Reactionair.nl Reactionair Op weg naar een nieuw begin.
Reactionair.nl Reactionair Menu

De afwezige vader

La Dolce Vita: zevende essay

Het verdwijnen van de vaderfiguur uit ons gezin en de samenleving is meer dan een sociologische trend: het is een metafysische crisis. Hoe leidt het verlies van vaderlijk gezag tot een moderne leegte waarin de mens slechts consument is geworden?

Johannes van den Heuvel Cultuur
De afwezige vader
Pompeo Batoni, De verloren zoon (1773)

Het scenario van Federico Fellini’s La Dolce Vita (1960) is episodisch en kent geen klassieke plot. We volgen enkele fragmenten uit het leven van de journalist Marcello Rubini. Die scènes vormen samen een psychologisch portret van de man zelf én van zijn tijd: een wereld van oppervlakkige glamour, verveling en existentiële leegte in het Rome van de late jaren vijftig.

In een van die episoden arriveert Marcello’s vader onverwacht in Rome. Hij wil zijn zoon ontmoeten. Samen gaan ze uit. Marcello kijkt met verbazing naar deze charmante heer op leeftijd, die bij hem en zijn vrienden al snel sympathie wekt. Wanneer de vader de nacht wil doorbrengen bij een nachtclubdanseres – een vriendin van Marcello – wordt hij eraan herinnerd dat hij de zestig al gepasseerd is. Hij voelt zich plotseling niet goed. Marcello nodigt hem uit bij hem thuis, maar de vader staat erop met de vroege ochtendtrein terug te keren. De ontmoeting blijft oppervlakkig en onpersoonlijk. Tegen zijn collega-paparazzo zegt Marcello dat hij zijn vader eigenlijk niet kent. “Hij was er nooit.”

Mitscherlich

Deze scène is betekenisvol omdat Fellini hier de nadruk legt op de afwezige of onzichtbare vaderfiguur – een kenmerk van de moderne samenleving. Alexander Mitscherlich beschreef dit fenomeen in 1963 in zijn sociologische studie Auf dem Weg zur vaterlosen Gesellschaft. Hij signaleerde hoe de traditionele, zichtbare vader steeds meer naar de achtergrond verdween. Daarna nam deze trend alleen nog verder toe.

Verschillende factoren hebben de rol van de vader teruggedrongen. De industrialisatie en later de dienstensector zorgden ervoor dat vaders vaak lange dagen buiten huis werkten en afwezig waren in de uren dat hun kinderen nog niet op bed lagen. De emotionele en dagelijkse opvoeding kwam daardoor grotendeels bij de moeder te liggen. Daarnaast speelde het toenemende individualisme een rol: de nadruk kwam te liggen op persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing, waardoor de vaste rol van de vader als moreel en gezaghebbend middelpunt van het gezin verzwakte. Vanaf de jaren zeventig versterkten scheidingen en de toename van eenoudergezinnen dit patroon. De vader die vroeger als zichtbaar hoofd van het gezin optrad, werd steeds meer een afwezige of marginale figuur.

Veertigplussers herinneren zich nog wel het SIRE-spotje uit 1997. Daarin zit een traditioneel gezin aan tafel, terwijl de vader het vlees snijdt. Het zoontje kijkt er peinzend naar en denkt: “Wie is toch die man die elke zondag het vlees komt snijden?” De SIRE campagne geeft een karikaturaal beeld van wat Mitscherlich in 1963 had vastgesteld. Het spotje moest de vader overigens meer betrekken bij de zorgtaken in het gezin en was dus gericht op grotere gelijkheid binnen het gezin en juist niet op een herwaardering van het vaderlijk gezag.

