In La dolce vita (1960) brengt Federico Fellini het sacrale en het profane op meerdere momenten betekenisvol samen. Rome, met zijn alomtegenwoordige religieuze erfgoed, vormt hiervoor het ideale decor. Al in de openingsscene zien we een helikopter die een groot Christusbeeld door de lucht vervoert, met op de achtergrond Vaticaanstad. Later keert het Vaticaan terug. We zien de beroemde Amerikaanse filmdiva Sylvia, gespeeld door Anita Ekberg, tijdens een bezoek aan de Sint-Pietersbasiliek. Reporter Marcello Rubini (Marcello Mastroianni) en zijn paparazzi volgen haar op de voet.
Fellini gebruikt in deze scène opnieuw symboliek. Sylvia is gekleed als haute couture model en draagt een strakke, zwarte jurk. Omdat deze doet denken aan een priesterhabijt wordt deze de “pretino” genoemd. Met haar zwarte ronde hoed lijkt ze bijna op een kardinaal in het zwart, een overduidelijke provocatie. Hoewel haar lichaam bedekt is, tekent de stof haar vormen des te nadrukkelijker af. De smalle, wentelende trappen binnenin de dubbelwandige koepel zijn benauwd. We horen alleen het echoënde geklik van hakken, het gehijg van de mannen en het geluid van hun jachtige pogingen om haar bij te houden. Sylvia is geen gewone sterveling meer: ze lijkt een godin, een onstuitbare natuurkracht die de koepel bestormt en de mannen uitgeput achter zich laat. Fellini is hier, zoals zo vaak, uitgesproken in zijn seksuele toespelingen.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Celebrity crush
Boven aangekomen, in de lantaarn van de koepel, opent zich een adembenemend uitzicht over het Sint-Pietersplein. “Waar is de campanile van Giotto?” vraagt Sylvia aan Marcello, de enige die haar heeft kunnen bijhouden. “Dit is Rome, niet Florence!” antwoordt hij. Sylvia lacht, tilt speels zijn zonnebril omhoog en kijkt hem recht in de ogen. Op datzelfde moment rukt een windvlaag haar hoed af. Haar weelderige blonde haar wappert vrij in de wind. Daar staan ze, hoog boven Rome: een beeldschoon paar, als twee figuurtjes boven op een bruidstaart – sacraal en profaan, verheven en esthetisch in één beeld, zoals de beelden van Bernini beneden in de basiliek.
In dit moment legt Fellini op meesterlijke wijze de verschuiving bloot van de christelijke samenleving naar de moderne spektakelmaatschappij waarin alles om de camera draait. God en Zijn heiligen worden in de moderne tijd verdrongen door de celebrity. Sylvia bovenop de Sint Pieter is de apotheose van dit proces. Zij is niet langer een mens onder de mensen, maar een hemellichaam dat haar eigen baan trekt.
De celebrity fungeert als de perfecte spiegel van de narcist. Zoals Sylvia daarboven staat, stralend als een godin in het licht, weerspiegelt zij niet alleen haar eigen beeld, maar ook het verlangen en de celebrity crush van allen die naar haar opkijken. Marcello, de paparazzi, de toeschouwers beneden – zij allen zien in haar wat zij zelf graag zouden willen zijn: gezien, begeerd, vergoddelijkt. De celebrity is geen mens meer, maar is een projectiescherm geworden waarop de narcistische fantasie van oneindige erkenning wordt vertoond. Zij is het geïdealiseerde zelfbeeld dat de narcist in zichzelf najaagt.
Fifteen minutes of fame
In 1960 was de samenleving nog niet post-christelijk, maar Fellini zag onder invloed van film en televisie de omslag al aankomen. In de bewuste scène brengt hij die twee werelden treffend bij elkaar. De invloed van de media zou daarna alleen maar sterker worden: de televisie in de jaren zestig en zeventig, het internet in de jaren negentig en vooral met sterke opkomst van sociale media in de 21ste eeuw. Andy Warhol deed zijn fameuze uitspraak over fifteen minutes of fame in 1968 en voorspelde daarmee eigenlijk exact wat er zou gebeuren met de komst van reality-tv en sociale platforms. Iedereen kon voortaan, al was het maar even, een (micro)celebrity worden.
