Beste Lodewijk,
Zoals je weet begint alle grote Nederlandse literatuur met een weerbericht. Zal ik deze brief dan ook maar voor weerman spelen? Nu dan: het weer is klote in Eindhoven. Een ijzeren hemel bedekt mijn hoofd en ik weet niet veel anders te doen dan lezen, schrijven en eten. De maand mei verloopt naar mijn mening altijd zo. Je hebt grootse verwachtingen van de lente, maar komen ze ooit uit? April is the cruellest month, jawel, maar op die maand volgt de maand van de algehele neerslachtigheid, de maand mei. En de regen is zo onophoudelijk als mijn tranen.
Algoed, geen geleuter. De grafiet gekleurde wolken doen me denken aan mijn tijd op de middelbare school en dan vooral de vrijdagmiddagen waar je met tegenwind kilometerslang terug naar huis moest fietsen over de eindeloze polderwegen, vergezeld van metershoge populierenbomen die als reusachtige wachters mijn tocht gadesloegen en hun medelijden lieten merken door het ruisen van hun ontelbare bladeren. Wist je dat geen blad zo ruist als het populierenblad? Voor mij verkondigen ze het begin van het weekend aan, ofschoon het nog maar dinsdag is. Hoever ik ook zal wonen van Zeeuws-Vlaanderen, hoelang ik mijn ballingschap ook moet uitrekken; de ‘rijen ondenkbaar, ijle populieren’, die ‘als hooge pluimen aan den einder staan’, zullen mijn herinnering nooit verlaten.
Het laatste uur op de vrijdag had ik - in de onderbouw - altijd natuurkundeles. Dat vond ik niet erg. Ik was er goed in. Wat ik soms echter vergat bij het maken van een oefening, of het geven van een antwoord, was het vermelden van een natuurkundige eenheid. Als ik dan op de vraag “Hoeveel vermogen heeft deze lamp?”, klassikaal antwoord gaf door in mijn overhaaste leergierigheid “Vijf!” te roepen, reageerde mijn leraar “Vijf wat? Vijf kamelen? Vijf bananen?” Het is deze agressieve zuiverheid die me altijd heeft aangetrokken tot de harde wetenschappen. Iets is, of iets is niet, en wat datgene is, dat is, dient helder uitgedrukt en benoemd te worden - met natuurkundige eenheden! We kunnen vaststellen, aan de hand van een paar simpele formules, hoeveel vermogen een lamp heeft, hoeveel licht en warmte hij uitstraalt, hoeveel spanning erop moet staan, na hoeveel uur hij toe is aan vervanging. De natuurwetenschap verleent de mens de macht over de wereld en is onfeilbaar. Het zoekt naar een geldig causaal verband tussen de gebeurtenissen in de wereld, en abstraheert dit verband tot een eeuwig geldige ‘natuurwet’.
Mijn bekoring gaat echter alleen uit naar de hardste aller wetenschappen: de wis- en natuurkunde. Al de rest is spielerij en wijsbegeerte - en eigenlijk is de wis- en natuurkunde dat ook al! Ik heb ooit, toen ik zelf nog scholier was, met een klasgenootje een ranglijst gemaakt van de wetenschappen, aan de hand van hun hardheid. Daaruit kwam deze volgorde: wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie en als laatste psychologie - en alles wat verdacht veel naar psychologie ruikt, zoals bijvoorbeeld de sociale wetenschappen. De waarheid gebiedt mij wel te vertellen, lieve Lodewijk, dat we een grote voorliefde hadden voor de wiskunde, en een enorme minachting voor al het zweverige, voor alles dat niet bewezen kon worden met een paar simpele formules. Ik geloofde toentertijd ook helemaal niet in de liefde: wat we liefde noemen was voor mij een chemische reactie. Wat ben ik blij dat ik van dat kille laboratoriumgeloof ben afgestapt! En neem dit maar van mij aan meneer Poffer: het geloof aan de gekruisigde woestijngod zal pas werkelijk verdwijnen, zodra wij de natuurkundige nomenclatuur afschaffen!
