Let op: op eigen risico betreden. Dit mijnenveld kan schade aan je goede eer toebrengen als je op een verboden woord loopt. Trap bijvoorbeeld niet op het woord ’neger’ (is: een aanduiding voor een lid van een groep donkerhuidige mensen die oorspronkelijk afkomstig zijn uit Afrika ten zuiden van de Sahara, - heeft u uw huiswerk trouwens al gedaan?), dan ben je als blanke man, een witte Nederlander, plots zelf verantwoordelijk voor de slavernij in de zeventiende eeuw. Aan het woord ’neger’ kleeft bloed en het is niet waardevrij. Daarom zeggen anti-racisme organisaties dat dit woord niet meer gebruikt mag worden. We poetsen en we poetsen, we schrobben tot de huid weer blank – sorry – wit is geworden. Maar wat blijft er over als we de taal steeds meer weer proberen te zuiveren van dat bloed en oordeel?
Oordeel is een apart woord. Het woordenboek: oor-deel: mening die je vormt na overleg of nadenken. Ook wel een standpunt, advies, zienswijze of stem. Het woord ‘oordeel’ heeft daar geen antoniem maar in de jurisprudentie wordt als het tegenovergestelde van het woord ‘oordeel’ vrijspraak gebruikt. Dat doet me, in deze context, denken aan ‘vrij spreken’, vormen en vormen, polariseren als het moet, (wie heeft ons geleerd dat polariseren für immer und ewig slecht is?), en spreken over de dingen waaraan je de tong eens niet behoed voor het kwaad. Want wat blijft er over, als we al het gal in onze wastobbe zien, en de taal ‘schoon’ is?
Kijken we naar ’neger’: vergelijkbare woorden voor blanke mensen zoals witmang, totok, of bleekgezicht worden niet op dezelfde manier beschouwd. Meestal worden deze termen zelfs met de grootste lichtheid aangewend, zonder daar enige historische gewichtigheid van minderwaardigheid aan te verbinden. Geen bloed en geen oordeel. Als we verder kijken naar blank en de vermeende connectie met rein, zuiver en superioriteit, zijn dit associaties die secundair zijn, later zijn toegevoegd en niet oorspronkelijk zijn aan de betekenis van het woord. Het is een ideologische lezing die prima ook de andere kant op zou kunnen werken, maar dat nooit doet. Abstraheert men de taal van deze termen naar “mensen van kleur” of “witte mensen” dan problematiseert dat de communicatie enorm. De taal is schoon maar het taboe schept juist ongemak en in dit ongemak komt de “ander” verder van ons af te staan in plaats van dichterbij.
Volgens het Fiom, het Nederlandse expertisecentrum en stichting gespecialiseerd in ongewenste zwangerschap en afstammingsvragen, moeten we het taalgebruik rond abortus veranderen. Zo moeten we het embryo of de foetus geen baby, ongeboren kind, een meisje of jongetje meer noemen, maar: de vrucht of de zwangerschap. Dat zou een waardeoordeel moeten voorkomen. Ook overigens in de ban gingen vader of moeder, nu de verwekker of de zwangere partner genoemd en is de aborteur of aborteuse gepromoveerd tot zorgverlener.
Ik neem u graag mee in het leven van een zwangere die haar vrucht besluit te weg te halen door zorgverleners. Zij komt bij de zorgverlener en besluit haar vrucht weg te halen. Laten we zeggen dat zij zestien weken zwanger is, een termijn waarbinnen de “ontzwangering” wettelijk is geoorloofd. Bij zestien weken zwangerschap is een vrucht een volledig gevormd ‘minimensje’ dat licht van donker kan onderscheiden, veel beweegt en waarvan het geslacht te zien is. Het hartje klopt krachtig.
Is het niet gek dat wij, afgezien van het morele standpunt van deze handeling, het leven en de dood hiermede compleet vervreemden?
Het steriliseren tot medische abstracties van taal, waar het leven en de dood precies begint, werkt dissociatief. We noemen een foetus een ‘vrucht’ om de emotionele lading te ontwijken, om het allemaal zachter te maken dan dat het zou moeten zijn. Tegelijkertijd zien we een gigantische new-age-beweging waarin kinderen een posttraumatisch stress verleden hebben als ze stelselmatig hun banaantje in het geheel moesten opeten, in plaats van de lang gekoesterde wens naar een banaan in stukjes. Gechargeerd, natuurlijk. Alleen is de these van deze tijd wel: ‘De vorige generatie is niet goed opgevoed, wij hebben daar trauma’s van gekregen en we moeten die oplossen’.
Het woord trauma is daarmee ook intens verzwakt in de heftigheid waarmee het ontvangen zou moeten worden mijns inziens. Als iedereen een trauma heeft, hoe voelen de mensen die iedere dag met hun ziel onder de arm lopen, bijvoorbeeld vanwege een abortus, zich dan?