Feminisme en feminisering van de samenleving

In de jaren zestig ontstond een verzet tegen autoriteit en traditionele gezagsstructuren. In de paternalistische samenleving belichaamde de vader precies dat gezag. Daardoor kwam ook hij onder vuur te liggen. De autoritaire vader werd al snel synoniem met autoriteit en machtsmisbruik. Dat een autoritaire vader tegelijkertijd liefdevol kon zijn, werd nog wel eens vergeten. De liefde werd vooral gezocht in de zorg voor de eigen persoonlijke groei en zelfontplooiing, en niet langer in de gebondenheid aan een vaderlijke figuur die grenzen stelde en richting gaf.

De tweede feministische golf bekritiseerde het patriarchaat en de traditionele rolverdeling. Vaders werden niet zelden neergezet als belichaming van onderdrukkende macht, terwijl moeders werden aangemoedigd om economische zelfstandigheid na te streven. Hoewel dit terecht aandacht vroeg voor de ongelijke lasten die vrouwen droegen, had het ook als bijeffect dat de specifieke bijdrage van vaders – als morele gidsen en autoriteitsfiguren – onderbelicht of zelfs gewantrouwd raakte.

De opkomst van de verzorgingsstaat in de jaren zestig en zeventig versterkte deze dynamiek. De staat nam taken over die eerder bij het gezin, en vooral bij de vader, lagen: financiële zekerheid, onderwijs, zorg en morele vorming. De verzorgingsstaat fungeerde tevens als een collectieve “moeder”: zij beschermde, verzorgde en vulde hiaten op. Dit had duidelijke voordelen – armoede daalde, sociale zekerheid steeg – maar het maakte de persoonlijke verantwoordelijkheid van vaders minder zichtbaar en minder noodzakelijk. Waar vroeger de vader de kostwinner en morele autoriteit was, werd hij deels vervangen door anonieme overheidsinstanties. De moederlijke zorgfunctie werd zo uitgebreid naar het publieke domein, terwijl het vaderlijke gezag verder naar de achtergrond verdween.

Conservatieve en reactionaire kritiek

Uiteraard kon kritiek op het verdwijnen van en de aanval op het vaderlijke gezag vanuit reactionaire en conservatieve hoek niet uitblijven. Critici stellen dat het ontbreken van een sterke vaderfiguur tot anarchie en chaos leidt. Zonder duidelijk gezag en morele richting, zouden kinderen opgroeien zonder vaste kaders. Ze zouden vatbaarder worden voor impulsief gedrag, gebrek aan discipline en een afwijzing van maatschappelijke normen. In extreme vorm zou dit leiden tot een samenleving van “vaderloze” individuen die geen grenzen kennen en geen verantwoordelijkheid nemen. Deze kritiek romantiseert soms een ideaalbeeld van het patriarchaat, maar zij wijst wel op een reëel risico: wanneer autoriteit volledig verdwijnt, blijft er vrijblijvendheid over.

Traditioneel was gezag nauw verbonden met de vader, terwijl zorg bij de moeder lag. De vader gaf zijn kinderen het morele kompas mee: hij leerde hen wat goed en fout is, stelde grenzen en bood richting. Hij belichaamde de externe wereld, de wet en de toekomst. De moeder (ver)zorgde: zij bood warmte, emotionele veiligheid en dagelijkse aandacht. Ook zij gaf leiding en richting, maar vanuit een andere hoek – die van geborgenheid en relationele verbondenheid. Deze complementaire rollen waren niet absoluut of deterministisch, maar cultureel diep verankerd. Wanneer de vaderfiguur verzwakt, blijft de zorgende rol vaak overeind, terwijl het gezagsaspect verdampt. Het resultaat is een opvoeding die veel empathie biedt, maar soms te weinig structuur.

Al eerder kwam Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq ter sprake. Deze roman gaat over twee broertjes die opgroeien in een vaderloos gezin bij een oversekste hippiemoeder. Het is een bevestiging van het conservatieve standpunt dat op het ontbreken van vaderlijke autoriteit anarchie en chaos volgt. Als er geen duidelijke grenzen worden gesteld en alle nadruk komt te liggen op verbinding, vrije liefde en emoties, leidt dit tot verwarring en geestelijke ontwrichting.