Ik dwaal af van mijn onderwerp. Mijn klasgenoot en ik waardeerden de natuurkunde omdat ze gebruik maakt van de zuivere causaliteit: als ik tegen een bal schop, dan komt de bal in beweging. Als ik een spanning over een koperen draad zet - met een bepaalde weerstand - dan gaat er een elektrische stroom lopen. De oorzaken en gevolgen zijn geordend en voorspelbaar: water zal bij een gemiddelde luchtdruk altijd koken rond honderd graden. Een boek valt, zodra ik het loslaat. Die voorspelbaarheid, de zekerheid waarmee we uitspraken kunnen doen over fenomenen die nog moeten gebeuren, maakt de natuurkunde tot een bruikbare wetenschap. Natuurlijk zijn er ook van die pretbedervers - de eeuwige empiristen en sceptici gelijk David Hume (1711 - 1776) - die zelfs twijfelen aan de volgende zonsopkomst, maar die laat ik vandaag buiten beschouwing. Het gaat mij om de bruikbaarheid van de wetenschap. Ik ben en blijf een ingenieur, ofschoon de ingenieurs mij honen om mijn goede smaak.
De psychologie - evenals alle andere gammawetenschappen - geeft ons de minste voorspelbaarheid, de minste zekerheid bij het doen van uitspraken over iemands mentale gesteldheid of werking van de menselijke psyche. Zo wordt in de psychologie aan de lopende band een valse casuïstiek bedreven, waarbij de voor de hand liggende gevolgen terug worden herleid naar een valse oorzaak. Mijn excuses voor de moeilijke zinnen, Lootje! Ik probeer mij zo helder mogelijk uit te drukken: obscurantisme is voor slechte schrijvers. Volgende brief zal ik proberen nog helderder te schrijven! Wel nu, ik zal mijn wantrouwen jegens de psychologie beschrijven met een voorbeeld.
Twee jongens groeien op in twee verschillende gezinnen zonder ouderlijke liefde. Beide vaders slaan hun zoon. Een van de jongens gaat te gronden aan het leed dat hem wordt aangedaan, raakt verslingerd aan de fles met alle gevolgen van dien. De andere echter weet het leed dat hem is aangedaan om te zetten, of te vergeten, sticht een succesvol bedrijf, en wordt een uitstekende minnaar en vader. Tuurlijk, Lodewijk, is dit een hypothetisch voorbeeld, maar zijn er niet honderden van zulke gevallen in onze tijd aan te merken? De ‘oorzaak’, in dit voorbeeld jeugdtrauma, geeft geen voorspelbaar ‘gevolg’. Als dat wel zo was, dan zou de mens een speelbal zijn van zijn omgeving en opvoeding, maar godallemachtig: dat is hij gelukkig niet! En daar komen we bij de kern, het probleem van de psychologie: ze zoekt altijd een oorzaak in de opvoeding (nurture), en sluit de aanleg (nature) maar al te graag uit, met als gevolg dat zij geen echte, geen harde wetenschap is. Zij is gefixeerd op het trauma als oer-oorzaak, de onbewogen beweger van de menselijke psyche. Deze obsessie alles te willen herleiden tot een trauma is geen verklaring noch een wetenschap. Het is een neurotische zwakte. Het is soelaas voor de zwakke naturen die een gefaalde opvoeding hebben genoten.
De moderne psychologie gaat uit van een menselijk gestel dat zo week is als een paardenbloem in het veld: makkelijk vertrapt en nog eenvoudiger uitgeblazen. Het ziet het trauma, de weerstand, het ongenoegen, de pijn, het verdriet als het grootste menselijke probleem, als de verpester van het leven. Maar mijn lieve Loo… is het leven iets anders dan een opeenstapeling van traumatische ervaringen? Heeft iedere tegenslag ons niet gehard tot staal? Hebben duizenden tranen onze degens niet geslepen tot ze vlijmscherp waren? Zijn van het kille aambeeld niet onze mooiste vonken weggeschoten? En geldt voor ons, wij soldaten aan het front van de vrolijke wetenschap, niet het devies: wat ons niet ombrengt, maakt ons sterker?
Blijf je brieven sturen,
Met grootse groet,
Luca de Clippelaar


