Het postmoderne, poreuze individu bezit geen vaste kern meer die verankerd is in iets groters dan zichzelf – geen persoonlijke God zoals in het christendom, geen gemeenschappelijk goed zoals bij Aristoteles en de klassieken. Hij is een ondeelbaar individu geworden, wiens wezen onuitsprekelijk en voortdurend in wording is. Wie hij is, moet hij steeds opnieuw zelf uitvinden. Daardoor wordt hij extreem kwetsbaar voor externe invloeden, vooral die van media en marketing.
De hoofdpersoon in La dolce vita is een belichaming van dit poreuze zelf. Marcello Rubini werkt als journalist voor de roddelpers, maar zijn diepste ambitie is om een serieus schrijver te worden. Door zijn rusteloosheid en besluiteloosheid blijft hij hangen in een onbevredigend bestaan. Het ontbreekt hem aan de innerlijke kracht om zijn eigen leven vorm te geven.
Marcello speelt de rol van charmeur met een verbluffend gemak. Met zijn perfecte kapsel en zonnebril lijkt hij naadloos samen te vallen met zijn imago: de mediagenieke, charmante man die zichzelf zo goed weet te verkopen. Maar wat op het eerste gezicht een zegen lijkt, is tegelijkertijd zijn vloek. Hij zit gevangen in de rol die hij zo overtuigend vertolkt. Achter het gladde oppervlak blijft zijn leven onbevredigend. Zijn imago veroordeelt hem tot een leeg, oppervlakkig societyleven. Marcello Mastroianni is zo perfect gecast dat Fellini het personage dat hij speelde simpelweg zijn eigen voornaam gaf. Mastroianni ís Rubini.
Steun
Reactionair
Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Marcello en zijn generatie
La dolce vita is opgenomen in de zomer van 1959. Marcello is een dertiger, dus geboren in de jaren twintig. Dit is een belangrijk detail. De jonge mensen die we in la dolce vita zien, behoren niet tot de babyboomgeneratie die de culturele revolutie van de jaren zestig zou gaan dragen. Dit is nog de vooroorlogse generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt maar in de tweede helft van de jaren vijftig in de roes is gekomen van het miracolo economico.
Hun generatiegenoten zijn beatniks en existentialisten. Sommigen zijn politiek geëngageerd, anderen anarchistisch, maar wat hen bindt is het verzet tegen kerkelijke autoriteit en het kapitalistische systeem. Hun verzet is geworteld in het existentialisme, een filosofie die de menselijke vrijheid centraal stelt. Van oorsprong was het existentialisme een reactie op Hegel: waar Hegel objectiviteit en rationaliteit radicaliseert, wil de Deense filosoof Søren Kierkegaard vooral de subjectieve ervaring benadrukken. Zijn existentialisme is overigens uitgesproken christelijk.
In de twintigste eeuw is het existentialisme van Sartre en Camus nadrukkelijk atheïstisch geworden. Dogmatisch atheïstisch. Dat is een direct gevolg van de verwerking van Nietzsches “dood van God”. Voor Sartre heeft de mens geen vooraf gegeven essentie en is er niets buiten hem dat bepaalt wie hij is. Hij moet dat volledig zelf doen. Het atheïstische existentialisme radicaliseert de vrijheid en de maakbaarheid van de mens. Vrijheid is bij Sartre daarom geen voorrecht of genot, maar een zware opgave. “De mens is veroordeeld tot vrijheid,” is een van zijn bekendste uitspraken.1
Vrijheid en authenticiteit
Het atheïstische existentialisme van Jean-Paul Sartre neemt een cruciaal element van Nietzsche’s Übermensch over: de mens wordt zijn eigen wetgever, architect en schepper. Centraal staat Sartre’s these dat existentie aan essentie voorafgaat.2 De mens is geen vooraf bepaald wezen, door God geschapen, maar staat radicaal alleen in een goddeloze wereld. Hij heeft de taak om met oude waarden te breken en nieuwe waarden te scheppen.
Juist dat actieve vernietigen en scheppen – zonder te vluchten in geloof, ideologie of een vaste rol – vormt voor Sartre de kern van authenticiteit. Wie authentiek leeft, aanvaardt volledig dat hij honderd procent vrij is, en daardoor ook honderd procent verantwoordelijk. In het existentialisme valt het authentieke leven dus samen met de mens die volkomen zichzelf is.
“Gewoon jezelf zijn” klinkt vandaag echter als een van de meest afgezaagde clichés van de (post)moderne cultuur. Niemand kan precies definiëren wat dat inhoudt, omdat dit het resultaat is van radicale vrijheid: je leven volledig onafhankelijk vormgeven. Je kunt alleen jezelf zijn wanneer je je niet laat verleiden of manipuleren, maar “je eigen pad” volgt – wat dat ook moge zijn. Immers, je hebt volgens Sartre geen vooraf bepaalde identiteit; je moet je zelf voortdurend uitvinden. In relaties wordt dat een lastige opgave! Als je zo radicaal de architect of projectondernemer van je eigen leven bent, hoe vind je dan een geschikte partner die in jou(w project) wil investeren? En ben je ook bereid om in (het project van) de ander te investeren?
