Van al wat ik aan mijn grootouders en ouders te danken heb, is de liefde voor de klassieke muziek wel mijn grootste schat. Als kleine jongen mocht ik al mee naar concerten en voorstellingen, apetrots in een echt pak. Uit Antwerpen, want in Nederland waren dat soort kindermaten niet meer te krijgen. Als dan aan het begin de zaallichten doofden werd ik verteerd door een bijna religieuze verwachting, en ik liet me zo meeslepen door de stroom van klanken dat mijn borst haast leek te springen. So eine Schwärmerei zou Plato brommen, mocht hij de Duitse taal machtig zijn geweest. Ik was totaal verliefd op het eerste pianoconcert van Tsjaikovksi, en zag al voor me hoe ik dat zelf ooit eens zou spelen. Dat is de wereld bespaard gebleven, maar ik heb me wel bekwaamd in het zingen van het klassieke repertoire.
De klassieke muziek beschouw ik als het hoogtepunt van alles wat de toch al zo grootse Europese beschaving heeft voortgebracht. Helaas is zij voor velen een gesloten boek, zelfs voor hen die zich inzetten voor het voortbestaan van de Europese volkeren en -beschaving. Terwijl in hun filmpjes de blanke klassieke beeldhouwwerken je om de oren vliegen, is de muziek vaak slechts vertegenwoordigd door wat marsmuziek uit de goede oude tijd.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Daarom vond ik het een prachtig initiatief van Forum voor Democratie om een cursus over klassieke muziek aan te bieden. De cursus was bedoeld voor mensen voor wie de klassieke muziek nieuw was, maar ook voor ingewijden, en werd gegeven door niemand minder dan Thierry Baudet. De vier cursusmiddagen bleken niet alleen heel plezierig, met tal van interessante mensen, maar ik heb ook veel geleerd. “Hoe kan dat, terwijl de klassieke muziek toch je beroep is,” zult u zeggen. Voor een antwoord moet ik ingaan op het onderscheid tussen zangers en instrumentalisten, en met name pianisten. Mijn schets zal misschien wat karikaturaal overkomen, maar het geeft toch de algemene tendens aan.
Wie een conservatorium binnenloopt treft daar rare vogels aan van allerlei pluimage: pianisten, hoboïsten, trompettisten, violisten, trombonisten, paukenisten… De vreemdste echter zijn de zangvogels. Sopranen, alten, tenoren en bassen staan er vrolijk te kwinkeleren, meestal in het midden van de ruimte en alle aandacht opeisend. Hun onbezorgdheid is echter maar schijn. Instrumentalisten beginnen hun opleiding meestal in de vroege kindertijd en tegen de tijd dat ze achttien zijn, hebben ze zich opgewerkt tot meesters van hun instrument. Een zanger begint dan echter pas. En hij moet dan vaak tien jaar of nog langer experimenteren met zijn fragiele instrument voordat hij consequent een betrouwbaar en klassiek geluid kan voortbrengen.
Anders dan bij een extern instrument kan de zanger namelijk niet direct de benodigde spierbewegingen aansturen, maar moet afgaan op lichaamsgevoel: hij moet herkennen hoe het voelt als alle onderdelen van het stemmechanisme in de goede stand staan om de juiste toon voort te brengen. Als gevolg van dit onderscheid hebben zangers vaak niet de tijd en energie meer om zich te verdiepen in de structuur en subtiliteiten van de muziek die zij zingen. Ze zijn al blij als de stem geen kuren vertoont. Bovendien hebben ze vaak de taak met hun lichaam dramatische expressie te brengen, zeker in de opera. Dit vereist een hoge mate aan extravertheid.
En laten deze showmen in het muziekleven nu stuiten op een totaal ander muzikaal mensentype: de instrumentalist. Veel zekerder van zijn instrument, maar er ook aan gekluisterd, en veroordeeld tot een woordeloze, indirecte expressie van zijn gevoel. Vergeleken met zangers trekt het instrument gevoeliger types aan, intellectueler ook, en meer introvert. Het prachtige kantwerk van de muzikale opbouw van een stuk, de muzikale lijnen die variëren, over elkaar heen buitelen, met elkaar strijden of harmoniëren, dit alles wekt zijn grootste belangstelling. En de extremisten onder dit mensentype zijn wel degenen die hun leven gewijd hebben aan het orgel of de piano. Waar andere instrumentalisten zich immers moeten beperken tot het voortbrengen van één toon per keer, kan een klavier een heel scala aan tonen tegelijk laten klinken. Dan dringt de vraag naar - en de fascinatie met - de muzikale structuur zich vanzelf op.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Wat gebeurt er nu als deze twee mensentypen samenkomen om zich aan de muziek te wijden? Mijn ervaring als zanger is dat pianisten zoveel meer weten! Als je geluk hebt geeft zo’n pianist je dan aanwijzingen als: “In deze periode bij Haydn komt de voorslag op de tel in plaats van ervoor.” De zanger, die net aan het bijkomen is van een verkoudheid en bovendien te weinig geslapen heeft, knikt gedwee en hoopt dat zijn stem niet kraakt of overslaat op die gemeen hoog liggende toon. Er zit daarom wel iets in de vaak gebezigde, weinig vleiende vergrotende trap: “dom-dommer-tenor.” Omgekeerd moet ik soms, als een subtiele wraakneming, bij pianisten aan Gustav von Aschenbach denken, de gedisciplineerde, intellectuele kunstenaar uit Der Tod in Venedig, die tragisch ten onder gaat aan de woordeloze fascinatie met de totaal niet-intellectuele Tadzio, Werkzeug einer höhnischen Gottheit, de bedwelmende en bandeloze god Dionysus.
De cursus bij Thierry Baudet herinnerde mij een beetje aan deze vriendschappelijke schermutselingen, gedreven en verenigd door liefde voor de muziek. Zo moest menigeen van mijn lievelingscomponisten eraan geloven. “Verdi? Schubert? Slechte muziek! Sentimenteel! Brahms! Schumann! Dát is pas goede muziek!” Zoiets is wel even slikken voor iemand die bij La Traviata gegeneerd zit te knipperen met zijn ogen om een opkomende traan te onderdrukken. Wel moet ik zeggen dat de bewondering voor de muziek van Brahms en Schumann nu bij mij flink toegenomen is. Deze is misschien iets weerbarstiger, maar geeft bij herhaald luisteren tevens een grote diepte prijs. Voorheen hield ik in mijn enthousiasme van bijna alle klassieke muziek met een onvoorwaardelijke liefde. Door de inleidingen van Thierry Baudet heb ik geleerd de muziek meer te benaderen met een wat kritische, ik zou bijna zeggen “voorwaardelijke liefde".

