De titel van Fellini’s meesterwerk La dolce vita is bittere ironie. Al in het begin van de film probeert Marcello’s verloofde Emma zelfmoord te plegen. Marcello brengt haar inderhaast naar het ziekenhuis waar ze gered kan worden. Het is een onheilspellende voorbode op wat later volgt.
Fellini schreef het scenario van La dolce vita samen met Ennio Flaiano, Tullio Pinelli en Brunello Rondi. Ze waren beïnvloed door de culturele sfeer van het naoorlogse Italië en Europa, waar het existentialisme in de lucht hing. In het personage Steiner komt de existentiële opdracht tot radicale vrijheid en authenticiteit het duidelijkste tot uitdrukking. Hij is dan ook het intellectuele geweten van La dolce vita.
Steiner (Alain Cuny) is een intellectueel, schrijver en filosoof en minstens vijftien jaar ouder dan Marcello. Fellini castte Alain Cuny treffend als existentialist. Met zijn verweerde gezicht lijkt hij op Samuel Beckett: een zeemanskop, hard en getaand. Hij belichaamt het archetype van de atheïstische existentialist. In hem is de Übermensch van Nietzsche duidelijk herkenbaar – met alle heroïek die daarbij hoort: de moed om het naakte bestaan recht in de ogen te kijken.
Voor de dertigjarige journalist is hij een voorbeeld en alles wat Marcello zelf hoopt te bereiken. Steiner woont in een elegante villa met kunst, boeken, een liefhebbende vrouw en twee kleine kinderen – een contrast met het decadente, lege “zoete leven” van Romeinse jetset en paparazzi. Steiner lijkt een veilige haven te hebben gevonden. Veel existentialisten wijzen het huwelijk af als een beperking van de individuele vrijheid. Maar Steiner houdt van zijn vrouw en zijn kinderen. Toch is het juist de vrede die hij bij hen gevonden heeft, die hem angst aanjaagt. Hij heeft zich aan het huiselijke leven gehecht en ziet dit als zwakte. Zijn ideaal is om volledig onthecht te zijn en zonder angst voor verlies te kunnen leven.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Twee vrienden
Op een avond met intellectuelen en kunstenaars hebben Marcello en Steiner een gesprek buiten op het balkon. Marcello voelt zich bij Steiner thuis en vraagt hem of hij vaker langs mag komen. Steiner zegt dat hij zo vaak mag komen als hij wil en merkt op dat er iets scheelt. Marcello bekent dat hij in een identiteitscrisis zit: “Ik zou mijn wereld moeten veranderen. Jouw huis is een toevluchtsoord: je kinderen, vrouw, boeken, vrienden. Ik verspil mijn tijd en bereik niets. Ooit had ik ambitie; misschien verlies ik die nu.”
Steiner luistert begripvol, maar biedt geen valse troost. Hij waarschuwt Marcello dat hij geen verlossing moet verwachten van een ogenschijnlijk geordend en perfect bestaan. “Zelfs het meest miserabele leven is beter dan een beschermd bestaan in een georganiseerde maatschappij waar alles berekend en geperfectioneerd is.” Hier is een existentialist aan het woord. Hij wil Marcello’s vriend zijn maar kan hem nauwelijks iets adviseren. Wel drukt hij hem op het hart om ernst te maken met zijn ambitie als schrijver. De roddelpers waar zijn vriend voor werkt, veracht hij als linkse intellectueel als een semi-fascistisch instituut.
Even later, in de slaapkamer van zijn kinderen bekent Steiner: “Soms drukt de donkere stilte van de nacht zwaar op me. Vrede maakt me bang, misschien wantrouw ik haar wel boven alles. Ik heb het gevoel dat het slechts een façade is die de afgrond verbergt. Ik denk aan de wereld die mijn kinderen zullen kennen. Het zou een prachtige wereld moeten zijn… maar een telefoontje van een gek kan het einde van alles betekenen. We moeten voorbij onze hartstochten gaan, net als bij een groots kunstwerk – in zo’n wonderbaarlijke harmonie zouden we elkaar moeten liefhebben, los van de tijd… onthecht.”
De Reactionair
Boekenwinkel
Ondek onze grote collectie boeken, zoals Vitalisme, in onze boekenwinkel.

Hel
Later in de film openbaart “het zoete leven” zich genadeloos. Niet Marcello’s verloofde Emma, maar zijn vriend Steiner kiest voor de ultieme uitweg. Marcello wordt door zijn krant naar het adres van Steiner gestuurd. Als hij bij zijn appartement komt, is er overal politie. Steiner blijkt zelfmoord gepleegd te hebben. Hij zit voorover gebogen op zijn stoel en heeft zich een kogel door het hoofd geschoten. Zijn twee kinderen heeft hij eerst doodgeschoten. Zwarter kan het niet. Plotseling is de veilige haven die Steiner gevonden leek te hebben de hel geworden. Dit wordt nog eens versterkt doordat dit familiedrama door Marcello’s collega’s van de roddelpers als een sensatie geëxploiteerd wordt.