De dood van God

De marginalisering van de vaderfiguur in de (post)moderne samenleving is meer dan een sociologisch verschijnsel. Zij draagt een diep metafysische dimensie in zich. In de pre-moderne, christelijke wereld was het gezag van de vader – in het gezin, in de gemeenschap, in de staat – nooit absoluut. Het was afgeleid gezag. De God van het christendom werd voorgesteld als Vader, en ieder aards vaderschap stond onder Zijn oordeel. De koning was koning bij de gratie Gods; de vader was vader in de schaduw van de hemelse Vader. Gezag was daardoor begrensd. Het kon zich niet uitroepen tot laatste instantie, omdat het zich altijd had te verantwoorden tegenover een hogere, transcendentale autoriteit. Met het wegvallen van de christelijke aanwezigheid in de moderne samenleving verdween ook deze begrenzing. De autoriteit van de vader werd niet eenvoudigweg overgedragen, maar verplaatst: van de vader naar de zoon, van de gemeenschap naar het individu. Dit werd ervaren als bevrijding. “De koning is dood, leve de koning!” klonk het, en de nieuwe koning was het zogenaamde autonome individu. De moderne mens geloofde dat hij eindelijk vrij was van elke externe wet, van elke patriarchale claim, van elke transcendente maatstaf. Hij was voortaan zijn eigen wetgever.

Friedrich Nietzsche heeft deze “dood van God” nooit als een eenvoudige bevrijding begrepen. Voor hem was het een kosmisch drama van ongekende omvang. Wanneer God sterft, sterft niet alleen een geloofsvoorstelling; er sterft de gehele horizon waartegen goed en kwaad, waarheid en leugen, zin en zinloosheid hun betekenis verkregen. Nietzsche zag de consequenties scherp: zonder de Vader in de hemel blijft er geen vast punt meer over waaraan de mens zich kan oriënteren. Wat overblijft is een afgrond. Hierbij denken we aan de andere vader die Fellini in La dolce vita naar voren brengt, namelijk Marcello’s vriend Steiner. Hij wil voor zijn zoontje en dochtertje een liefdevolle vader zijn, maar vreest de vrede als de stilte voor de storm en wantrouwt het huiselijk geluk. Hoe kan hij zijn kinderen beschermen tegen het noodlot dat hij zo vreest? Zijn existentiële angst loopt zo hoog op dat hij in wanhoop besluit tot het vermoorden van zijn kinderen en zichzelf. Hij heeft de blik in de afgrond niet kunnen verdragen.

De massamens leeft echter aan de oppervlakte en heeft de blik in de afgrond opzij gedrukt. Hij ervaart de dood van God juist als opluchting. In de consumptiemaatschappij heerst aan de oppervlakte een goedgemutst atheïsme. De koning is dood, en nu zijn wij de baas! Men geniet van de vrijheid zonder de last van de verantwoordelijkheid die bij die vrijheid hoort. God is verdwenen, maar de feestvreugde van ‘het zoete leven’ blijft. Het vasten werd afgeschaft, maar het carnaval is gebleven.

De laatste mens

Nietzsche voorzag al dat de toekomstige mens de betekenis van deze dood niet langer zou beseffen. Hij noemde hem de laatste mens. Deze knipoogt wanneer hij de vraag “Wat is waarheid?” hoort. Hij verlangt geen grote idealen meer, geen heldhaftigheid, geen strijd om betekenis. Slechts comfort, veiligheid en een permanent gevoel van tevredenheid interesseren hem nog. “Wij hebben het geluk uitgevonden,” zegt de laatste mens, en hij knipoogt opnieuw.

