Het geheugen valt zonder een mathematische benadering niet te begrijpen. Het grondgegeven is de getalsverhouding tussen de geleefde levenstijd en de in het geheugen opgeslagen levenstijd. Men heeft de verhouding nog nooit proberen te berekenen, en er bestaat ook geen enkel technisch instrument om dat te doen; maar waarschijnlijk is dat het geheugen maar een miljoenste, een miljardste deel, kortom, een oneindig klein fragment van het geleefde leven bewaart. Ook dat hoort bij het wezen van de mens. Als iemand alles wat hij heeft beleefd in zijn geheugen kon vasthouden, als hij op elk willekeurig moment elk willekeurig fragment van zijn verleden kon oproepen, zou hij niets menselijks hebben: zijn liefdes, zijn vriendschappen, zijn woedes en zijn vermogen tot wraak of vergeving, zouden niet op de onze lijken.
Er zal altijd kritiek worden uitgeoefend op wie het verleden vervormen, herschrijven, vervalsen, het belang van de ene gebeurtenis overdrijven en de andere verzwijgen; die kritiek is juist, maar van weinig belang als ze niet wordt voorafgegaan door een meer elementaire kritiek: de kritiek op het menselijk geheugen als zodanig. Want wat kan dat arme geweten eigenlijk? Het kan van het verleden maar een klein fragmentje bewaren, en wie weet waarom juist dát fragmentje, en niet een ander? De keuze vindt bij ieder van ons op mysterieuze wijze plaats, buiten onze wil en onze interesses om. Niemand kan voorbijgaan aan het meest vanzelfsprekende feit van allemaal: een werkelijkheid zoals ze was toen ze was, is niet meer; ze kan niet worden hersteld. Tot zover Milan Kundera in L’Ignorance (Onwetendheid, Nederlandse vertaling), oorspronkelijk uit 2000.
Funes el memorioso, Jorge Luis Borges, in Ficciones, 1944 (Nederlandse vertaling De Zahir).
Aan verlamming houdt een half-indiaanse 19-jarige jongen uit Uruguay een absoluut en onbegrensd geheugen over. Funes ziet niet alleen elk blad aan elke boom, op elke berg, maar ook elke keer dat hij het in werkelijkheid of in zijn verbeelding gezien had. Hij pochte: Ik heb meer herinneringen dan alle mensen gehad hebben sedert de wereld bestaat, en mijn dromen zijn als uw waken. Het kostte hem niet alleen moeite te begrijpen dat de soortaanduiding hond zoveel verschillende exemplaren qua grootte en vorm omvat. Want hij herinnerde zich elke individuele hond. Slapen viel hem moeilijk, want in zijn verbeelding zag hij elke spleet, elke richel van de huizen, stuk voor stuk, die hem omringden. In zijn volgepropte wereld waren alleen maar details die bijna van moment op moment veranderden. In de zeventiende eeuw zocht de filosoof John Locke naar een onmogelijke taal waarin elk apart ding, elke steen, elke vogel en elke tak een eigen naam zou hebben. Over een soortgelijke taal dacht ook Funes, maar hij zag er weer vanaf aangezien ze hem te algemeen, te weinig precies toescheen.
De auteur die het verhaal van zijn ontmoeting met de jongen vertelt, concludeert dat Funes niet kan denken, want denken impliceert verschillen vergeten en generaliseren, abstraheren. Het platonische realisme houdt in dat abstracte begrippen universele eigenschappen hebben en dat een soortnaam objectieve realiteit bezit. Daartegen postuleert het nominalisme dat elk afzonderlijk boomblad dat valt onder de soortnaam boombladeren een eigen naam verdient, want elk blad vertegenwoordigt een op zichzelf staande werkelijkheid. Zoals onder het soortbegrip mensheid, elke mens uniek is. Funes is dus een nominalist.
Slotsom
Het geheugen werkt selectief. Dat weet iedere (auto)biograaf, iedere historicus. Waarom van het verleden nu juist dít, en niet dát vermelden, zal afhangen van hoe de schrijver zichzelf of zijn onderwerp ziet, of van het wereldbeeld dat hij heeft op grond van zijn ideologische of politieke voorkeur, zijn geloof of overtuiging richting de lezers en de tijd waarvoor hij schrijft. Volledigheid proberen resulteert in onleesbaarheid. Objectiviteit is iets anders. Dat doet de schrijver door feiten voor zichzelf te laten spreken, en de lezer vrij te laten in zijn conclusies. Zo Milan Kundera in zijn roman. Zijn beroep op het geheugen als selectief dient om zijn standpunt in zijn terugblik op het marxistische verleden van zijn vaderland te rechtvaardigen.
Borges’ idee van een “absoluut geheugen’’, geprojecteerd op Funes, dient zijn stellingname voor het tegenovergestelde. Zíjn verhalen staan voor het “realisme” in platonische zin. Archetypische personages met bijbehorende omstandigheden in luttele pagina’s, want “wat goed is, en kort, is dubbel zo goed”, aldus Gracián. De roman in onze dagen daarentegen, is een kruising van modern realisme en nominalisme. Minuscule weergave van het dagelijkse leven van doorsnee mensen. Dat heeft geleid tot plotloze, dus karakterloze middelpuntvliedende teksten. Het heiligste huis in dezen was de zevendelige À la recherche du temps perdu van de door kunstkenners hoog geprezen Marcel Proust. Borges achtte de chaos van die verloren tijd iets voor “dames onder de droogkap”. Tot verdriet van de gecultiveerde lezer die zowel Borges als Proust bewondert, wat een zekere gespletenheid in zijn smaak verraadt.