Tegen het einde van de twintigste eeuw had reality-tv de weg geplaveid voor social media zoals Facebook, Twitter, TikTok en Instagram. Films als The Truman Show (1998) en programma’s als de eerste reeks van Big Brother (1999) werden legendarisch. Ze hadden een enorme zuigkracht en voedden een groeiend narcisme.
Daarbij kwamen talentenjachten zoals The Soundmix Show, Idols, X Factor, The Voice of Holland en So You Think You Can Dance. In deze shows wordt deelnemers de kans geboden op hun eigen fifteen minutes of fame – en soms een echte carrière – terwijl hun ego volop in de schijnwerpers mag staan. In het nieuwe millennium biedt YouTube een wereldwijd platform aan influencers en heeft het narcisme zich definitief geglobaliseerd.
De postmoderne mens koestert een diepe behoefte aan aandacht en bewondering. Bewondering is een geïdealiseerde en kritiekloze vorm van aandacht. Vaak leidt deze tot een oneigenlijke relatie met de ander die voortkomt uit zelfverheerlijking. Echte communicatie vindt er nauwelijks meer plaats. Het verlangen naar bewondering wordt weliswaar versterkt en genormaliseerd door de massamedia, maar vindt zijn diepste oorsprong in de relatiebreuk met de persoonlijke God. De mens die meent God niet (meer) nodig te hebben, blijft alleen achter en raakt tenslotte vervreemd van de goddelijke genade. Omdat hij die genade in wezen wél nodig heeft, zoekt hij een surrogaat. Bewondering – de hoogste vorm van aandacht die medemensen hem kunnen geven – wordt zijn toevlucht. De wereldse beleving van goddelijke genade vertaalt zich naar een applaus dat nooit verstomt.
Dat heeft grote gevolgen voor de relatie met de ander die hiermee gereduceerd tot publiek, tot bewonderaar, zodat een gelijkwaardige relatie ondermijnd wordt. De onvoorwaardelijke liefde die God aan Zijn schepselen schenkt, is onder diezelfde schepselen niet te vinden. De vraag naar liefde en aandacht onder mensen is even onuitputtelijk als het aanbod van de Schepper. De anderen kunnen principieel nooit het gedroomde publiek zijn omdat ze evengoed snakken naar aandacht en erkenning.
In een postmoderne, narcistische cultuur ontstaat zo de paradoxale situatie dat iedereen beroemd wil zijn en aanbeden wil worden – al is het maar voor vijftien minuten. Stel dat die vijftien minuten van roem daadwerkelijk in vervulling zouden gaan, wat rest er dan als het applaus ophoudt? Een diepe, onverdraaglijke leegte.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Atomisering
De moderne mens, afgesneden van de Schepper, christelijke traditie en gemeenschap, zoekt houvast in het enige dat nog overblijft: zichzelf. Maar dit zelf is broos en heeft voortdurend brandstof nodig. Vandaar de onverzadigbare honger naar aandacht, likes, camera’s en bewondering. Het individualisme keert zich naar binnen en wordt pathologisch: het ik wordt het kosmische centrum waar de hele werkelijkheid om heen moet draaien. Deze zelfverheerlijking leidt tot een uitschakeling van zowel God als de ander als gelijkwaardige persoon.
In de laatste decennia is narcist vooral een scheldwoord geworden, een etiket dat snel op anderen geplakt wordt. Maar voor een eerlijke en vruchtbare zelfkennis is het zinvoller om het narcisme in onze postmoderne samenleving – en dus ook in onszelf – te herkennen. Dat vraagt dat we afdalen tot in de haarvaten van het individualisme. Narcisme is het ziekelijke eindstadium van (hyper)individualisme. Individualisme voedt narcisme, zoals gemeenschapszin het juist tegengaat. Gemeenschapszin sluit de relatie met de ander in, terwijl narcisme de ander reduceert tot decorstuk in het eigen universum.
