De Horizontale Verleiding

La Dolce Vita: vierde essay

Cultuur
De Horizontale Verleiding
10 minuten leestijd

De poreuze mens mist innerlijke stevigheid. Net als Marcello Rubini aan het einde van La Dolce Vita is hij naar de oppervlakte gevlucht. Hij heeft het verticale ingeruild voor het horizontale. Wat betekent dat concreet? Het verticale leven kent twee dimensies: hoogte en diepte. Hoogte staat voor transcendentie – de verbinding met iets dat groter is dan de mens zelf, traditioneel de persoonlijke God van het christendom. Diepte staat voor historisch bewustzijn: het besef van het verleden dat ons helpt het heden te relativeren.

Door zowel God als het historische bewustzijn los te laten, wordt de mens teruggeworpen op zichzelf en op het hier en nu. Op het eerste gezicht lijkt dit een bevrijding. Geen autoriteit meer boven hem, geen verleden dat hem beklemt. De mens is eindelijk vrij om zijn eigen toekomst vorm te geven. Een mooi progressief ideaal.

Toch blijkt de praktijk weerbarstiger. De poreuze mens die voor de oppervlakte kiest, lijkt alle vrijheid te hebben. De lichte liberale vrijheid – “je mag doen wat je wilt zolang je de ander niet schaadt” – klinkt aanlokkelijk. Maar het existentialisme toont het radicale en ondraaglijke karakter van die vrijheid: je bent volledig verantwoordelijk, volstrekt eenzaam in je keuzes, en wordt voortdurend geconfronteerd met de angst en leegte die erbij horen. De massa vlucht uiteindelijk voor deze last naar de oppervlakte, anderen in zelfbedrog en weer anderen kiezen voor zelfmoord.

De Groot-Inquisiteur

Het besef van het radicale en ondraaglijke van de menselijke vrijheid klinkt al door bij Dostojevski. In het verhaal van de Groot-Inquisiteur laat Ivan Karamazov Christus terugkeren in het zestiende-eeuws Sevilla, midden in de tijd van de Inquisitie. Christus geneest en wekt doden op, maar wordt door de oude kardinaal gearresteerd. In de kerker verwijt de Inquisiteur Hem dat Hij de mens te veel vrijheid heeft gegeven. Vrijheid is een ondraaglijke last voor de zwakke massa. Mensen verlangen niet naar keuze, maar naar brood, wonder, mysterie en autoriteit. De Kerk heeft, volgens de Inquisiteur, Christus’ werk “verbeterd”: zij nam de vrijheid van de mensen over en bood in ruil zekerheid en geborgenheid. De elite zorgt voor de ziel en krijgt er macht voor terug. De massa ruilt een deel van haar vrijheid in voor comfort.

Doordat het volk dit mechanisme ging doorzien, verloor de Kerk haar geloofwaardigheid. Zij wordt vooral nog gezien als machtsinstituut dat het christelijke geloof heeft verdraaid. Daardoor raakten Kerk en Evangelie in de moderne tijd van elkaar gescheiden. Het Evangelie kon los van God worden gelezen: Christus werd niet langer de Zoon van God, maar een moreel voorbeeld van liefde en medemenselijkheid. Zo ontstond het religieuze humanisme – een vervlakking van het christelijke geloof . Deze vervlakking wordt nauwelijks nog herkend, maar juist als de eigenlijke kern van het christelijk geloof beschouwd, vaak ook door christenen zelf.

De nieuwe ruil

De ruil die de liberale marktelite biedt, lijkt sprekend op die van de religieuze elite: geef ons een deel van jullie vrijheid, dan zorgen wij voor jullie welvaart en verstrooiing. Waar de Kerk zorgde voor de ziel en het hiernamaals, biedt de markt consumptie, entertainment en comfort in het hier en nu. Kerken lopen leeg, stadions en streamingdiensten stromen vol.

Het verschil is essentieel. De Kerk was in de hoogte verbonden met God. De markt is puur horizontaal en richt zich op aardse behoeften en verlangens. Sinds de negentiende eeuw, vooral door de inzichten van Darwin, Marx, Nietzsche en Freud, heeft het volk het gezag van de religieuze elite afgewezen. Niet alleen het kerkelijk gezag, maar ook de middelen die in het verbond van troon en altaar misbruikt werden om macht uit te oefenen: Absolute Autoriteit (God), beloning (hemel) en straf (hel). De Bijbel werd een “sprookjesboek ” of op zijn best “cultureel erfgoed”. Met het afscheid van de Kerk werd ook de persoonlijke God van het christendom van zijn troon gestoten. Die troon bleef niet leeg: het individu – de consument – kreeg er de hoogste plaats. “De klant is koning.”