Daarna neemt La dolce vita een sprong in de tijd. We zien Marcello enkele jaren later terug. Zijn ambitie om schrijver te worden, heeft hij opgegeven. De diepte en zwaarte van het intellectuele leven heeft hem terug doen deinzen. Hij trekt zich terug aan de oppervlakte en heeft zich overgegeven aan het liederlijke leven van de Romeinse jetset. De loodzware vrijheid van het existentialisme heeft hij verruild voor de gewichtloze vrijheid van het hedonistische liberalisme. De Romeinse decadentie van de late jaren 50 is een late echo van de Romeinse decadentie onder de keizers Caligula en Nero of onder de Borgia’s.
Vluchtroutes
Wanneer we La dolce vita als spiegel gebruiken voor onszelf en onze eigen tijd, wat hebben de hoofdpersonages Marcello en Steiner ons dan te zeggen? Ze laten twee mannen met ambitie zien: Steiner is een gerespecteerd schrijver en Marcello een journalist met de ambitie om schrijver te worden. Het schrijverschap symboliseert en belichaamt het scheppen van het eigen leven als een autonoom kunstwerk. Beide karakters falen daarin op hun eigen manier. Steiner vlucht door (zelf)vernietiging, Marcello vlucht naar de oppervlakte.
Hun vlucht is het gevolg van de bovenmenselijke opdracht van het atheïstische existentialisme, namelijk de eis om vanuit jezelf je eigen leven voort te brengen, zonder je te verschuilen achter een rol, religie of ideologie.
Grofweg zijn er op de vacature “Übermensch” maar drie reacties mogelijk: de zelfmoord, al is dat voor Sartre en Camus in navolging van Nietzsche’s Zarathustra geen geldige optie. De angst voor zinloosheid of verlies van wat je dierbaar is, moet getrotseerd worden. Het amor fati verplicht tot een omhelzing van noodlot en tragiek.
De tweede reactie maakt van het existentialisme een pose. De existentialist gaat dan een rol spelen en verkleedt zich als existentialist, trekt een zwarte coltrui aan, rookt gaulloises en kijkt somber voor zich uit. Voor Sartre was het spelen van een rol een vorm van zelfbedrog en “mauvoise foi”.
Toch speelden ontelbare studenten in de jaren vijftig en zestig deze rol met overgave. Ze zochten het comfort in de eigen bubbel en vluchtten zo voor hun angst voor de eenzaamheid.
De derde reactie is tenslotte de weg van de massa: de vlucht in la dolce vita. Dit zijn de mensen die door Zarathustra “laatste mensen” genoemd worden. Ze kiezen voor de oppervlakte uit angst voor de diepte. Ze accepteren weliswaar dat God dood is, maar beseffen niet wat dat betekent.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Een onmogelijke opdracht
De opdracht om schepper van je eigen leven te zijn, klinkt heroïsch maar is in wezen onmogelijk. Zij plaatst de mens moederziel alleen tegenover het Niets. Er resteert geen enkel houvast: geen traditie die hem draagt, geen gemeenschap die hem vormt, geen metafysica die hem als wezen vooraf definieert. De diepte zuigt hem onverbiddelijk naar beneden. Wie werkelijk durft te kijken, ziet geen bodem.
Is dit Niets te verdragen? Is de opdracht tot radicale vrijheid werkelijk uitvoerbaar?
Het antwoord is kort en hard: nee. Het atheïstische existentialisme rust op valse premissen. Bij Sartre en Camus zijn dat de dogma’s dat de mens geen vaste essentie bezit en dat het bestaan absurd zou zijn. De radicale vrijheid die Sartre propageert, bestaat slechts in theorie – een intellectuele constructie, een hersenschim. In de concrete werkelijkheid drijft zij de mens juist de wanhoop in.
Voor de (post)moderne mens is dit van groot belang. De wanhoop die voortvloeit uit “de dood van God” berooft de mens van zijn innerlijke kracht. Wat overblijft is een poreus wezen dat uiterst vatbaar wordt voor elke willekeurige externe invloed en vooral voor de meest bizarre waanideeën. Vanuit reactionair perspectief is het zonneklaar: wie de hoogte opgeeft en de relatie met het transcendente verbreekt – traditioneel belichaamd in de persoonlijke God van het christendom – wordt metafysisch dakloos. Zonder dat dak staat de mens onbeschermd tegenover de wildste gedachtebouwsels. Wat vroeger het atheïstische existentialisme was, manifesteert zich vandaag als complottheorieën en andere ideologische drogbeelden.
Het drama is dat de valse premissen en de onjuiste antropologie van het atheïstische existentialisme na de dood van Sartre springlevend zijn gebleven. We zullen later dieper ingaan op de hardnekkige nawerking van dit gedachtegoed.