Bindingsangst
In de film heeft Marcello een problematische relatie met zijn verloofde Emma (Yvonne Furneaux). Zij is de enige vrouw in de film die Marcello oprecht en intens liefheeft, maar juist die liefde verstikt hem. Marcello is fundamenteel niet in staat tot binding. Hij verlangt voortdurend naar vrijheid, nieuwe ervaringen en sensatie, maar keert toch telkens terug naar Emma. Hij is geen kille Don Juan die alleen plezier zoekt, maar een rusteloze, ontevreden man die gevangen zit tussen zijn verlangen naar stabiliteit en zijn angst voor een burgerlijk, beperkt leven.
Het huwelijk wordt door het existentialisme als typisch “bourgeois” beschouwd, een onderdrukkend instituut waarin het individu niet tot volle ontplooiing kan komen. Marcello is bang om zijn vrijheid te verliezen als hij voor Emma kiest. Hij ziet een vaste relatie als een val die hem reduceert tot een “worm”. In een heftige scene schreeuwt hij haar toe: “Ik geloof niet in jouw agressieve, kleverige, moederlijke liefde. Ik wil het niet! Het is geen liefde, het is verstikking! Ik kan zo niet leven, ik kan niet met jou leven! Ik wil alleen zijn.”
De existentialistische veroordeling tot vrijheid zou tot radicale vrijheid moeten leiden. Maar hoe vrij ben je als je in je keuze geleid wordt door angst? Marcello is bang om zijn vrijheid te verliezen. Hij houdt zeker van Emma maar hij wil ook seks met andere vrouwen kunnen hebben. Hij is niet bereid tot vrijheid die een offer vraagt. Dat vindt hij verstikkend. Zo bungelt hij in het luchtledige. Zijn hedonistische leven met vluchtige seks bevredigt hem niet en voor een duurzame relatie loopt hij weg.
In een van de episodes ontmoet Marcello zijn vader. Samen trekken zij een avond door Rome. Marcello kijkt met verwondering naar hem: een ouder wordende charmeur die nog altijd flirt alsof hij dertig is. Maar van een echte band tussen vader en zoon is nauwelijks sprake. Nadat hij zijn vader in een taxi heeft gezet, bekent Marcello aan een van de paparazzi dat hij hem eigenlijk nooit echt heeft gekend. Zijn vader was afwezig en bleef een vreemde voor hem. Zo kijkt hij in de spiegel. Kun je met iemand die geen duurzame relatie wil wel echt contact maken? Verdoemd tot vrijheid betekent ook verdoemd tot eenzaamheid.3
De verleiding van de liberale vrijheid
Juist door de eenzaamheid is de existentiële opdracht tot vrijheid voor de meeste mensen ondragelijk. Je staat er helemaal alleen voor en moet in het holst van de nacht steeds je eigen beslissingen nemen zonder je ergens achter te kunnen verbergen. Sartre zag alles waar we ons achter kunnen verschuilen, een vaste rol, ideologie of religie als mauvaise foi, als zelfbedrog. Alleen jij bent verantwoordelijk voor je keuze. Niets of niemand anders.
In de wederopbouwtijd raken het vrijheidsbegrip van het existentialisme en het vrijheidsbegrip van het liberalisme innig met elkaar verstrengeld. Door de toenemende mobiliteit en welvaart neemt ook de keuzevrijheid toe. Maar dit is niet de vrijheid waar Sartre en Camus over spreken; het is de liberale vrijheid om je eigen geluk na te jagen zolang je de ander maar niet schaadt.
De commercie gaat inspelen op het diepe verlangen naar authenticiteit dat het existentialisme wakker gemaakt heeft. De wil om de schepper van je eigen leven worden/zijn, wordt nu omgebogen naar de wil om je leven vorm te geven met de consumptiegoederen waar jij voor kiest. De marketingindustrie gaat de mantra van “gewoon jezelf zijn” gebruiken om producten te kunnen verkopen. Merken geven je het gevoel dat je een “geboren rebel” bent, iemand die precies weet wat hij wil – zolang je maar product X koopt. Juist hier wordt de paradox van het non-conformisme pijnlijk zichtbaar: massaal consumeren om je uniek en authentiek te voelen.
Het zware vrijheidsbegrip van het existentialisme (veroordeeld tot vrijheid) wordt zo ongemerkt opgeschoven naar het lichte vrijheidsbegrip van het liberalisme en de markt (gewoon jezelf zijn). De eenzame opdracht om je eigen vrijheid te veroveren wordt tenslotte de consumptie van een lifestyle die je via de markt wordt aangereikt. Dit blijkt een vlucht in comfort en juist dat wordt door het existentialisme afgewezen als de keuze voor een oneigenlijk en burgerlijk bestaan.
De Reactionair
Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de nieuwste artikelen door u in te schrijven op onze nieuwsbrief!
Wij sturen u een e-mail ter verificatie, zie uw inbox.
Sex sells – de motor achter de culturele revolutie van de jaren zestig ?