Achter de façade van keuzevrijheid en democratie opereert een markt die beheerst wordt door groot kapitaal. Terwijl je denkt autonoom te scrollen, lever je jezelf over aan systemen die aandacht vangen en emoties voeden om winst te maximaliseren. Waar de Groot-Inquisiteur handelt uit een mengeling van minachting en mededogen, handelt de markt uitsluitend uit hebzucht. Ze veracht de massa om haar zwakte, maar geeft haar precies wat ze vraagt – consumptie en spektakel.

Bevrijd van de geïnstitutionaliseerde religie, meent het (post)moderne individu onafhankelijk en vrij te zijn. Zijn verbinding met het verleden en met de transcendentie is doorgesneden. Hij leeft als een dier, gevangen in het hier en nu, nauwelijks nog in staat tot relativering. Dat maakt hem uiterst kwetsbaar voor externe factoren, met name de macht van de massamedia. Wat hij als diepte ervaart – hevige emoties over klimaat, onrecht of cultuurstrijd – is vaak niet meer dan een door media opgeroepen storm die hem even het gevoel geeft dat hij diepgang heeft. Zo reduceert het leven van de poreuze mens tot een reeks impulsieve reacties op prikkels van het moment.

Religie en spektakel

In La dolce vita brengt Federico Fellini de oude macht van de Rooms-katholieke Kerk en de nieuwe macht van de media op twee iconische momenten met elkaar in contact. Rome vormt daarbij het ideale decor. Het is de bakermat van de antieke wereld en het Romeinse Rijk, de zetel van de Rooms-katholieke Kerk en tegelijk de hoofdstad van het naoorlogse Italië. In de magistrale openingsscène wordt een groot Christusbeeld met gespreide armen hangend onder een helikopter over Rome gevlogen, gevolgd door een helikopter die dit filmt. De Eeuwige Stad wordt daarbij in drie tijdslagen gepresenteerd: eerst vliegen de helikopters langs antieke ruïnes, dan langs moderne naoorlogse woonblokken, en uiteindelijk bereiken ze het Vaticaan, het hart van de katholieke wereld.

We maken in de openingsscene ook kennis met de hoofdpersoon Marcello Rubini die in de tweede helikopter zit. Hoewel hij eigenlijk een serieus schrijver wil worden, werkt hij als journalist voor de boulevardpers. Het betaalt immers goed. Al lang voordat hij zich aan het einde van de film volledig overgeeft aan een bestaan van seks, drank en glamour, is Marcello eigenlijk al gecapituleerd. De roddelpers is immers het riool van de media en niet bepaald de biotoop van een geëngageerde intellectueel.

De openingsscène vormt een perfecte illustratie van de eerste these uit Guy Debords La société du spectacle (1967): “Alles wat direct geleefd werd, is teruggetrokken in een representatie.” Het Christusbeeld is hier geen object van levend geloof meer, maar een spectaculair element in een show. Het zweeft los van zijn oorspronkelijke religieuze context en wordt puur visueel vermaak. Wat Baudrillard in 1981 “hyperrealiteit” zou noemen, is hier al zichtbaar: in de horizontale wereld van de media verdwijnen diepte en transcendentie. Alles wordt plat spektakel, kopie zonder origineel.

Het spectaculaire is altijd al een machtsinstrument geweest. De Rooms-katholieke Kerk begreep als geen ander de kracht van het visuele. Vooral tijdens de Contrareformatie ontwikkelde de katholieke kerk de barok als visuele verkoopstrategie. In een tijd van protestantse soberheid en concurrentie koos Rome voor overdaad: vergulde altaren, dramatische lichtval, fresco’s vol beweging en emotie. De barok wilde niet overtuigen door redenering, maar door overweldiging. Het geloof moest voelbaar, zichtbaar en onweerstaanbaar worden. De gelovige moest in vervoering raken bij het zien van een martelaar of extatisch opkijken naar een plafondschildering die de hemel leek te openen. Voordat de mediamacht bestond, maakte de Kerk van Rome al volop gebruik van theater en spektakel om bij het volk sterke emoties op te wekken.

Een tweede episode waarin de manipulaties van de Rooms-katholieke Kerk en van de moderne massa media samensmelten, is de scène met de zogenaamde “Mariakinderen”. Volgens de logica van de Groot-Inquisiteur is het wonder een van de middelen waarmee de Kerk het volk geeft wat het verlangt – een religieuze variant op “brood en spelen”. Wil het volk een collectieve extase, dan regelt de instelling die.

In La dolce vita wordt het “wonder” (twee kinderen aan wie Maria zou zijn verschenen) gekoppeld aan het bedrog van een media-event. Het heilige is niet langer een grenservaring met het transcendente, maar wordt opgenomen in de horizontale wereld van camera’s en sensatie. Het wordt een voorstelling die via televisie kan worden geconsumeerd. Fellini toont hiermee hoe zowel de oude religieuze autoriteit als de nieuwe macht van de media in de moderne wereld hetzelfde lot ondergaan: ze worden onderdeel van het spektakel.