In 1998 verscheen Michel Houellebecqs roman Elementaire deeltjes, een van de scherpste en invloedrijkste kritieken op de erfenis van de jaren zestig. Het boek ontleedde hoe de doorgeschoten liberalisering en individualisering hadden geleid tot het uiteenvallen van traditionele sociale verbanden, met name het gezin. Houellebecq laat zien dat de bevrijding van het individu niet tot bloei, maar tot atomisering leidt: mensen zweven als losse deeltjes door het bestaan. Voor een groot publiek maakte het de keerzijde van “de bevrijding van het individu” zichtbaar.
Na 1970 ontstond een samenleving die in toenemende mate rond het losgezongen individu was gebouwd. Dit proces leidde tot een geleidelijke erosie van gemeenschappen en gemeenschapszin. Terwijl het individu welvarender en letterlijk beter doorvoed raakte, ontstond het dikke ik: een vorm van narcisme die je zou kunnen zien als obesitas van het ego. Om het ego fit te houden en “overgewicht” tegen te gaan, ontwikkelde zich een uitgebreide therapiecultuur.
De plaats van religieuze zingeving werd ingenomen door een eindeloze reeks workshops, zelfhulpboeken, coaches en therapeutische gesprekken. Het “ik” werd een project dat continu onderhoud vereiste: het moest fit, authentiek, veerkrachtig en emotioneel intelligent blijven.
De leegte die het christendom had achtergelaten, werd een soort werkplaats voor het zelf. In een meritocratie is het ik immers het voertuig van maatschappelijk succes. Net als een auto heeft het onderhoud nodig: APK, reparaties en regelmatig een grote beurt. Zo ontstond een wildgroei aan therapieën, workshops en persoonlijke-groeiprogramma’s die het ik in topconditie moesten houden. Daarbij hoorde ook het afslanken van het ik, want het dikke ik wordt maatschappelijk afgekeurd.
The religion of Me
In zijn invloedrijke boek The Culture of Narcissism (1979) wijst de Amerikaanse historicus Christopher Lasch expliciet op de opkomst van een ik-gebonden spiritualiteit als een van de kenmerkende uitingen van deze cultuur. Lasch besteedt in het openingshoofdstuk, “The Awareness Movement and the Social Invasion of the Self”, veel aandacht aan de therapeutische wending in de cultuur. De traditionele religie, gericht op persoonlijke redding, zonde, gemeenschap en een transcendent God, maakte plaats voor een spiritueel-therapeutisch complex dat zich primair richt op zelfontplooiing, bewustzijn en psychische gezondheid. Mensen hongeren volgens Lasch niet langer naar verlossing of een hoger doel, maar naar “the feeling, the momentary illusion, of personal well-being, health, and psychic security.”
Christopher Lasch zag narcisme niet primair als ijdelheid, maar als een structurele psychologische toestand: een fragiel zelf dat voortdurend bevestiging zoekt in een wankele wereld. Kortom: narcisme als het permanente streven van het poreuze individu naar zelfbevestiging.
De tragiek is dat de therapiecultuur het probleem van het poreuze individu niet oplost, maar verdiept. Door het narcisme te bestrijden met nog meer aandacht voor het ik, blijft de focus radicaal egocentrisch. In plaats van mensen weer te verbinden met iets dat groter is dan henzelf – een gemeenschap, een traditie, een hogere orde – leert therapie hen vooral beter om te gaan met hun eigen gevoelens en trauma’s. Het dikke ik wordt niet ontmanteld, maar slanker, efficiënter en professioneler gemaakt. Narcisme wordt zo niet genezen, maar geoptimaliseerd.