Angst
In deze “archeologie van de (post)moderne mens” aan de hand van La dolce vita gaat het niet alleen om de valse premissen van het atheïstische existentialisme. De film schetst ook een tijdsbeeld waarin we de naoorlogse welvaart zien opkomen. Deze welvaart is voor de vorming van de postmoderne mens zeker zo belangrijk geworden als de invloed van het existentialisme. Na een vernietigende oorlog zou er een betere wereld moeten verrijzen, maar de existentialisten maakten zich hier weinig illusies over.
Als Steiner zegt dat het een prachtige wereld zou moeten zijn, maar dat een telefoontje van een gek het einde van alles kan betekenen, spreekt hij zijn angst voor een kernoorlog uit. De Koude Oorlog en de krankzinnige wapenwedloop tussen de Verenigde Staten en Sovjet-Unie begon al snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1957 nam in Amerika de vrees toe dat de Sovjet-Unie met raketten met kernkoppen de Verenigde Staten in het hart konden treffen. La dolce vita werd gefilmd drie jaar voor de Cubacrisis in 1962, toen een kernoorlog even heel dichtbij kwam.
Deze concrete angst en de existentiële angst komen in Steiner bij elkaar. Hij vreest voor de toekomst van zijn twee zeer jonge kinderen. In wat voor een wereld moet en ze straks leven? Door de dreiging van een kernoorlog hangt de planeet aan een zijden draadje. Met deze angst kan hij niet langer leven en hij kiest voor een wanhoopsdaad: een zelfmoord en de moord op zijn kinderen. “Als God niet bestaat, dan is alles geoorloofd”, is de beroemde uitspraak die Dostojewski zijn personage Ivan Karamazov laat uitspreken. Een variatie op “Als er geen hoop meer is, maakt het allemaal toch niet meer uit.”
Overigens vertoont het personage Steiner sterke gelijkenissen met Ivan, de middelste broer uit de roman De gebroeders Karamazov. Beiden zijn intellectuelen die door hun scherpzinnigheid en ontwikkeling boven de massa uitstijgen. Ivan worstelt met het christelijk geloof, Steiner zoekt een vorm van spiritualiteit in onthechting en afstandelijke beschouwing. Ze fungeren bovendien als spiegel voor de andere personages: Ivan voor het diepe geloof van zijn broer Alyosha, Steiner voor Marcello’s zoektocht naar authenticiteit. Uiteindelijk falen ze. Ivan wordt krankzinnig, Steiner kiest voor de destructie die hij juist zo vreest.
Sprong
Steiner toont aan hoe een mens zo overweldigd kan raken door de angst voor de afgrond dat hij er bewust in springt. Dit is echter geenszins de sprong die Kierkegaard, de wegbereider van het existentialisme, voor ogen had. Kierkegaard omschreef de angst als “de duizeligheid van de vrijheid”. De angst doet de mens sidderen op de rand, maar nodigt tegelijk uit tot een radicale, hoogstpersoonlijke keuze. In die keuze definieert hij zijn bestaan.
Kierkegaards sprong verschilt fundamenteel van die van Steiner. Waar Steiner in de diepte verdwijnt, richt Kierkegaard zijn blik omhoog, naar een hogere macht. De sprong is geen wanhoopsdaad, maar een daad van gehoorzaamheid en overgave aan de persoonlijke God van het christendom. Het is de sprong in het geloof, die de eenzaamheid van het bestaan doorbreekt doordat de mens zich niet langer zelf hoeft te scheppen, maar zich mag laten dragen en roepen.
Het tragische van het atheïstische existentialisme – en daarmee van zowel Steiner als Marcello – is dat de deur naar deze God gesloten blijft. Zonder die verticale opening rest alleen de naakte afgrond of de verdoving van de oppervlakte.
In de slotscène van La Dolce Vita komt dit pijnlijk tot uiting. Marcello ontmoet aan het strand het onschuldige meisje uit het strandtentje, de plek waar hij ooit in afzondering zijn boek probeerde te schrijven. Ze herkent hem, roept hem toe, maar de branding overstemt haar woorden. Ze maakt gebaren alsof ze achter een typemachine zit. Marcello kijkt verward en begrijpt haar niet. De aandachtige kijker beseft: ze herinnert hem aan zijn oude ambitie, aan het schrijverschap dat hij ooit nastreefde. Maar hij heeft die roeping allang verraden. Hij is een massamens geworden, meegesleurd door de stroom van de wereld.
Met Nietzsche gesproken is Marcello de “laatste mens” geworden: het type dat het verticale leven heeft verloren en volledig horizontaal is geworden. Hij leeft aan de oppervlakte, zonder diepte en zonder hoogte. Of zoals Ad Verbrugge het zou omschrijven: hij is de poreuze, postmoderne mens – vatbaar voor afleiding en steeds meer zonder innerlijke leiding die hem weerbaar maakt.