Zoals we eerder zagen, behoren de twintigers en dertigers uit La dolce vita nog allemaal tot de vooroorlogse generatie. Ze hebben in hun jeugd schaarste en oorlog meegemaakt. Maar ook de opkomst van de naoorlogse welvaart. In de jaren zestig wordt een nieuwe generatie volwassen. De babyboomers zijn opgegroeid in toenemende welvaart. Zij vormen voor de marketeers de ideale groep die zichzelf mag gaan ontplooien. De taal die de media gaan gebruiken komt voor een deel rechtstreeks uit het existentialisme “wees jezelf!”, “laat je niets wijsmaken!”, “wees een rebel!”. Maar intussen wordt de jeugd verleid tot onderwerping aan massaconsumptie.
In de jaren zestig zien we voor het eerst duidelijk de eigenaardige dialectische verstrengeling tussen zwaar existentialisme en licht liberalisme. Protestsongs én massaconsumptie, verzet én overgave, individualisme én communevorming, afwijzing én omhelzing van het kapitalisme. In de beeldende kunst is pop art zowel kritiek als een lofzang op massaconsumptie. En de legendarische popfestivals lopen al vooruit op de hyper-commerciële megaconcerten van de jaren tachtig en negentig.
De hippiecultuur werd voor een belangrijk deel door de marketing aangestuurd en was veel minder “bottom up” of authentiek dan doorgaans verondersteld wordt. Reminiscenties uit het existentialisme werken erin door, met de nadruk op het individu, het centraal stellen van de eigen keuze en in de afkeer van autoriteit. Vooral de geïnstitutionaliseerde religie (c.q. het christendom) moest het in en na de jaren zestig ontgelden. Ondertussen nam een andere autoriteit het van kerk en natiestaat over. De snelle jongens van Madison Avenue wisten vaak beter wat er in de hippieziel omging dan de bloemenkinderen zelf.
Wanneer de materiële verleidingen van de markt weerstaan werden, zochten de “drop outs” in LSD -trips de hemel in zichzelf. Vaak werd dat een blik in de afgrond en soms een enkele reis Neverland. Zo bleef “de duizeligheid van de vrijheid” als grenservaring in beeld. Maar de hippies vierden vooral hun seksuele vrijheid. Net als Marcello. Maar dit brengt geen diepe bevrediging. Vooral de leegte en de zinloosheid achter het hedonisme treden nu naar voren.
Sartre en Kierkegaard
Tenslotte terug naar de titel: zijn we veroordeeld tot vrijheid? Of is de poreuze mens juist veroordeeld tot onvrijheid? Het postmoderne individu wordt door de digitale media steeds meer ingesponnen en uitgehold. Hij heeft door het overvloedige aanbod niet te weinig maar juist te veel keuze. In 1960 bestond het woord keuzestress nog niet. Inmiddels hebben we collectief ervaren dat overvloed ons kan verlammen. Want wat willen we nu eigenlijk zelf?
Sartre’s existentiële opdracht tot radicale vrijheid is niet alleen bovenmenselijk zwaar, maar ook onmogelijk om in de praktijk te brengen. Ze blijkt 100% theoretisch en daardoor dwangmatig: het individu moet steeds opnieuw bewust kiezen om op authentieke wijze zijn leven vorm te geven. Routine is uit den boze, want elke keuze moet vrij en oorspronkelijk zijn. Kán dat eigenlijk wel?
Sartre verbood om je te verschuilen achter een vaste rol, ideologie of religie. Dat was in zijn ogen allemaal zelfbedrog. Maar zelf liet hij zich door ideologie (marxisme) verleiden. Voor hemzelf was dit blijkbaar geen zelfbedrog…
Van de wegbereider van het existentialisme kunnen we op dit punt meer leren. Het is opvallend dat Kierkegaard en Sartre allebei uitgaan van een oogstpersoonlijke en beslissende sprong die ons leven definieert.
Maar hoe anders is hun interpretatie van die sprong! Voor Sartre is er geen hogere macht. De mens moet het helemaal alleen doen. Me, myself and I. Voor Kierkegaard is die sprong juist mogelijk door dat een hogere macht ons persoonlijk uitnodigt. Zijn leap of faith vereist grote moed. Het gaat om loslaten van alles dat houvast en comfort biedt. Maar voor Sartre is de sprong in het geloof van Kierkegaard “mauvaise foi” omdat hij met zijn “open” filosofie de weg naar God juist hermetisch houdt afgesloten. We zullen in het volgende essay gaan kijken naar een personage uit La dolce vita die “de duizeligheid van de vrijheid” niet langer aankan en kiest voor de fatale sprong. Marcello’s vriend Steiner.
“L’homme est condamné à être libre”, L’existentialisme est un humanisme ↩︎
“l’existence précède l’essence”, L’existentialisme est un humanisme. Precedenten van deze gedachten vindt men overigens bij Schelling en Heidegger. ↩︎
Reeds schreef Schopenhauer: “Wer die Einsamkeit nicht liebt, liebt auch die Freiheit nicht.” ↩︎