Bij de laatste mens van Nietzsche is de belofte van individuele bevrijding volledig verworden tot iets anders: de mens is consument geworden. De markt heeft hem overgenomen. Hij springt door de hoepels die de consumptiemaatschappij hem voorhoudt – mode, entertainment, status, identiteit als koopwaar – terwijl hij in de waan verkeert dat hij autonoom en vrij is. De individuele soevereiniteit die hij zo trots opeist, is in werkelijkheid overgave aan de manipulaties van de markt.

“Na de onttroning van God blijft de troon niet leeg.” Dit anonieme inzicht, dat na Nietzsches diagnose steeds weer opduikt, raakt de ernst van de situatie. De dood van God schept geen neutrale ruimte. Autoriteit verdwijnt niet, maar verplaatst zich. Wanneer God uit beeld verdwenen is, zoekt de mens nieuwe vaders op aarde. Vaak is dat de wetenschap, de staat, de ideologie, de markt of een collectieve identiteit. Na de dood van de koning bestijgt zijn opvolger de troon. Het jaar 1793 heeft ons geleerd dat na de onthoofding van de koning de dictator verschijnt. En de geschiedenis van de twintigste eeuw heeft het nog eens bevestigd: waar de transcendentie verdween, rezen totalitaire regimes op die zichzelf tot absolute wet verhieven. Maar ook in de ogenschijnlijk ‘zachte’ consumptiemaatschappij blijft de troon bezet. De onzichtbare hand van de markt, de marketing die onze verlangens stuurt, de culturele codes die bepalen wat men mag denken en voelen – zij oefenen een vorm van gezag uit die des te effectiever is omdat zij zich voordoet als vrijheid.

De marginalisering van de vaderfiguur is een aardse echo van de dood van de hemelse Vader. Wanneer het vaderschap zijn metafysische verankering verliest, verliest het ook zijn morele zwaartekracht. De vader wordt ofwel autoritair en willekeurig, ofwel afwezig en irrelevant. In beide gevallen ontstaat een vacuüm. Het individu dat denkt dat vacuüm te vullen met zijn eigen soevereiniteit, ontdekt al snel dat hij zelf leeg is. Zonder een hogere maatstaf blijft er slechts de oneindige reeks van begeerten en de concurrentie om erkenning over. De belofte van bevrijding is uitgemond in een subtielere vorm van onderwerping: de mens is vrij om te kiezen tussen merken, maar niet om te vragen naar de zin van die keuze.

Wat rest, is de vraag of de troon ooit weer bezet kan worden door iets dat de mens niet vernedert, maar in zijn waarde laat. Nietzsche zelf zocht het antwoord in de Übermensch, de mens die de dood van God aanvaardt en er een nieuwe scheppingskracht uit put. Daarmee keerde hij de scheppingsorde om en normaliseerde hij het atheïstische existentialisme.

Goedgemutst atheïsme of zelfvoldaanheid verdiepen de crisis. De laatste mens denkt dat hij het geluk heeft uitgevonden, maar leeft in een wereld zonder diepte. De afwezigheid van God valt niet te compenseren met ingebeelde autonomie. Integendeel: precies daar waar de mens meent koning te zijn, blijkt hij het meest onderworpen. Koning klant. De mens vernederd tot een portemonnee.

Geestelijke gezagscrisis

De metafysische dimensie van het vaderschap kan niet zomaar worden weggehoond. Zij herinnert eraan dat menselijk gezag altijd relatief is. Wanneer die relativiteit wordt vergeten, ontstaat ofwel de tiran ofwel de consument – twee gezichten van dezelfde leegte. De dood van God is helemaal geen bevrijding geweest, maar het begin van een geestelijke gezagscrisis die zich dagelijks verdiept.

Verzet tegen paternalisme is begrijpelijk en vaak gerechtvaardigd. Wanneer een vader zich louter als autoriteit opstelt of tiranniek gedrag vertoont – door willekeur, geweld of koude dominantie – is weerstand terecht. Zulke vaders beschadigen. Maar verzet tegen een liefdevolle vader keert zich altijd tegen jezelf.