Atomisering en narcisme versterken elkaar in een vicieuze cirkel. Hoe meer mensen zich terugtrekken op het zelf, hoe zwakker de sociale weefsels worden. En hoe zwakker die weefsels, hoe meer men afhankelijk wordt van therapeutische ondersteuning om de eenzaamheid dragelijk te maken. De therapiecultuur fungeert daardoor als een symptoombestrijding die de ziekte in stand houdt.
Spiritualiteit die zich richt op het Zelf – in de vorm van personal growth, bewustzijnsontwikkeling en Advaita-non-dualiteit – belooft vaak verlichting van dit narcisme. In de praktijk bevestigt zij het echter op een dieper, geraffineerder niveau. Veel hedendaagse spirituele stromingen benadrukken zelfrealisatie, innerlijke awareness en het loslaten van het “kleine ik”. Populaire leraren spreken van “je hogere zelf”, “puur Bewustzijn” of de eenheid van Atman en Brahman. Op het eerste gezicht lijkt dit een krachtig tegengif tegen narcisme: het ego wordt immers gerelativeerd. Toch blijft de structuur individualistisch. De aandacht blijft volledig bij het eigen bewustzijn liggen. De ander verschijnt hoogstens als spiegel, projectie of medespeurder op dezelfde innerlijke reis. Er ontstaat geen levende relatie met een transcendent Ander.
Waar klassiek narcisme nog schaamteloos egocentrisch is (“de wereld draait om mij”), creëert ik-gebonden spiritualiteit een verfijnde variant: “de wereld is mijn bewustzijn”. Advaita kan hierin ver gaan: als alles uiteindelijk één is en het Zelf de ultieme realiteit, verdwijnt de ander als werkelijk onderscheiden persoon. De dialoog maakt plaats voor monoloog. Gemeenschap wordt een verzameling van mede-ikken die allemaal dezelfde non-duale waarheid “ontwaken”. De relatie verliest haar ethische en existentiële gewicht.
De Reactionair
Boekenwinkel
Ondek onze grote collectie boeken, zoals Vitalisme, in onze boekenwinkel.

Gemeenschap
De westerse filosofie heeft deze ontwikkeling voorbereid. Met name het Duitse Idealisme. Bij Fichte staat niet het alledaagse empirische ik centraal, maar is het absolute Ich het Archimedisch punt waarop de werkelijkheid berust. Daarmee wordt de persoonlijke God van het christendom definitief verdrongen. Fichte’s filosofie van het Ich sluit aan bij de oude Indiase Vedanta-mystiek, die sinds Schopenhauer in dialoog is getreden met de westerse filosofie. In de Vedanta vallen Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) uiteindelijk samen. Dit radicale monisme stimuleert zowel individualisering als atomisering.
Echte gemeenschapszin ontstaat alleen wanneer het individu zich richt op iets dat groter is dan zichzelf én groter dan het collectieve zelf. Traditioneel gebeurde dat rond de persoonlijke God: een Ander die niet oplosbaar is in mijn bewustzijn, die mij roept tot verantwoordelijkheid, liefde en dienstbaarheid. In die relatie wordt het ik niet ontkend, maar juist geplaatst in een zinvolle orde. Atomisering wordt doorbroken omdat de ander niet langer satelliet of illusie is, maar naaste en medecreatuur.
Spiritualiteit die uitsluitend om het Zelf draait, lost het narcisme dus niet op, maar veredelt het. Zij vervangt grof egocentrisme door een spiritueel verfijnd solipsisme. Persoonlijke groei en bewustzijnsoefeningen kunnen waardevol zijn, maar zolang zij het centrum bij het ik houden, blijven ze gevangen in dezelfde individualistische structuur.
Pas wanneer spiritualiteit zich opent naar de levende relatie met de Ander – de persoonlijke God en de concrete naaste – kan het individu ontsnappen aan atomisering. Dan wordt spiritualiteit geen vlucht in het eigen bewustzijn, maar een weg naar werkelijke gemeenschap en liefde. Zolang we het Zelf blijven zien als het centrum van alle heil, blijft de therapie een vorm van hoogwaardige zelfverering – precies het narcisme dat ze beweert te bestrijden.