We ruilen het gewicht van de werkelijkheid in voor de inflatie van het ‘ik’. De meeste zwangeren die een abortus ondergaan, hebben ambigue gevoelens. Moeten zij dan ook nog naar de situatie kijken alsnog er een banaan geaborteerd is? Iedere liberaal zegt dat we worden gepamperd (in het Nederlands: (overmatig) verwennen of in de watten leggen). We kunnen andere woorden geven aan de taal, maar de waarheid zal altijd voelbaar blijven. Woorden zeggen veel, woorden doen veel met je emoties; denk aan die ene keer dat je werd uitgescholden door je puberzoon, of dat je vriendje of vriendinnetje het uitmaakte. Maar zelfs zonder het onder woorden te brengen doorvoelen we die pijn. Als dat vriendje of vriendinnetje uiteindelijk weg is, waar zijn we dan verdrietig over? De boodschap is gebracht met woorden, maar doet het imaginaire verlaten niet veel meer met ons? Verdwalen we in een nieuw soort waarheid, een waarheid waarin de ander niet meer aanwezig is? Mag een foetus daarom niet gewoon een foetus heten, omdat, als een vrouw het uitmaakt met haar foetus, dat imaginaire, ‘hoe had het kunnen zijn’, ook even doorvoeld mag worden? Is het niet een totale ontkenning van de werkelijkheid door de taal heen, als we de taal niet toereikend maken? Om het naar een extreem punt te trekken; is het geen regressie van de taal? Hoe dichter we bij de waarheid kwamen, hoe schrijnender het werd, hoe sneller we terug wilden naar de grotschilderingen.
Derhalve is het van belang dat we ons keren tegen de pogingen de taal te fatsoeneren tot een primitieve en inaccurate wolk van vermeend pijnloze woorden. Ik zie polarisatie in de politiek dan ook niet als een bedreiging, maar als een essentieel deel zie van een gezonde democratie, waarin ik het voorgestelde model volg van Chantal Mouffe: politieke tegenstanders mogen elkaar bestrijden (de term die daarvoor gehanteerd wordt is (“agonisme”), maar elkaar wel als legitiem beschouwen. Dit is wezenlijk anders dan “antagonisme”, waarbij tegenstanders als vijanden worden gezien. Mouffe bekritiseert daarmede de liberale neiging naar consensus, die ze ziet als een uiting van macht die reële politieke keuzes frustreert. Polarisatie is een noodzakelijkheid om verschillende visies zichtbaar te maken. Het vermijden van polarisatie zorgt ervoor dat conflicten zich verplaatsen naar gevaarlijke, niet-democratische gebieden.
Alles wat niet gezegd mag worden wegens associatie met kolonialisme en vermeende superioriteit dient dus wel degelijk onderdeel te zijn van een agonistisch discours want, zoals Mouffe verder stelt: er bestaat geen “neutrale” of “rationele” manier van spreken; iedere taalregel sluit wel iemand uit. Dus: maak een taal! Polariseer tegen de taal! En accepteer de onverbiddelijkheid van de taal…
Wanneer we ‘vader’ en ‘moeder’ vervangen door ‘verwekker’ en ‘zwangere partner’, poetsen we meer weg dan alleen een waardeoordeel; we poetsen psychologische hechting weg. Een kind wordt niet geboren uit een ‘verwekker’, maar uit een vader. Of deze vader nou een verkrachter, een zuiplap of een mishandelaar is; hij blijft de vader. Ook als hij een liefdevolle en betrokken vader is, blijft hij een vader.
Uit de psychologie weten we dat symbolische orde en naamgeving essentieel zijn voor de identiteitsvorming. Door deze structuren als ‘taboe’ onder het tapijt van de neutraliteit te schuiven, creëren we een taal die geen fundament meer biedt. We ruilen diepe, hoewel soms pijnlijke wortels van onze afkomst in voor een vloeibare, betekenisloze terminologie.
Als de taal de familie niet meer erkent, wie erkent de mens dan nog? Want uiteindelijk is de zoektocht naar waardevrije taal een vlucht voor onze eigen menselijkheid. Taal is nooit neutraal; het is een spiegel die altijd een kleur, een hoek en een oordeel heeft. Om terecht te rommelen aan (oneerlijke) machtsdynamieken is een totaal andere bezigheid dan het maskeren van de waarheid. Door de taal ‘schoon’ te willen schrobben raken we de verbinding met de rauwe werkelijkheid kwijt. De waarheid is niet waardenvrij. De waarheid doet pijn, de waarheid rouwt, en de waarheid heeft een oordeel nodig om begrepen te worden. Laten we daarom stoppen met poetsen. Laten we de scherven in de spiegel accepteren, de woorden weer laten bloeden en het ‘oor-deel’ teruggeven aan het volk. Alleen in die eerlijkheid vinden wij onze echte vrijspraak en daarmee waarachtigheid. En alleen mét die waarachtigheid kunnen wij een halt toeroepen aan de mensen, de volkeren, de instituten, de organisaties, de politiek en de maatschappij om de verhitte ruzies op grotere schaal, want dat zijn het, doordat we elkander steeds uitdagen, niet met taal maar met houding, een halt toeroepen. Gebruik de stem, waaruit die waarachtige, schitterende taal mág voortkomen.
Wellicht oordeelt u, lezer, over het hier geschrevene dag het waar, onwaar, goed, slecht, radicaal, genuanceerd, buitenproportioneel, braafjes, enzovoorts is. Om Mouffe nog slechts eenmaal erbij te halen: politieke discussies (ik schaar mijn essay daar even voor het gemak onder) mogen passie bevatten. De discussie draait niet alleen om rationele argumenten, maar juist om het mobiliseren van emoties en collectieve identiteiten. Blijven we dan altijd maar polariseren volgens Mouffe? Nee, is het antwoord. We komen volgens Mouffe niet tot De Waarheid, maar we bereiken tijdelijke stabiliteit (consensus) die altijd een uiting is van macht. Democratie betekent voor haar dat we die “waarheden” voortdurend blijven uitdagen.


