieke ontwikkelingen in Nederland tijdens het interbellum. Zij werpt licht op tal van personen die we vaak hooguit van naam kennen. Ze maakt ook het rijke spectrum aan opvattingen zichtbaar zoals dat bestond voordat het brandglas van de oorlog hem concentreerde tot de vraag ‘goed’ of ‘fout’. En Puente maakt de anders vaak raadselachtige werken van Koch toegankelijk door uitgebreide toelichtingen op hun symbolen en motieven. Toen ik jaren geleden in het Centraal Museum in Utrecht een tentoonstelling van Koch bezocht liep ik achteraf gezien als een verdwaald schaap dom blatend tussen de doeken. Met de uitleg van Puente zou mijn bezoek veel vruchtbaarder zijn geweest.
Het boek is mooi uitgegeven, met een heldere bladspiegel en veel verhelderende illustraties. De uitgebreide bibliografie nodigt uit tot verder lezen, en het personenregister bewijst goede diensten. Ik begrijp dat voor de leesbaarheid gekozen is voor eindnoten in plaats van voetnoten, maar de rangschikking per hoofdstuk vind ik vrij onhandig. Beter is het door te nummeren, zodat je niet telkens eerst hoeft op te zoeken welk hoofdstuk je ook al weer aan het lezen was.
Tot slot: de aard van Kochs werk betekent dat we zijn schilderijen allereerst intellectueel moeten beschouwen, als een uitdrukking van zijn levensvisie. Tegelijk is zijn werk veel meer dan een rijtje stellingen. Door zijn grote verbeeldingskracht geeft Koch ons een inkijkje hoe hij als mens in die tijd deze visie heeft geleefd, inclusief fouten en eigenaardigheden. Hoewel ik er op het persoonlijke vlak geen grote levenswijsheid in kan vinden, maakt deze verbeeldingskracht voor mij zijn werk toch zonder meer fascinerend.
Ook Adolf Hitler werd geregeld geïdentificeerd met de zieneres en bevlogen bevrijdster van Frankrijk, bijvoorbeeld door Hubert Lanzinger in zijn beroemde schilderij Der Bannerträger. Sir John Simon, Brits minister van Buitenlandse Zaken, noemde Hitler “an Austrian Joan of Arc with a Moustache.” ↩︎