Ook hier visualiseert hij wat Guy Debord en Jean Baudrillard later theoretiseren: het spektakel vervangt via de media steeds meer de werkelijkheid. De poreuze, horizontale mens leeft in een door media gemanipuleerde wereld waarin sequensen van prikkels voorgebakken ervaringen aanbieden – zoals in een commercial. Dit is precies wat we zien gebeuren in de iconische scène met Anita Ekberg in de Trevifontein. Fellini combineert hier de barokke achtergrond met de verleidster in een zinnenprikkelend moment. Het is de esthetiek van een commercial. Een oogstrelend geheel en hapklare brok voor de consument.

James Bond

Het is geen toeval dat in de zelfde jaren de eerste James Bond-films verschijnen. Het spektakel breidt zich naar alle kanten uit en globaliseert. Geheim agent 007 raast in een flitsende sequens de wereld over: van landmark naar landmark, van de historische naar de hypermoderne setting, van verleden naar toekomst binnen het hier en nu van de film. Geestelijke hoogte en diepte zijn verdwenen en vervangen door wolkenkrabbers en ravijnen — alles in hetzelfde grenzeloze, horizontale vlak. Een oceaan met de diepgang van een soepbord.

In de James Bond-film wordt de wereld één groot Las Vegas. Waar het barokke Rome van de Rooms-katholieke Kerk het goddelijke verheerlijkt, verheerlijkt Las Vegas het wereldlijke. Reuzenhotels in de vorm van piramides, Venetiaanse kanalen of de Eiffeltoren, dansende fonteinen op muziek, neonlichten die nooit doven. Ook hier wordt de bezoeker overweldigd door absurde schaal en kunstmatig hemelse verlichting. Beide plekken gebruiken spektakel om te verleiden: Rome tot geloof en onderwerping aan de Kerk, Las Vegas tot consumptie en onderwerping aan het kapitalisme. Het cruciale verschil is dat het moderne spektakel geen transcendentie meer belooft, maar directe, immanente bevrediging – nu meteen, betaalbaar met creditcard.

Onvrijheid

De postmoderne mens leeft in de illusie dat hij volledig onafhankelijk is en dat er geen hogere autoriteit meer boven hem staat. Toch hebben we gezien dat juist zijn poreusheid hem extreem kwetsbaar maakt voor externe prikkels. Deze ontvankelijkheid maakt hem tot een ideale prooi voor manipulatie via de media. Hoe meer hij participeert in de netwerksamenleving en zich afhankelijk maakt van digitale media, des te meer hij zijn kwetsbaarheid vergroot.

In de postmoderne tijd lijkt zich eenzelfde ruil af te spelen als die welke Dostojevski’s Groot-Inquisiteur beschrijft. Omdat echte vrijheid bijna ondraaglijk is, levert de massa een deel van haar vrijheid in ruil voor comfort. De welvaartsstaat zorgt voor materiële zekerheid, terwijl amusement en media afleiding bieden van de diepte en zwaarte van het bestaan.

Er is echter een wezenlijk verschil tussen het zelfverklaarde mondige postmoderne individu en de eenvoudige gelovige van vroeger. De gelovige aanvaardde autoriteit boven zich, in de overtuiging dat deze uiteindelijk terugging op de Almachtige God, die het goede met hem voorhad. De geseculariseerde mens daarentegen wantrouwt elke autoriteit en vindt in de media een bondgenoot die hem daarin bevestigt. Voor de media is hij primair een consument, en “de klant is koning”. Zo krijgt hij voortdurend de illusie voorgespiegeld dat hij alles zelf bepaalt.

Deze ruil is zelden een bewuste keuze. Net zoals de gelovige vroeger niet expliciet dacht “ik lever mijn vrijheid in voor geborgenheid in de Kerk”, zo overweegt de postmoderne mens meestal niet bewust of hij zich wel wil overgeven aan de netwerksamenleving. Hij wordt erin geboren of erdoor meegezogen via zijn omgeving. Voor de poreuze mens is een digitaal leven met voortdurende connecties via sociale media de natuurlijkste zaak van de wereld.

De mediamacht in de 21ste eeuw beschikt over veel meer dan alleen grote media-events. Die blijven relevant, maar de werkelijke invloed ligt in de continue omhulling door sociale media. 24 uur per dag, zeven dagen per week wordt de consument ingesponnen. Hoe kritisch of wantrouwend iemand ook is, hij blijft blootgesteld aan subtiele manipulaties. Terwijl de aandacht gericht is op de inhoud – het contact met anderen, het nieuws, de bal – vindt de beïnvloeding plaats in de periferie: in de advertenties die alles omlijsten, in de commentaren die opinies sturen, en in de digitale feedback-loops van likes, ratings en reacties.

Zo ontstaat een nieuwe vorm van onvrijheid die zich vermomt als ultieme vrijheid. De postmoderne mens heeft de oude autoriteiten afgeworpen, maar is in plaats daarvan onderworpen geraakt aan een diffuse, allesdoordringende mediamacht die hem tegelijk vleit en stuurt.