Een vader die grenzen stelt vanuit betrokkenheid, die richting geeft zonder te vernederen, en die aanwezig is met zowel strengheid als warmte, biedt iets onvervangbaars. Wie wil er nu geen liefdevolle vader voor zijn kinderen zijn? De vraag is retorisch, maar raakt de kern. Liefdevolle autoriteit is geen onderdrukking; het is een vorm van zorg die kinderen helpt om later zelfstandig en verantwoordelijk te worden.

Bij het verdwijnen van de vaderfiguur bevatten reactionaire waarschuwingen voor chaos een diepe kern van waarheid. Wat verloren dreigt te gaan, is niet de tirannieke vader, maar de liefdevolle gids die moreel kompas en richting biedt. Herstel van die rol betekent niet een terugkeer naar een patriarchale samenleving. Het betekent dat vaderlijk gezag opnieuw zichtbaar mag zijn – vanuit liefde, niet vanuit macht. Niet alleen in het gezin, maar ook in de gemeenschap en bij de overheid. Alleen dan kunnen kinderen en burgers zowel de geborgenheid van de moeder (verzorgingsstaat) als de richting van de vader (gelegitimeerd gezag) ontvangen, en zo een steviger fundament voor hun eigen leven leggen.

Het vaderloze tijdperk (1984) – A.E.M. van der Does de Willebois

De psychiater Van der Does de Willebois diagnoseert de moderne samenleving als fundamenteel vaderloos. Door secularisatie is het goddelijke Vaderschap opgezegd; daarmee verdwijnt ook het aardse vaderschap als overdrager van heilige waarden, zin en hiërarchische ordening. Zonder vaderfiguur die oriëntatiepunten en grenzen biedt, raakt de cultuur op drift: nihilisme, verveling, zelfvervreemding, losbandigheid en anarchie volgen. Een vaderloze maatschappij produceert zonen die geen mannen worden en een samenleving zonder vaste maatstaven.

De verweesde samenleving (1995) – Pim Fortuyn

Fortuyn ziet de gezagscrisis als gevolg van de “destructie van de Wet van de vader”. De generatie van de jaren zestig stootte het patriarchale en christelijke gezag af, maar weigerde zelf vader te worden. Daardoor ontstond een samenleving van wezen: zonder leiding, geborgenheid of gemeenschappelijk doel. Normen en waarden worden niet meer overgedragen; individualisme en egocentrisme overheersen. De samenleving is verweesd en verlangt naar nieuwe vaderschap in gezin, school en publiek domein.

De Gezagscrisis (2023) – Ad Verbrugge

Verbrugge analyseert de huidige crisis als diepere leegte in de postmoderne, neoliberale netwerksamenleving. Burgers en overheid zijn poreus geworden door individualisering, globalisering en vermarkting. Vijf leegtes ondermijnen overheidsgezag: macht, cognitie, moraal, maatschappij en gemeenschap. Zonder gedeelde bezieling en gemeenschappelijk goed erodeert legitimiteit. De oplossing ligt in herwaardering van de mens als een gemeenschapswezen dat verlangt naar zingeving van zijn bestaan.


lees ook deze artikelen

Identiteit als koopwaar

Identiteit als koopwaar

Johannes van den Heuvel, 5 september

La Dolce Vita: zesde essay

De eeuw van het narcisme

De eeuw van het narcisme

Johannes van den Heuvel, 29 augustus

La Dolce Vita: vijfde essay

De Horizontale Verleiding

De Horizontale Verleiding

Johannes van den Heuvel, 14 augustus

La Dolce Vita: vierde essay

De blik in de afgrond

De blik in de afgrond

Johannes van den Heuvel, 8 augustus

La Dolce Vita: derde essay

reacties

Nog geen reacties. Deel als eerste uw gedachten.