Wat is er met ons gebeurd?

Inleiding op een essayreeks

Cultuur
Wat is er met ons gebeurd?
3 minuten leestijd
Dit artikel is de inleiding op een komende publicatie essays van Johannes van den Heuvel. Volgende delen hiervan worden binnenkort geplaatst op de site.

In zijn analyse van de gezagscrisis constateert Ad Verbrugge dat de huidige politieke en maatschappelijke onmacht een diepere geestelijke crisis weerspiegelt. Deze crisis speelt niet alleen in Nederland, maar in de hele westerse wereld. Centraal in zijn diagnose staat het zogenoemde “poreuze zelf”: een mens die innerlijke stevigheid mist en geen vaste kern meer bezit – een vloeibaar individu.

Verbrugge schetst in een historische terugblik hoe het zover heeft kunnen komen. De bevrijding van het individu en het verzet tegen traditionele autoriteit in de jaren zestig vormden een keerpunt. Het autonome individu werd de maat van alle dingen en moest kerk, staat, gezin en gemeenschap vervangen. Hoe vrijer het individu zich waande, des te afhankelijker werd het echter in de praktijk.

Het neoliberale denken dat in de jaren negentig dominant werd, reduceerde de mens tot human capital en het leven tot een markt. Ook de overheid ging zich gedragen als een manager en ging technocratisch denken. In zorg, onderwijs en bestuur drong de markttaal door.

Steun

Reactionair

Help ons onafhankelijk te blijven. Doneer en steun de publicatie van vrij en onafhankelijk gedachtegoed.

Doneer aan Reactionair

Terwijl Verbrugge in zijn boek vooral de maatschappelijke gevolgen van de gezagscrisis onderzoekt, richten de essays uit mijn komende publicatie zich vooral op de diepere, geestelijke laag. Wat gebeurt er wanneer het individu werkelijk wordt vrijgelaten? De jaren zestig vormden een late echo van de Franse Revolutie, die al door denkers als Edmund Burke, Louis de Bonald en Joseph de Maistre scherp werd bekritiseerd. Kan de mens de vrijheid eigenlijk wel aan?

Mijn essays onderzoeken verschillende vrijheidsbegrippen: de radicale, theoretische vrijheid van het existentialisme tegenover de meer praktische vrijheid van het liberalisme. Voor de meeste mensen blijkt de existentiële opdracht tot radicale vrijheid te zwaar. Zij kiezen voor de liberale variant, die in de praktijk neerkomt op een vlucht in vermaak en massaconsumptie. Deze vrijwillige vlucht mondt uiteindelijk uit in onvrijheid en verslaving. Een ander deel van de bevolking doorziet deze afhankelijkheid van de markt en zoekt heil in therapieën en zelfontplooiing. Ook deze wegen blijven echter sterk individugericht. Traditionele religie is sinds de jaren zestig taboe, en alternatieve spirituele praktijken worden eveneens opgeslokt door de bewustzijnsmarkt, waarin de klant – het individu – koning blijft.

Verbrugge zoekt een uitweg in de deugdethiek van Aristoteles, waarin niet het autonome individu, maar het gemeenschappelijk goed centraal staat. Alleen zo kan het poreuze zelf weer opgenomen worden in een bezield verband dat zich niet laat assimileren door de markt. Als mogelijke therapie wijzen de essays op de monastieke psychologie, in het bijzonder de acht logismoi (gedachten) van Evagrios. Wie zich van een hogere macht bevrijdt, waant zich vrij, maar wordt des te kwetsbaarder voor lagere machten. Wat Freud later het Id noemde, werd door Evagrios genuanceerder beschreven als acht domeinen waarin lichaam, geest en ziel worden aangevallen. Zonder hulp van boven zal de mens de slaaf blijven van zijn eigen hartstochten.

Net als Verbrugge in De gezagscrisis doet, wil ik de dialectische ontwikkeling van de afgelopen 65 jaar aanschouwelijk maken. Dat zal ik doen aan de hand van één van Fellini’s absolute meesterwerken: La dolce vita (1960). Deze film werd opgenomen in de laatste zomer van de jaren vijftig, maar alles wat de jaren zestig zou kenmerken, is er al aanwezig: de seksuele revolutie (met de iconische scène van Anita Ekberg in de Trevifontein als voorbode), de Amerikanisering, de toenemende oppervlakkigheid, de existentiële angst die met de nieuwe vrijheid meek omt, en het spektakel (Debord) dat zou uitmonden in de hyperrealiteit (Baudrillard). Al deze krachten komen samen in de figuur van Marcello Rubini. Hij is het portret bij uitstek van het poreuze individu: iemand die de innerlijke kracht mist om zijn leven een andere richting te geven, zich laat meeslepen en inspinnen door de wereld van entertainment en sensatie, en uiteindelijk afglijdt naar moreel verval.